live

Klein geluk in Amsterdam: De kinderhoofdjes glommen

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Wegens het mooiste herfstweer sinds mensenheugenis had ik het water ­opgezocht. Vanaf de Gelderse­kade was ik de Waalsteeg ingedoken om er aan de Oude Waal weer uit te komen. Er bloeiden stok­rozen in de steeg.

    Op de Waals­eilandbrug keek ik naar het water en het zonlicht dat eroverheen schetterde.

    Het wit van de Montelbaanstoren was witter dan ooit en ik dacht, daar woonden Matthijs en Phil van De Fabeltjeskrant, en daar Jean-Paul Vroom die zo’n mooie vlindertafel had en hier, op de hoek van de Lastageweg, zat ­café Het Hoekje waar het dichters-paar Alain Teister en Thera Westerman iedere middag zo vanaf een uur of vier met bier en jenever en allerlei tussenvormen keek of het ook op kon.

    En dat kon het, zoals zou blijken.

    Een keurige jongen vroeg me de weg naar het Waterlooplein en een moeder met een klein jongetje aan haar zijde, zei: “Weet je hoe papa en mama die rooie auto noemen?”

    Het jongetje had iets anders aan zijn hoofd dan een rooie auto, maar ik was zo nieuwsgierig dat ik achter de vrouw aanrende en haar naar het antwoord vroeg. “De ­tomaat,” zei ze.

    Door de Buiten Bantammer­straat liep ik naar het met kinderhoofdjes bestrate stuk weg langs het Oosterdok. De kinderhoofdjes glommen in het licht.

    De eerste twee schepen langs het eerste strekdammetje hadden geen naam, het derde schip heette Hendrik, het vierde Lorien, het vijfde Stand By en het zesde ­Beagle. Dat was een soort jeugdhotel zo te zien.

    Tussen de schepen stond een jongen te vissen. “Vang je wel eens wat?” wilde ik weten. Dat deed hij. “Zoals?” zei ik. “Meestal snoekbaars,” zei hij. Toen we onze dialoog beëindigden, was de ene visser er vijf geworden.

  2. Op het eerste plaatje al

    Is Heinz een Amsterdammer? Natuurlijk, zult u zeggen. Heinz praat als een Amsterdammer, Heinz loopt als een Amsterdammer en gedraagt zich als een Amsterdammer, dus zal hij wel een Amsterdammer zijn. Eens, maar is er ook fysiek bewijs? Over een beetje stripfiguur zijn hele veldslagen uitgevochten. Is Guus Geluk een eend of een gans?

    Deed kapitein Rob het met Magda of met Willy, of met allebei? Waar zijn de ouders van Kuifje? Hoe zat het tussen Winonah en Pum Pum? Wat zei Kick Wilstra toen hij met Jenny het riet in roeide? Heeft Midas Wolf behalve het onsterflijke ‘Zonder spek/ word ik gek’ nog meer gedichten geschreven? Wie is Dick Bos en waarom?

    Is Heinz een Amsterdammer? Ik heb het eerste deel van het verzameld werk erbij gepakt en ben eens gaan kijken. Heinz uit de kast pakken is een van de dingen die je beter niet kunt doen. Je slaat Heinz open, bekijkt hier en daar een plaatje en voor je het weet, ben je bij opa Platvink, zit je op zee of in het Vreemdelingenlegioen.

    En zie daar maar eens weg te komen. Maar bladzijde 59 dus bracht uitkomst over de vraag of Heinz niet alleen een Amsterdammer is, waar we van uitgaan, maar ook in Amsterdam woont.

    Op het eerste plaatje al loopt hij samen met Frits tussen twee amster­dammertjes. Frits vindt dat Heinz er eens uit moet en hij wil hem meenemen naar de tentoonstelling van Herman Tenekaas.

    “Die is,” zegt Frits op het derde plaatje, “bezig met de demystificatie van materiaal en object!!” Waarna Heinz op het vierde plaatjes bovenop een ­authentiek Amsterdamse lantaarnpaal is gaan zitten. Nu is er dus Heinz de film. Ik houd mijn hart vast. Maar ik ga kijken.

  3. Omstrengeld en gevangen

    Als ik vanaf de Beethovenstraat rechtsaf de Stadionweg opdraai om naar de Holbeinstraat te gaan, steek ik meteen over naar de tramrails die vanaf het Olympiaplein langs de vluchtheuvel voeren.

    Wel opletten dat er geen tram of taxi aankomt, maar heerlijk fietsen zo tussen de rails en tegen de rijrichting in. Graag zou ik zo eens naar het Centraal Station rijden, bij voorkeur door de Leidsestraat.

    Als je op de fiets rechtsaf wil, zijn er twee mogelijkheden. Er is een stoplicht of er is geen stoplicht. Als er geen stoplicht is, is er geen probleem en kan je gewoon rechtsaf slaan, behalve als de boel verstopt zit.

    In dat geval kan je geduldig wachten, proberen over links bij de afslag te komen of de stoep nemen. Als er een stoplicht is, en het staat op groen, dan is ­alles ongeveer hetzelfde.

    Staat het stoplicht op rood, dan is er de kans dat je toch rechtsaf mag. Mag dat niet, dan kan je geduldig wachten tot het licht op groen gaat, proberen over links bij de afslag te komen of de stoep nemen.

    Is er geen stoep, maar een landje of grasveldje, dan zal daar in de loop van de tijd een olifantspaadje ontstaan.

    Wie van de Breitnerstraat naar de Apollolaan fietst, treft bij de bloemenstal een betegeld olifantspaadje aan, het enige exemplaar mij bekend. Toen ik van de week bij de bloemenstal afstapte om de zaak aan een nader onderzoek te onderwerpen, viel het me op dat de bloemenstal open was, maar er volkomen verlaten bij lag.

    Toen ik verder fietste, zag ik hoe dat kwam. Achter kar en bloemen verscholen zaten het bloemenmeisje en haar geliefde, op hun hurken tegen over elkaar, omstrengeld en gevangen in een oeverloze kus.

  4. Ik wou da'k was

    Met mijn vriend de schaker, die geen schaakvriend is, zat ik na een potje tennis aan het IJsbaanpad nog wat na te praten.

    Hij vertelde dat de Peruviaanse die bij hem de boel schoon houdt, op het punt stond naar Peru af te reizen in verband met een reünie met haar oude volleybalvriendinnen.

    Het ene verhaal haalt het andere uit en dus vertelde ik dat ik enkele weken eerder, tijdens een flitsverblijf in Valencia, in een café aan het grote plein in het centrum ­zeven vrouwen van een Vlaams volleybalteam had ontmoet en dat ik voor ze had gezongen.

    “Wat?” wilde mijn vriend weten. Waarop ik ‘Ik wou da’k was’ voor hem zong: ‘Ik wou da’k was/ een lekker glaasje wijn/ ik wou da’k was een lekker glaasje wijn/ was ik een lekker glaasje wijn/ ’k zou altijd op je lippen zijn/ ik wou da’k was een lekker glaasje wijn.’

    “Dat lijkt erg op de Broek van Doris Day,” zei Hans, en hij begon al te zingen: ‘Ik wou da’k was/ de broek van Doris Day.’

    Verder kan niet in een nette rubriek en dus viel ik hem in de rede met “Nee, nee, nee, het is om­gekeerd, het glaasje wijn was eerst, de Broek van Doris Day is een variant op dat glaasje wijn.”

    Een paar dagen later mailde Hans me in een heel ander verband dat de beroemde grootmeester Sawielly Tartakower tientallen jaren in hotel Mazagran had gewoond, in de rue de l’Échiquier in Parijs.

    ‘Is de Schaakbordstraat naar hem genoemd?’ wilde ik weten. Nee, dus.

    De vraag is nu wat precies het verband is tussen het Schaakbord en de Broek van Doris Day. Geen idee, maar dat er een verband is, lijkt me zeker.

  5. Eerst de vader een hand

    Het is verbazingwekkend hoeveel plezier een mens kan ontlenen aan het vooruitzicht van een bezoekje aan de slager. Ik was meer dan twee maanden niet langs geweest, wegens hij op vakantie, ik op vakantie en nog zo het een ander, maar nu was het weer zover en was ik op weg naar de Marathonweg

    Onder de eeuwenoude platanen langs de Apollolaan waren mannen in hesjes bezig de bladeren op te ruimen. Geen opzienbarend nieuws, maar ze deden het met een hark, en dat mag een nieuwtje heten.

    Zoals altijd was het een heerlijk ritje. Helemaal blij kwam ik bij Zikking binnen, waar ik eerst de vader een hand gaf en toen de zoon, waarna er een meisje restte dat gehakt aan het draaien was. Na haar gehakthand vertelde ik over een vriend, Hans van Bronkhorst met wie ik zes jaar op de lagere school heb gezeten, die in de jaren zestig als leerlingkok bij het Doelen Hotel werkte.

    In zijn pauze sleutelde Hans graag aan zijn brommer. “Maar krijg je dan geen vreselijk smerige handen,” zei ik. “Een keer gehakt maken,” zei Hans, “en ze zijn weer schoon.”

    Zikking zit op 55, schuin tegenover 66, waar mijn vader heeft gewoond op drie hoog, van 1932 tot 1935, van zijn zeventiende tot zijn twintigste. Hij heeft er nooit een woord over gezegd, maar het moet voor een kind uit Kattenburg vreemd zijn geweest daar in Nieuw Zuid.

    66 driehoog heeft kleine ramen en zit schuin boven een van de poortjes naar de Achillesstraat. Aan mijn vaders kant wordt het poortje opgesierd door een blote vrouw en een half geklede vrouw. Op het poortje aan de andere kant van de Marathonweg rennen twee hardlopers voorbij en staat een derde voorover gebogen uit te hijgen.

  6. Nog precies zo als vroeger

    Het aardige van een reünie van je oude school is dat je ongestraft tegen iedereen aan mag praten.

    “Het is niet te geloven,” zei ik tegen een dame met wie ik in de rij stond, ik voor bier en zij voor witte wijn, “dat de kantine er nog precies zo uitziet als vroeger.

    Ik hoorde de flesjes schoolmelk weer rammelen in het krat.” “Schoolmelk?” zei ze, “dat heb ik niet meer meegekregen. Van welk jaar bent u?”

    Enzovoort, enzovoort, of het de gewoonste zaak van de wereld is.

    Natuurlijk waren er ook mensen die ik wel kende. Cindy bijvoorbeeld die op Facebook een column schrijft die ze in een goede bui eens omschreef als Klein chagrijn.

    “Valt er nog wat te halen voor je?” zei ik. Ze wist het nog niet. “En jij?” “Geen zorgen,” zei ik, waarop ik terugkeerde naar ons tafeltje.

    Sonja had net verteld dat kinderen vaak niet bij haar over de vloer mochten komen omdat haar ­ouders van het toneel waren. “En toen kwam de televisie,” zei ze, “en waren we ineens razend populair.”

    De vader van Marianne deed onderzoek naar homoseksualiteit bij muizen. Marianne woonde in West. Toen ze in de tweede klas op haar eindrapport twee vijven had, kreeg ze te horen dat ze maar beter naar de MMS kon gaan.

    Een vriendinnetje dat op het Muzenplein in een villa woonde, had na haar twee vijven ‘meer aandacht nodig.’ Marianne was er nog niet over uit.

    En Frans? Die beroemd werd door na een geschiedenisles over Turkije als ‘zieke man van Europa’ te vragen wat de sultan dan mankeerde?

    Frans ging verhuizen. Van Noordoost-Groningen naar Hillegom. Tevreden fietsten Dorine en ik naar huis.

    Via de kortste weg, want Dorine weet altijd de kortste weg.

  7. Enige balkon van de straat

    Vanaf de negende verdieping van de Wolkenkrabber mag het uitzicht over Amsterdam aan beide zijden spectaculair heten.

    Aan de ene kant zie je richting Amstel maar een klein stuk stad, aan de andere kant kun je vrijwel elk huis waar je ooit gewoond hebt goed zien liggen. Het was een stralende dag, en dat scheelt.

    We hadden het erover hoe weinig sporen de oorlog in de stad heeft nagelaten. “Eigenlijk alleen de monumentjes,” zei Ronald.

    “En de herinnering aan winkels die fout waren in de oorlog,” vulde Rosa aan. “Toen we elkaar nog maar net kenden, heeft hij me ze allemaal aangewezen.”

    Ik keek naar het plein aan onze voeten, het Victorieplein dat vroeger Daniël Willinkplein heette en door de Duitsers in de oorlog gebruikt werd als verzamelplaats om opgepakte Joden naar de trein te voeren.

    Een half uur eerder fietste ik over de Churchill-laan toen ik een smalle doorgang zag, en nam. Aan de andere kant bevond zich het plein dat zich Jekerstraat noemt.

    Omdat ik me meende te herinneren dat hier een plaquette was gekomen die herinnert aan de kinderen die uit de school op het plein zijn weggevoerd, ging ik op zoek.

    Maar kon niets vinden.

    Wel was er op de hoek, vlakbij de Maasstraat, een etalage waarin een etalage vullende zwart-wit­foto van een stuk rails te zien was. Waarheen de rails ging, werd niet vermeld, maar veel goeds leek het niet te voorspellen.

    In de Roerstraat ging ik op zoek naar het balkon dat een Duitse ­politie hier in de oorlog had laten aanleggen, het enige balkon van de straat.

    Ik vond het waar de Roerstraat een plein wordt, op nummer 62 eenhoog. “Een mooi balkon,” zei ik.

    “Een fout balkon,” zei Ronald.

  8. Betreden op eigen risico

    De ganzen vergaderen weer in de bermen langs de kaden. Overal zijn de vuurdoorn­hagen knallend rood en in de ­Velasquezstraat groeien paddenstoelen in het gras.

    De bladeren van de wijnranken verkleuren, de zonnebloemen reiken tot de tweede verdieping en de vlinderstruiken waar tot voor kort vlinders aan leken te groeien, staan er verlaten bij.

    “Wat weet je van Gerard Reve en Yves Klein?” zei Marcel van antiquariaat Fenix. Ik vertelde dat ­Reve een tekst van Klein had vertaald, Kom met mij in de leegte, en dat ik de uitgave indertijd had gekocht, maar dat ik, zoals dat gaat, geen idee had waar het bibliofiele kleinood zich bevond.

    Dat kwam goed uit, want binnenkort had Marcel waarschijnlijk een exemplaar te koop.

    Ik legde mijn euro neer voor een uit 1900 of daaromtrent daterende kinderuitgave van Huckleberry Finn, met de originele plaatjes, en vervolgde toen mijn weg.

    Nadat ik de Ceintuurbaan was overgestoken, belandde ik in de Cornelis Trooststraat voor de etalage van een elektriciteitswinkel die net als de winkel zelf trouwens helemaal volgestort was met troep.

    Te midden van de afgedankte armaturen, verrotte stekkerdozen en leeg­gelopen batterijen lag het Handboek der Nederlandse Filatelie.

    Met de buren was het al even treurig gesteld. ‘Betreden op eigen risico’, zei een plakkaat, ‘niet betreden in verband met insecten en schimmel.’ Boven de ingang hing nog een uithangbord dat ‘ontbijt, lunch, diner, banquette’ beloofde. De naam van het restaurant kon ik niet lezen.

    Vroeger zat hier Tafeltje dekje, het restaurant van Hans en Eva, goede vrienden die de gewoonte hadden het geld dat ze met hun restaurant verdienden dezelfde avond nog in het café van de buren in drank om te zetten. Dat kon niet goed gaan natuurlijk en dat ging het ook niet.

  9. Kleine piloot aan de stuurknuppel

    In Parijs kun je aan de bierglazen op de terrastafels zien hoe laat het is. Zie je bolletjes, fluitjes, vaasjes en hoe al dat glaswerk ook heten mag, dan is het voor vijven.

    Komen de grote glazen op tafel, dan weet je dat happy hour is begonnen en het dus na vijven is. Het bierglas als zonnewijzer, wie had ooit zoiets gedacht.

    Als om te bewijzen dat tijd een rekbaar begrip is, duurt happy hour in de meeste café’s van vijf tot tien en het zou me niks verbazen als een uur binnenkort nog langer duren gaat.

    Tijd en ruimte hebben, zoals bekend, het een en ander met elkaar te maken, zelfs in de echte ruimte kan je dat merken. Zo weten wij op ieder moment hoeveel ruimte we in beslag nemen. Als dat niet zo was, zouden we voortdurend ­tegen elkaar opbotsen.

    Maar als je op een rommelmarkt voor een zacht prijsje een rode Joustra ­F-Ral Ralley hebt gekocht en je moet zien het vliegtuigje met zijn kleine piloot nog aan de stuurknuppel ongeschonden thuis te krijgen, merk je ineens dat je ruimtebesef ook betrekkelijk is.

    Als je een rib gekneusd hebt, port iedereen je in je ribben, als je schouder ontwricht is, slaan ze je op je schouder en als je in een plastic tas een vliegtuigje vervoert, loopt iedereen er tegen op.

    En in het restaurant in de rue de Charenton waar we gingen eten, hoefde ik de tas maar een seconde op een stoel te leggen of men snelde van alle kanten toe om er op te gaan zitten.

    Naast het restaurant, zag ik later, zat een marmeren plaat aan de muur geschroefd met de tekst: ‘Op 17 april 1967/ is/ hier niets gebeurd.’

  10. De droom te vliegen

    Op het filmpje staat Gino de Dominicis met zijn rug naar ons toe op een rotsblok hoog boven een vallei. Hij draagt een zwarte broek en een zwarte trui.

    Zijn haar valt tot vlak boven zijn schouders, het is 1970. Na enkele tellen spreidt hij zijn armen om ze vervolgens langzaam op en neer te bewegen alsof hij zich klaarmaakt om weg te vliegen. Een paar keer lijkt het ­moment daar, maar nee, en dan is het zover, Gino de Dominicis kiest de ruimte.

    Maar niet voor lang, want binnen een tel staat hij wankelend op de grond, waarna hij ­terugkeert naar het rotsblok en met zijn rug naar ons toe zijn armen spreidt.
    Wij willen wel vliegen, maar weten niet hoe, de tentoonstelling L’Envol - ou le rêve de voler, tot 28 oktober in La maison rouge in Parijs, laat daarover geen twijfel.

    Yves Klein lijkt op de beroemde foto uit 1960 weg te vliegen van het dak van het huis in Fontenay aux Roses, maar wat de foto niet laat zien, is het vangnet dat door zijn judovrienden strak werd gehouden.

    Nee, dan Franz Reichelt en zijn parachute. Zijn sprong, in 1912, van de eerste verdieping van de Eiffeltoren was echt. Hij vloog, als een baksteen naar zijn dood, maar hij vloog.

    Weer op straat zag ik een oude man met een heel klein verzet tegen de rue des Pyrenées op fietsen. Op zijn pet draaide een wentelwiekje.

    En niet veel later in het park was er een jongetje van een jaar of tien dat vanaf de loopbrug over het water een zelfgemaakt parachuutje lanceerde.

    “Zijn parachute doet het beter dan die van Reichelt,” zei ik. “We zijn dan ook honderd jaar verder,” zei mijn geliefde.