live

Klein geluk in Amsterdam: Sandra vergeet het niet

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Sandra vergeet het niet

    Op de stationstrap wierp het bevallige meisje dat naast mij liep een blik op mijn koffertje en vroeg of ze het van mij moest overnemen.

    “Nee,” zei ik, “dat red ik nog wel. Volgend jaar misschien?”

    “Afgesproken,” zei ze.

    Eenmaal in de tram zag ik iets waar je over leest, maar wat ik geloof ik nooit met eigen ogen had aanschouwd. Een vader haalde een zak snoep tevoorschijn en bij die aanblik klapte zijn dochtertje van vreugde in haar handen.

    Altijd gedacht dat die handenklapperij zoiets was als het spitsen van je oren of het schrapen van de keel, maar nee dus, het bestaat echt.

    Nadat ik was uitgestapt, begaf ik me naar Arnold Cornelis voor een kroketje. Bij Arnold Cornelis voor de deur staat een bank waar ik graag op zit. Je hebt er een fraai uitzicht over de Van Baerlestraat en een aardig inkijkje in de diverse zijstraten. Er passeren fietsers en wandelaars, auto’s, bussen en trams, van alles te doen dus. Laatst nog zag ik Karel van het Reve voorbij lopen, weliswaar was het zijn zoon, maar toch.

    Als ik mijn kroket heb besteld, zeg ik dat ik buiten ga zitten en vraag ik of ze me even waarschuwen als ie klaar is. Wat ze altijd vergeten.

    Op de presentatie van de tweede verzameling Klein geluk in Boekhandel Martyrium vertelde ik het verhaal aan mijn buurtgenoten. Dat ik dat had gedaan, vertelde ik nu aan Sandra bij wie ik mijn kroket had besteld en tegen wie ik had gezegd dat ik buiten ging zitten.

    “Daar zou ik tegen geprotesteerd hebben,” zei ze. “Ik vergeet je nooit.”

    Even later kwam ze naar buiten en hield het zakje met mijn kroket triomfantelijk omhoog.

    “Zie je,” zei ze, “Sandra vergeet het niet.”

  2. Een mooie taakverdeling

    Op de Boekenmarkt op het Spui zag ik tot mijn verbijstering twee ingebonden jaargangen van het Franse tijdschrift Aviation liggen. De jaargangen 1910 en 1911, uit de grootse begintijd van de vliegerij, toen ze allemaal nog vlogen: Curtiz, Wright, Garros, Blériot, Santos Dumont.

    En hier werd verslag gedaan van hun avonturen, in honderden artikelen met honderden adembenemende foto’s, en dat voor de prijs van een gemiddeld etentje met zijn tweeën.

    Niet goedkoop dus, maar beter duur dan niet te koop.

    Mijn hoofd was nog in de wolken toen ik werd aangesproken door een man met een baard en een wandelstok. “Je kent me niet meer,” zei hij, “maar ik ben Pim Koldewijn.”

    “De dichter!” riep ik. Begin jaren zestig zaten we samen in de redactie van de Telescoop, de schoolkrant van het Spinoza Lyceum. Pim gebruikte zijn redacteurschap om zijn gedichten te publiceren die vervolgens door mij onder het pseudoniem de Drie Turven belachelijk werden gemaakt, een mooie taakverdeling.

    “Schrijf je nog versjes?” wilde ik weten. “Ik ben er nog een tijdje mee doorgegaan,” zei Pim, “maar toen ben ik natuurkunde gaan studeren.”

    We kregen het over de andere redacteuren van de schoolkrant. Over Arthur Hartkamp die schitterend rijmende verzen schreef: ‘Verliefdheid is als bloemengeur/Een graag opbloeiend lenteodeur’; over Lars Nigtevecht die om de een of andere reden in het Engels dichtte.

    Dit zijn de eerste regels van A Question From a Soldier: ‘I’m not afraid to die this very moment/ If only someone told me why’. Dat heb ik uit een oude schoolkrant, maar van Dik Ruiter wist ik nog een regel uit mijn hoofd: ‘De slotheer is onrustig’.

    Pim begon zijn Extase met: ‘Twee nauwe pijpen/ en een rode rok’, dat is beter dan ik toen vermoedde.

  3. Ook niet de slechtste

    In het gebouw van roei­vereniging De Amstel hangt een skif aan het plafond. Een paar jaar geleden nog moest het gebouwtje weg om te wijken voor een megalomaan stadsdeelkantoor, maar gelukkig is dat niet doorgegaan.

    Je hebt er een prachtig uitzicht op het water en op de Amstelkade aan de overkant. De laatste keer dat ik hier was, was in het voorjaar van 1960, toen mijn vriend nog roeide en ik eens ben gaan kijken hoe hij het ruime sop koos in zijn wherry.

    Daar viel niet veel aan te beleven, want hij was in een oogwenk om de hoek verdwenen en voor water en ­kaden had ik toen nog geen ­belangstelling. Op je zestiende heb je wel wat anders aan je hoofd. Ik denk dat ik even langs ben ­gegaan bij een vriendin in de Roelof Hartstraat.

    Op de bijeenkomst in het club­gebouw maakte ik kennis met een vrouw die de achternaam van haar man droeg en die nadat ze die naam had genoemd, aarzelend zei dat het eigenlijk haar naam niet was, maar dat ze de eer had zich zo te mogen noemen.

    “Hoezo eer?” zei ik, “mijn geliefde heeft altijd haar eigen naam gehouden.”

    “Dat kan ook natuurlijk,” zei ze. “Ik heet Zwolsman.”

    Een gesprek met iemand die je niet kent, is als schaken. Je moet vooruit denken en dus zei ik: “Niet de beste schilder van de wereld, maar ook niet de slechtste.”

    Waarop de vrouw natuurlijk zou vragen wat ik daarmee bedoelde en ik over Nescio’s Bavink kon beginnen die immers gemodelleerd is naar de schilder Johannes Zwolsman. Maar de vrouw zei: “Dat was mijn grootvader.”

    Oom Frits en tante Aagje had ze goed gekend. Tante Aagje was heel aardig, maar Nescio was een saggerijn.

  4. Gevaarlijke heksen en schatgraven

    Marthe was vijf geworden en dat had ze ­gevierd met tien vriendinnen en een speurtocht die naar een schatkist leidde. Marthes moeder liet een filmpje zien waarop de tien kinderen rond de schatkist stonden, allemaal met een toverstokje in hun hand.

    “Hokus, pokus, pilatus, pas, ik wou dat de schatkist open was,” zongen ze en verdomd, dat was ie.

    Die toverstokjes hadden ze gemaakt omdat de toverheks van dienst haar toverstaf kwijt was en dus de schatkist niet meer open kon krijgen.

    “Dat had ik een beetje onderschat,” zei Marthes moeder, “want er waren meteen kinderen die vroegen of de toverheks dat wel goed vond, dat zij naar haar schatkist gingen zoeken. Ze waren bang dat ze misschien kwaad zou worden.”

    “Wat heb je gezegd?” zei ik.

    “Dat het volgens mij een heel aardige toverheks was en ze zich dus geen zorgen hoefden te maken. Maar toen was er een kind dat wilde ­weten hoe ik dat wist, dat het een aardige toverheks was. ‘Dat denk ik,’ heb ik toen gezegd, maar dat maakte het alleen maar erger, want wat als ik het nou eens mis had.”

    “Toverheksen, altijd wat,” zei ik, waarna ik ‘O wat is het donker in de bosjes (als ik maar geen toverheksen zie’) voor haar heb gezongen.

    Toen ik zo’n veertig jaar geleden zelf uit schatgraven ging, hadden we te maken met de verschrikkelijke kapitein Haak en de Bende van de Zwarte Hand. Zeerovers zijn ook niet mis en dus had ik toen we met onze schatkaart het bos in gingen, veertig stappen links, dertig stappen rechts, een geweer bij me, de oude luchtbuks van mijn vader, waarmee hij in zijn laatste zomer, onherroepelijk genezen van een hersentumor, de wasknijpers van de waslijn schoot.

  5. Het terrein van Ketjen

    Aangezien Jan van antiquariaat Egidius uit Noord komt en ik uit Noord kwam, kon hij me vertellen wat ik, toen ik vanaf de Oranjesluizen de Schellingwouderdijk opreed, zoal gemist had.

    “Beneden aan de dijk staat een rij sluiswachtershuisjes,” zei hij, en als je het pad nam tussen die huisjes en de Dijk kwam je bij een watertje, waarin een klein pontje ligt, waarmee je jezelf door middel van een touw naar de overkant kunt trekken.

    “Daar sta je op het terrein van Ketjen. Als je daar iets opraapt,” zei Jan, “is er altijd nog wel iemand die zegt dat je daar heel voorzichtig mee moet zijn. Wegens gif.”

    Er waren allerlei actiegroepen tegen Ketjen geweest en Rudi Falkenhagen was een van de voormannen. “Was dat Snuf,” zei ik, of Snuitje?” “Snuf,” zei Jan: “Mm-mooie pp-parels, ff-fijne pp-parels.”

    Op de Kring kreeg Theun de Winter een keer ruzie met Falkenhagen. “Jammer,” zei Theun toen Falkenhagen woedend weg beende, “want als acteur heb ik je hoog zitten.” In ijdelheid gestreeld, hield Falkenhagen de pas in, waarop Theun het ‘mm-mooie pp-parels, ff-fijne pp-parels’ horen liet, waarna de boot pas goed aan was.

    “Kan jij je herinneren,” zei ik ­tegen Jan, “dat Pipo ruzie kreeg met zijn schepper en het verder verdomde?” Jan kon zich dat niet herinneren. De ruzie ging over merchandising en de man die de rol van Pipo overnam, liet in interviews weten dat de vorige Pipo een waardeloze clown was en dat hij weleens zou laten zien hoe een echte clown dat aanpakte. Het werd een drama.

    Jaren later gingen mijn ouders in Lisse wonen en als je daar in het winkelcentrum de acteur in kwestie lopen zag, werd hij onveranderlijk gevolgd door een stoet kinderen die pesterig ‘Pipo, Pipo’ riepen.

  6. Van oerwoud tot bosje

    Het Leidsebosje, dat tot voor kort voor zover ik weet geen naam had, heeft nu twee namen zag ik, Leidsebosje West en Leidsebosje Oost.

    In Leidsebosje Oost ben ik nog niet geweest, maar Leidsebosje West was even schrikken. Het stukje oerwoud dat daar sinds mensenheugenis lag, is ­gekapt en tot een doorzichtig parkje omgetoverd.

    “Wel zo veilig,” zei mijn geliefde, maar dat je je vroeger in het toen nog naamloze Leidsebosje zo heerlijk onbespied kon wanen, had ook zijn voordelen, herinnerde ik mij.

    Als jongen heb ik mijn ouders vaak over het Leidsebosje gehoord. Het verhaal speelde in de eerste maanden van de bezetting. Mijn vader en moeder waren samen met Maleveld en zijn vriendin uit geweest op het Plein.

    Ik weet weinig van Maleveld maar het was een geheimzinnig iemand en als zijn naam viel, hoorde je onverwachte dingen.

    Maleveld koerste bij de amateurs, waar hij er plezier in schiep de grote Pellenaars van de weg te rijden; Maleveld was vlak na de bevrijding betrokken bij het leegroven van Canadese legerdepots; Maleveld zou een handeltje in cocaïne hebben gehad; Maleveld had een vriendin die mannenkleren droeg.

    In het Leidsebosje hadden twee Duitse soldaten een opmerking gemaakt over zijn vriendin. Waarna er een knokpartij was uitgebroken, waarbij Maleveld, straatvechter, en mijn vader, lichtgewicht, de soldaten stevig hadden afgedroogd.

    Met als resultaat dat mijn moeder zeker een halfjaar geen oog dichtdeed uit angst voor de gevolgen.

    Zoiets zou nu niet meer kunnen gebeuren. Het is keurig in het Leidsebosje West. Frisse paaltjes langs de laantjes, de tak van ’t Zagertje voor verder doorzakken behoed door een spinrag van ­kabels, het beeld van Heijermans schoongeboend en in het zicht ­gezet en het belangrijkste: geen bosje meer te bekennen.

  7. Ces beaux jours

    Toen mijn vriend Mels de Jong 60 werd, vertelde hij me dat hij zo ontzettend graag tien jaar jonger zou zijn geweest, want dan had ie tien jaar extra tijd gehad. Een raadselachtige redenering, dacht ik, terwijl ik bedacht hoe jammer ik het vond dat ik Mels niet veel eerder had ontmoet.

    Het is heel gek, maar de meeste mensen leer je kennen op precies het juiste ogenblik. Toen ik 9 was, kwam Hans Ree bij me in de klas te zitten, prima, op mijn 16de ontmoette ik Tim Krabbé, kan niet beter, en zelfs over het tijdstip waarop ik mijn geliefde leerde kennen, ben ik dik tevreden, hoewel ik het in haar geval niet erg gevonden had als het een jaartje eerder was gevallen.

    Mels was een erudiete en geestige man, aardig, maar tegelijkertijd had hij iets geheimzinnigs. Je voelde dat je hem niet helemaal kon kennen. Mels was gek op spelletjes. Hij was een goede schaker, maar in spelletjes als rikken, kingen, toepen en hoe het verder ook heten mag, was hij onverslaanbaar.

    We deelden onze liefde voor de Franse literatuur. Hij hield van ­Céline, en Flaubert vond hij zwaar overschat, maar over Modiano ­waren we het eens. Net als over A.M. de Jong, zijn oom aan wie hij een mooie biografie wijdde.

    Op 23 augustus van dit jaar ­begon ik Merijntje Gijzen te her­lezen, alle acht de delen. Op 1 september hoorde ik dat het slecht ging met Mels. Op de 19de is hij, 86 jaar oud, in Frankrijk over­leden.

    Vorige week herdachten we hem, aan de Amstel, waar iemand alles samenvatte door het zingen van het chanson van Charles Trenet: `Que reste-t-il de nos amours/ que reste t-il-de ces beaux jours/ Que reste-t-il de tout cela/ Dites le moi.¿

  8. Een neon Eiffeltoren

    In de Reguliersdwarsstraat, vlak voorbij de Schapensteeg met zijn achterkant van de Tuschinski, op nummer 125, aan de kant van de Reguliersbree, hing tot voor kort een neon Eiffeltoren aan de gevel. Het was een laatste overblijfsel van Place Pigalle, een animeerzaak ­zoals ik ontdekte toen ik er eens nietsvermoedend naar binnen liep.

    Maar er werd niet alleen ­geanimeerd, want aan de bar trof ik twee doodgewone meisjes die zodra ze hun mond opendeden uit ‘Volllendam’ bleken te komen.

    Ik kwam in die dagen voor mijn werk vrijwel dagelijks in Volendam, dus hadden we een boel te bespreken. Het meisje dat ik leuk vond, vertelde dat ze als serveerster werkte in een restaurant aan het Doolhof, vlak achter de Dijk. Waar we na haar dienst afspraken.

    Toen ze het restaurant uitkwam, bleek ze, ik kon mijn ogen niet geloven, in Volendams kostuum. Ik was op slag verliefd. Al die rokken, en het schortje en dat kapje, wie zou daar niet voor zijn gevallen?

    Vijftien jaar later ben ik nog een keer in Pigalle geweest, na een lange dag met Jan Cremer, Mick Boskamp en Kees van Beijnum. “Allemaal balletdanseressen en meiden van de Filmacademie,” zei Jan, die er verstand van heeft. Op de animerende balletdanseressen en meiden van Filmacademie na was de zaak verlaten.

    Jan bestelde Hongaars bier en poestanootjes en nadat we ons geïnstalleerd hadden, zei hij: “Jongens, nog vragen?”

    Toen de gigantische rekening kwam, dreigde er een opstootje, want Jan verdomde het te betalen. Ik verheugde me al op een vechtpartij, maar op de een of andere manier wist hij de rekening af te kopen. Weer op straat keek ik naar de Eiffeltoren die in paars neon aan en uit ging en die nu voorgoed verdwenen is.

  9. Over onze herinneringen

    In de tram op weg naar mijn favoriete restaurant gebeurden merkwaardige dingen. Het was de 5 maar verdomd als het niet waar is, op het Leidseplein veranderde hij zomaar in de 10. Of nee, het bleef gewoon de 5, maar hij gedroeg zich als 10 en daar werd niks over omgeroepen of zo, nee, ze deden gewoon of het zo hoorde.

    Nadat ik op eindpunt was uit­gestapt, liep ik gewoontegetrouw naar het geboortehuis van de ­gebroeders Reve om te kijken of alles bij het oude was. Dat was het, maar de schitterende cactussen in de etalage van het hoekhuis, ­waren die nieuw of waren ze er ­altijd al en had ik ze nooit gezien?

    Zo mooi als de cactussen waarvan ik altijd droom en die mij nooit gelukt zijn. Moest ik nu blij zijn met de prachtige cactussen in hun etalage of bedroefd over mijn cactusmislukkingen? Ik wist het niet.

    In het restaurant hadden Freddy en ik het over onze herinneringen die verdwijnen of juist uitdijen en steeds mooier worden. “Op het Sir Albert Hotel in de Albert Cuyp,” zei ik, “staat een citaat van Disraeli, ‘Like all great travellers I have seen more than I remember and remember more than I have seen’. Zo is het ongeveer, denk ik.”

    Vroeger zat daar een diamantslijperij, herinnerde ik me. “Moppes,” zei Freddy., “Samen met mijn vader ben ik daar eens ­geweest. Ik kreeg er handenvol goudkleurig slijpsel. Ik dacht dat we rijk ­waren.”

    Freddy had in De L’Europe gewerkt. Daar woonde de oude ­directeur van Moppes. Zijn kamer kwam hij niet meer uit. Op sommige dagen wilde hij dat Freddy hem de hele avond kwam bedienen. En zodra de deur dicht was, zei hij dan: “Zo, nu gaan we samen Ajax kijken.”

  10. Als ik op het Damrak loop

    De frietrij bij Manneken Pis op het Damrak lijkt steeds langer te worden. De rij is zo lang dat het welhaast onmogelijk is geworden om te controleren of de rij zo lang is door de kwaliteit van de ­patat of dat het om iets anders gaat, een vermelding in een hippe gids, een filmpje op YouTube of iets dergelijks.

    Als ik hier loop, denk ik altijd aan de cineast die alleen langs de kant van de Beurs over het Damrak durfde, de zonnige kant was hem te wijds.

    Als hij in de schaduw langs de muur van de Beurs sloop, was hij op weg naar Hotel Polen, waar we vaak bijeenkwamen met onze producent, die zoals een producent betaamt sigaren rookte, een telefoon op zijn tafeltje had staan en de rekening betaalde. Niet veel later brandde Polen af.

    Het was in de tijd dat de fluorescerend beschilderde bus van Magical Mystery Tours vanaf het Rokin vertrok voor zijn psychedelische trip naar Afghanistan, het paradijs op aarde, toen al.

    Ook aan de God van Nederland op zijn terras denk ik wel eens als ik op het Damrak loop, maar vaker nog aan Hooters. Als je in het voorbijgaan bij Hooters naar binnen keek, zag je blote meiden met een cowboyhoed op hun kop en een riem om hun middel waaraan twee holsters hingen met klapperpistolen die ze af en toe lieten knallen. Als ze een goede fooi vingen, denk ik.

    Een tijdje geleden las ik over bootbabes, schaars geklede dames die toeristen een boot proberen in te praten. En op het dak van zijn moeder vertelde Sander die op het water woont mij dat er bootjes ­varen met paaldansende paaldanseressen aan boord. Varende prostitutie lijkt niet ver weg.