live

Klein geluk in Amsterdam: Poëzie is overal

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Poëzie is overal

    Van het Zonneplein naar het KNSM-pontje loopt een muizentrap, links, rechts, een eindje rechtdoor en dan weer links, rechts, door de verbazingwekkende Nieuwe Zonnestraat, langs de Kometensingel waar in de voortuinen de appels aan kleine appelbomen hangen, en zo hup een industrieterrein op. Vanaf een bankje kan je de schepen in de haven bekijken, bescheiden motorbootjes, heuse jachten, een ijsbreker.

    Als we het pontje in het zicht krijgen, passeren we een café waar een bord hangt met de tekst ‘Kom hier zitten aan de waterkant/ met een lekkere cocktail in je hand’, poëzie zo blijkt maar weer is overal.

    “Lag hier niet een onderzeeër?” zegt mijn geliefde. De roestbak ligt vlak voor haar neus, maar om de een of andere reden ziet ze hem niet. “Misschien is hij onder?” zeg ik. Terwijl zij het water afspeurt, laat ik mijn aandacht treken door een reusachtige muurschildering van een zwartharig meisje dat me vaag bekend voorkomt. Ineens weet ik: Anne Frank, dit moet ­Anne Frank verbeelden.

    Van alle lelijke muurschilderingen in de stad, denk ik, is dit wel de lelijkste. Hoewel, de afbeelding van Marilyn Monroe met opwaaiende ­zomerjurk in het portiek van Devils & Angels, naast café Le Patron in de Vijzelstraat mag er ook zijn. Iedere keer als ik er langs fiets schrik ik even. Toch ben ik er aan gehecht, net als aan de prachtige Amy Winehouse op de hoek met de Fokke Simonszstraat iets verder op.

    En als je doorloopt, doorfietst, doortramt kom je vanzelf bij de Reguliersbreestraat. Op de hoek aan de Amstelkant vind je daar het door graffiti aangetaste maar onverwoestbare portret van Dizzy Gillespie die hier al jaren sterren aan de hemel blaast.

  2. Namen die doen dromen

    Heel lang waren IJ en wij van elkaar gescheiden, maar wie het busstation achter het Centraal betreedt, weet: die tijd is voorbij. Wat een uitzicht van deze hoogte, zo weids heb ik het IJ niet eerder gezien.

    We gingen op expeditie naar Tuindorp Oostzaan, naar het Zonneplein, en om daar te komen ­namen we bus 35, uitstappen op de halte Maanstraat was ons verteld.

    Maanstraat, Zonneplein, Zonnestraat, het zijn namen die doen dromen en deze keer viel de werkelijkheid niet tegen.

    Van de Maanstraat liepen we de Orionstraat in, in 2010 nog uitgeroepen tot de mooiste straat van Noord, waar we genoten van de sierlijke voortuintjes en de versieringen aan de gevels. Aan het huis op de hoek met Polluxstraat hing een opengewerkte gitaar met daarin een pandabeertje en paar miniboeddha’s.

    Toen we een foto maakten, kwam de bewoonster naar buiten. “Mooi hè?” zei ze. Dat beaamden we en ik vroeg of ze wist hoe hoog het water was gekomen. In 1960. Tijdens de Grote Overstroming. Maar dat wist ze niet. Ze had nog wel een foto waarop je de kogel­gaten in de muren kon zien van vlak na het bombardement in juli 1940.

    Even later liepen we door de poort van de Zonneweg het Zonneplein op. Het mooiste plein van heel Amsterdam, zag ik in een oogopslag. Ruim met mooie ­bomen en gaanderijen die het plein tot het place des Vosges van de Amsterdamse School maken.

    Toen we op het terras van Lokaal Spaanders van de lekkerste tosti ooit genoten, zei de uitbaatster dat we niet met de bus terug hoefde, want de pont was vlakbij, vijf minuten lopen, nou ja tien misschien, maar in geen geval meer dan een kwartier.

  3. Wat zou er op de pont gebeuren

    Jarenlang begroette ik mijn kleindochter bij iedere ontmoeting met de woorden: “En, hoe is het met de tafel van 8?” Nu ze op de middelbare school zit, kan dat niet meer, maar gelukkig is ze uitverkoren door een school in Noord zodat ik kan zeggen: “En, hoe was het op de pont?” De reactie is ongeveer hetzelfde.

    “Wat zou er op de pont gebeuren?” voegde ze er de laatste keer aan toe. “Dat zal ik je vertellen,” zei ik.

    In het verhaal dat ik recent van een voormalige Noordbewoner te horen kreeg, staat er als de pont achter het IJ is afgemeerd al een stevige menigte klaar om aan boord te gaan.

    Midden voor de pont, wat het verlaten van de pont niet eenvoudiger maakt.

    De schipper die het vanachter zijn panorama venster ziet gebeuren, pakt zijn microfoon en zegt: “Mensen, als u nu allemaal een stapje opzij gaat dan kan iedereen er door en bent u sneller aan boord.” Geen ­reactie, iedereen blijft staan waar ie stond.

    Waarop de schipper ­opnieuw de microfoon pakt. “Mensen,” zegt hij, “als u…ach krijg ook allemaal de kolere.”

    In de auto van de Groot Moefti van Noord vertel ik het verhaal nog een keer. Als we uitgegrinnikt zijn, wijst de Moefti en zegt: “Jaap van Heerden?” En inderdaad, Jaap van Heerden, de schrijver, de filosoof in zijn regenjas, staat bij de zebra op de hoek van de Olympiaweg en de Stadionweg heel erg Jaap van Heerden te wezen.

    Sommige mensen worden als ze ouder worden onherkenbaar. Anderen dragen hun jongere ik nog in zich mee. Mensen als Jaap van Heerden gaan steeds meer op zichzelf lijken, alsof ze nu pas worden wie ze altijd al waren.

  4. Kalvijn met een K

    In de tram zit ik schuin tegenover een onopvallende jongeman. Witte oordopjes in, telefoon in de hand, niets aan te zien, en groot is dan ook mijn verbazing als zich plotseling twee opgewonden meisjes bij hem melden. Allebei een jaar of veertien, allebei een beugel. Ze duwen en trekken elkaar voort zoals meisjes doen als ze iets ondernemen wat ze eigenlijk niet durven.

    Of ze met de jongeman op de foto mogen, willen ze weten. “Ja hoor,” zegt hij vriendelijk. Na de selfie-ceremonie gaan de meisjes giechelend af.

    “Wie ben je,” zeg ik tegen de jongen. Normaal zou ik dat nooit durven vragen, maar in functie ben ik onverschrokken. Hij zegt dat hij Kelvin heet, maar zich Kalvijn noemt, “Kalvijn met een K,” waarop ik hem vraag waar de meisjes hem van kennen. “Ik maak filmpjes,” zegt hij, “op internet. Kent u dat, internet?” Daar heb ik inderdaad weleens van gehoord. “Op YouTube?” zeg ik. Op YouTube.

    “U zult het wel hele flauwe filmpjes vinden, maar er zijn ook mensen die het leuk vinden.”

    ’s Avonds kijk ik een filmpje waarin de 21-jarige Kalvijn (600.000 abonnees) de generatiekloof bespreekt met Bibi van negen. Van de generatiegebonden begrippen waarmee ze elkaar bestoken ken ik alleen de Scoubidou. Die was uit 1959, en hoe ie bij Kalvijn en Bibi is beland, is me een raadsel. Maar leuk is het wel.

    Dezelfde dag nog werd ik ook herkend in de tram. Door de kapper van een vriend uit Amstelveen. Hij had de dag tevoren een tweeling in de zaak gehad. Een met een enorme bos haar en de andere kaal. Als kalentroost zei hij toen: “God schiep de volmaakte mens, de anderen gaf hij haar.”

  5. Een man op een fiets met een petje op

    Als ik met mijn dochter en kleindochter door hun buurtje loop, voel ik me na een tijdje net de ­Koningin van Lombardije. Iedereen kent iedereen hier, lijkt het wel. Wat dat betreft was het vroeger wel anders. Op straat zei je ­elkaar niet gedag, niet in West in ieder geval, en praatjes maken met elkaar was er al helemaal niet bij.

    Maar als ik nu op het terras van Radijs zit, op de hoek van de Jan Eef en de gracht van Admiralen, is het een komen en gaan van bekenden, gezwaai van fietsers en getoeter van auto’s.

    Als we hebben afgerekend en ik mijn fiets van het slot haal, steken dochter en kleindochter vast over richting Albert Heijn. Ze zijn nog op de brug als ik ze in druk gesprek zie raken met een man op een fiets met een petje op. Als ik dichterbij kom, zie ik dat hij van top tot teen getatoeëerd is.

    “Ken je hem nog?” zegt mijn dochter. “Micky!” Micky is een van de kinderen uit Studio Paradiso van Max Natkiel, waarin foto’s van punkers uit de jaren tachtig zijn verzameld. Elf jaar was hij toen Natkiel hem fotografeerde, achterdochtig, in volle botsing met de wereld. Toen wij hem kenden, zal hij een jaar of zestien zijn geweest.

    Op de verjaardag van mijn dochter gaf hij haar een cadeau dat ze altijd bewaard heeft. Hij gaf het in het geheim – “Want,” zei hij erbij, “ik denk niet dat je ouders dit leuk vinden.”

    Nu stond hij op het punt om af te reizen naar Thailand. Voorgoed. Bij het afscheid stootten we onze vuisten tegen elkaar. “Tot over een jaar of twintig,” zei hij. We lachten.

  6. De veter van mijn rechterschoen

    Krant gelezen, koffie ­gedronken, geschoren, douche genomen, aangekleed, boterham ­gegeten, tijd om de deur uit te gaan. Maar eerst mijn schoenen aan. ‘Om eens te proberen,’ schreef iemand eens, ik meen dat het Tom Steen was, ‘eerst je schoenen en dan je sokken aan.’ Mooi regel, net als: ‘Andere man? Nee, schone sokken aan.’

    Mijn sokken had ik al aan en ik boog me voorover om mijn veters te strikken toen mijn geliefde voor me opdook, zich op een knie liet zakken en de veter van mijn ­rechterschoen voor me strikte, een ­verbijsterende ervaring. Hoe lang, dacht ik, is het geleden dat ­iemand mijn veter strikte?

    Die ­iemand zal mijn moeder zijn geweest. Zij strikte mijn veters zolang ik dat zelf nog niet kon, tot mijn vijfde, tot mijn zesde? Altijd in de keuken, ik op een blank gelakte keukenstoel, zij met een knie op het zeil. In Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust welt het verleden op uit een in lindebloesemthee gedoopte madeleine.

    Ik wil mijn veter niet met deze madeleine vergelijken, maar ineens herinner ik me wel dat het zeil zwart-wit geblokt was en dat er stoom uit de fluitketel kwam die niet floot omdat mijn moeder een hekel had aan dat gefluit en daarom van iedere nieuwe ketel die zijn droog gekookte voorganger opvolgde de stoomfluit weggegooide.

    In de loop van de dag vertelde ik verschillende mensen over de ­veter. Marion vertelde me daarop dat haar vriend als jongen onder de tafel gezeten eens de veters van zijn vader en zijn ooms schoenen aan elkaar geknoopt had. Wat ze niet gemerkt hadden, zodat ze na het opstaan struikelend over ­elkaar heen vielen. Lieve vader, leuke ooms.

  7. Zo hoog als het net op de tennisbaan

    Woensdag waren we in de FilmHallen voor de opening van het tweede Parool Film Fest. Er was een Rode Loper, een première in negen zalen en na afloop een woest feest dat duurde tot in de kleine uurtjes.

    De premièrefilm heette Borg/McEnroe en ging over hun legendarische Wimbledon­finale uit 1980. Waarin als je deze film geloven moet geen bal ge­slagen werd, maar omdat Borg/ McEnroe een goede film is, was het toch spannend.

    In de aanloop naar de Wimbledonfinale zag je de tienjarige Borg zijn backhand oefenen tegen een garagedeur. “Speel je de Davis Cup, of sta je op Wimbledon?” informeerde zijn moeder.

    Toen ik tien jaar voor Borg tien jaar was, had ik ook zo’n muurtje. Het bevond zich in mijn jongenskamer, een kamer en-suite die door glazen schuifdeuren ­gescheiden werd van onze huis-kamer met zijn stoelen met bal-poten, massieve dressoirs, gezellige kleedjes en koperen kannetjes. Tegen de lange muur stond mijn opklapbed en opgeklapt was dat ongeveer zo hoog als het net op de tennisbaan.

    Met toestemming van tante Corrie van beneden speelde ik tegen dat muurtje mijn partijen die in verband met haar algemeen welzijn niet langer dan een half uur mochten duren. Meestal Wimbledonfinales, waarin ik in de vijfde set tegen Tony Trabert of Pancho Gonzales met 5-2 achter kwam. Hoe dat afliep, laat zich raden.

    In de jaren die volgden, bleek de werkelijkheid minder glorieus. Op de schoorsteenmantel staat het bekertje waarop te lezen valt dat ik in 1955 en 1956 clubkampoen werd bij de jeugd. Op zolder heb ik nog een paar asbakken die hetzelfde vertellen over 1957 en 1958, maar de Wimbledondroom was toen al lang vervlogen.

  8. Doden langs de gracht

    Als het einde van het tennisseizoen nadert, ­beginnen de blaadjes van de bomen te vallen, heel opmerkelijk. We waren er klaar voor, maar vandaag zou er niet getennist worden, want het stille herfstweer was binnen een minuut in storm en regen veranderd.

    Toen de banen definitief blank stonden, gingen we op huis aan.

    De kennis met wie ik op fietste vertelde dat hij op de Nieuwe Keizersgracht woonde. Was ik daar wel eens wezen kijken, naar het Schaduwkade Monument aan de zonnige kant van de gracht? Nee, maar dezelfde middag nog ben ik gegaan.

    Eenmaal op de Nieuwe Keizersgracht kon ik de stalen plaatjes met de namen van de vermoorde Joden die het monument uitmaken niet vinden. Maar wat een prachtig grachtje met zijn Vulcaan, zijn Mars, Curacao en Portorico.

    Tussen Curacao en Portorico zat op het stoepje voor haar huis een vrouw aan wie ik vroeg of ze wist waar het monument zich bevond. “Aan de andere kant van de Weesperstraat, op het stuk naar de Amstel,” zei ze. Ik bedankte haar en fietste verder. “Je gaat de verkeerde kant op,” riep ze me na. Dat klopte, maar ik wou het hele grachtje zien.

    Het andere stuk van de Nieuwe Keizersgracht ligt langs de Hermitage. Er staan geen auto’s langs het water en om de paar meter vind je een plaatje met de namen van mensen die aan de overkant, de schaduwkant hebben gewoond.

    Genna Groen woonde op nummer 70, ze was 1 jaar toen ze in Auschwitz werd vermoord. Nathan Samuel Englander die op 64 woonde, was 11. Vermoord in Sobibor. Twee van de meer dan 200 doden langs de gracht. Vlak bij de brug van de Weesperstraat ligt de doolhofput merk Stora die erbij was.

  9. Daar waren eens zeven wilgen

    Als je het naamloze bruggetje over het naamloze eindje water bij de Markthallen oversteekt, beland je al snel in de Vissering-straat die na een korte aarzeling overgaat in het Van Bossepad.

    Langs het Van Bossepad, dat smal en stil is, liggen woonschepen. Voor het eerste woonschip staan zeven wilgen, ik heb ze geteld, die meteen het gedicht van Adama van Scheltema in gedachten roepen: ‘Daar waren eens zeven wilgen/ in ene boerenwei,/ Die droegen grote pruiken op/ Hun oude harde houten kop/ En stonden op een rij.’

    De wilgen moesten naar de kapper. Hoe vaak zal mijn moeder het lied voor me gezongen hebben? Een van de zeven wilgen bij de woonboot was dood, zag ik, dus misschien zijn het er nu nog maar zes, wat het hele effect zou bederven.

    Een rooie kat zwierde over het pad, een man met en rugzakje op zijn rug liep zonder op of om te kijken aan mij voorbij. Op de daken van de straat evenwijdig aan het pad ontwaarde ik een wonderlijk koepeltje, een koepeltje als van een tuinprieel, maar dan boven op een dak.

    Het is gebouwd op het dak van de Van Bossestraat 30-32, waar een plaquette aan de gevel memoreert dat op 3 mei 1943 op deze huizen een Engelse bommenwerper is neergestort. ‘Drie bemanningsleden en zeven burgers kwamen hierbij om het ­leven.’

    Het was doodstil in de Van Bossestraat. Er speelden geen kinderen, geen wandelaar liet zich zien, geen fietser, geen scooter, geen auto. Niets bewoog totdat uit dat niets een sliert staartmezen opdook en als een school kleine dolfijnen de straat overstak. Toen pas hoorde ik heel in de verte het geluid als van een kermis.

  10. Meneer Dinges weet niet wat swing is

    In Heinz van Windig en De Jong komt een aflevering voor waarin Heinz zich op de voorpoten laat zakken en een zacht ‘miauw’ laat horen. “Soms moet het even,” zegt hij als hij in het volgende plaatje weer op de achterbenen staat.

    Soms moet het even. Citeren uit de krant bijvoorbeeld. Zoals iedereen boven de 36 lees ik iedere dag de rouwadvertenties, waarbij de geciteerde versjes zich in mijn bijzondere aandacht mogen verheugen.

    Ha Vasalis, ha Ida Gerhard, ha Nel Benschop! Een dezer dagen werd een advertentie door het volgende versje opgesierd: ‘Het leven is geen lolletje/ paraplu, paraplu, parasolletje’. Was getekend K. Schippers. Het was een rouwadvertentie en dus past gepaste rouw, maar desondanks schoot ik in een daverende lach.

    Wat was hier aan de hand? Er ­bestaat een anoniem rijmpje en dat gaat zo: ‘Paraplu, paraplu, parasolletje/ het leven is geen lolletje.’ In de jaren zestig bedacht K. Schippers een variant waarin ­verwezen wordt naar de toenmalige chef kunst van het Handelsblad: ‘Kunst is nooit een lolletje/ voor meester K.L. Polletje.’

    Een klassieker. om met Heinz te spreken. Slechts te vergelijken met ‘Sybren Polet/ draagt een­ ­pinopet’ of ‘O mijn lieve Gortzak/ in zijn Sowjet-sportpak’.

    En nu is het oorspronkelijke versje, in omgekeerde volgorde, en met dank aan mr. K.L. Poll, dus van K. Schippers geworden.

    De wegen van de poëzie zijn vaak ondoorgrondelijk. In Rotterdam rijden vuilniswagens met daarop de regel ‘Meneer Dinges weet niet wat swing is’, die wordt toegeschreven aan Cornelis Bastiaan Vaandrager. Terwijl het een regel is van Johnny & Jones.

    Vaan heeft de regel ‘ontleend’ of ‘geïsoleerd’ lees je dan. Maar volgens mij blijft hij van Johnny & Jones, zoals ‘Het leven is geen lolletje’ nu van Schippers is.