live

Klein geluk: Want daar is de Amstel

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Want daar is de Amstel

    En zo eindigen we waar we begonnen zijn, want ‘het Amsterdam waar ik woon, op de fiets stap, de tram neem of wandel van Spui naar Oudemanhuispoort, is niet alleen het Amsterdam waar ik woon, vaak de tram pak of op de fiets stap en af en toe van het Spui door de Oudemanhuispoort en de Staalstraat naar het Waterlooplein loop.

    Het is ook de onttakelde stad van vlak na de oorlog uit de jaren van mijn vroege jeugd, de stad die zich eind vijftig feestelijk kleurde met jazz en poëzie en in de jaren tachtig in een nevel van traangas en regens van stenen bijkans tot ontploffing kwam.

    Het is de stad van Nescio en Kees de jongen, van Frits van Egters en De tranen der acacia’s, van Breitner, Wim van der Linden, Eddy Posthuma de Boer, Johnny Meijer, Karel Appel, tante Leen. Al die steden zitten in mijn kop, waar ze elkaar verdringen zonder elkaar in de weg te zitten.

    Maar als ik aan het einde van de Staalstraat de brug over de Zwanenburgwal ben overgestoken, weet ik dat ik al die steden zo dadelijk zal vergeten. Want daar is de Amstel. Met een brede zwaai drijft hij voorbij, schepen en bruggen en oevers erbij. Tijdloos klein geluk.’

  2. De laatste keer, wegens geen mihoen

    Bij een slager in de Kinkerstraat bestelde ik ­wegens opkomende trek een stukje gekookte worst. De vrouw die me hielp, tuurde enige tijd in de vitrine en zei toen: “Ik lette even niet op. Wat bestelde je nou?”

    “Dat zeg ik niet,” zei ik, “ik ben net als Dik Trom, ik zing geen twee liedjes voor een cent.”

    “Volgens mij,” zei de vrouw die achter me stond, “wou ie een stuk gekookte worst.”

    “Is dat zo?” zei de slagersvrouw.

    “Doe maar,” zei ik. Zo waren we allemaal tevreden.

    De laatste keer dat ik mij op de Ceintuurbaan bij de Java Kitchen vervoegde, zei mijn gesluierde vriendin die daar de scepter zwaait, dat ik definitief kon ­ophouden met mijn gezeur om ­mihoen, want we maken geen ­mihoen meer.

    “Dat deed je toch al nooit,” zei ik.

    Dat was zo, zei ze, maar nu helemaal niet meer.

    “Waarom niet?” wilde ik weten.

    “Omdat we altijd overhouden, en dat moeten we dan weggooien.”

    “Als je geen mihoen maakt, kun je ook geen mihoen weggooien,” zei ik.

    “Precies,” zei ze.

    Daar had ik niet van terug.

    Nadat ik had afgerekend, zette ik mijn serieuze gezicht op en zei dat ik wegens geen mihoen voor de laatste keer geweest was. Ze lachte, maar leek toch een beetje onzeker. Bij de deur draaide ik mij nog een keer om en zei op een toon als was ik Pierre Bokma zelve: “Nou tabé dan, ik groet je en kom niet meer terug.”

    Grinnikend fietste ik naar huis.

    Een week later bleek zij toch een beetje blij me weer te zien. “U zei dat u nooit meer zou komen,” zei ze.

    “Dat doe ik ook niet,” zei ik, “ik kom pas terug als je weer mihoen hebt.”

  3. Een schuin aflopend zinken dakje

    Het enige dat ik me herinner van de dag dat ik bijna van de Oude-kerkstoren viel, is dat ik die dag bijna van de Oudekerks­toren ben gevallen. Op Wikipedia kun je lezen dat de Oudekerkstoren de toren is van de Oude Kerk, interessant om te weten.

    Het was mooi weer, dat weet ik nog en ik hoefde niet te werken. Ik werkte als gids op een boot, die drie of vier keer per dag toeristen door de havens voer, een bezigheid waarmee ik een ongehoorde hoeveelheid geld verdiende.

    Aan het einde van de dag puilden je zakken uit van de guldens, een heerlijk gevoel, maar daarover een andere keer.

    Want vandaag was ik vrij. En was het heerlijk weer. In het begin van de middag had ik een taxi genomen die me naar het centrum bracht, naar de Nieuwmarkt denk ik, want daar kwam ik graag en het was een ideale uitvalbasis.

    Ging ik naar café de Zon of pakte ik na de verplichte haring meteen de Monnikenstraat met één k, want dat moet je erbij denken, zoals je bij kieviten één t denkt.

    Ik weet het niet meer, maar ik weet wel dat ik zo ter hoogte van café Pleinzicht ineens besloot om vandaag dan toch eindelijk de ­Oudekerkstoren te beklimmen.

    De torengids, die voor de deur in het zonnetje zat, gaf ik een tientje en ik zei hem dat ik zelf de weg naar boven wel zou vinden. Ik ­beklom lange trappen en belandde ten slotte op een overloop met een laag deurtje.

    Ik opende het deurtje en stapte naar buiten, waarna ik op een schuin aflopend zinken dakje bleek te staan, de stad in de diepte aan mijn voeten. ‘Als dat maar goed afloopt,’ dacht ik nog.

  4. Dat werd heibel

    In de galerij van de Raadhuisstraat is alles anders. Licht en geluid luisteren hier naar eigen wetten die het licht lijken te dempen en geluiden versterken. Je bent binnen en buiten tegelijk, het regent nooit.

    Ik was de ­Herengracht afgelopen. Aan de hand van mijn grootmoeder, wat niet wil zeggen dat ik haar hand vasthield, want ik was op alle stoepen geklommen en waar voor de huizen grote stenen bollen lagen die door kettingen met elkaar waren verbonden, was ik zigzaggend over de kettingen gesprongen en op alle bollen gaan staan.

    In de galerij bekeken we de etalages. Ik herinner me dat er een winkel was waar muziekinstrumenten werden verkocht. Of de kantoorbenodigdheden winkel waar ik eens een Adler schrijfmachine kocht er al was, weet ik niet meer.

    De Adler, groot en zwaar, was de Rolls Royce onder de schrijfmachines en bracht als het tikken lekker ging een heerlijk geluid voort, als een lentebriesje door de rozenstruiken, een geluid dat ik nog altijd mis.

    Maar op mijn nieuwe Adler had ik nog geen drie regels geschreven of het hamertje van de h brak af. Terug naar de winkel dus, waar de mevrouw die me de Adler had verkocht, liet weten dat het niet kon. “Maar u ziet het toch,” zei ik. “Jazeker,” zei ze, “maar het kan niet.” Ik was paf. “Het kan niet, het kan niet, het is zo!” riep ik. Dat werd heibel, zoals u zult begrijpen.

    Toen ik lang geleden met mijn grootmoeder door de galerij liep, had ik van dit soort zaken nog geen weet. We liepen gezellig de Westermarkt af en gingen bij Kalkhoven aan een tafeltje bij het raam zitten, waar mijn grootmoeder een potje donker bier bestelde en voor mij een glaasje limonade.

  5. Het was in een steegje

    Op de tweemaandelijkse bijeenkomst van het jongemannengenootschap waarvan ik sinds vijftig jaar deel uitmaak, was er groot nieuws. Ter gelegenheid van ons elfde lustrum hadden we een boek gemaakt en van dat boek was een exemplaar verkocht. Voor geld. Officieel. Via uitgever en Centraal Boekhuis. Bert had de bewijzen.

    Zoals altijd zaten we aan de grote tafel van Kapitein Zeppos in Het gebed zonder end. Er was bier en wijn en zelfs een bitterbal. Frits en ik hadden het over Carmiggelts ­legendarische Erepoort toen Theo een vraag stelde over Yoka Berretty, wat voor Bert aanleiding was te vertellen dat toen zijn zoon op ­dezelfde school zat als de zoon van Yoka, zij hem vaak kwam halen, maar op rolschaatsen. “Ze zal toen een jaar of vijftig zijn geweest,” zei Bert, “heel bijzonder.”

    Aan de andere kant van de tafel ging het inmiddels over onze sportcarrières. Jan bleek nog bij de Volewijckers te hebben gespeeld. De trainer had hem twee raadgevingen meegegeven: ‘Een: nooit gaan roken en twee: altijd opeten wat je moeder je voorzet.’

    Weer op straat bleek Theo niet op de fiets maar met de metro. “Hoe is het daar beneden?” zei ik. “Zeg ik niet,” zei Theo. “Ik ben geen verklikker.”

    Boven de stad hing een halfvolle maan die in de Leidsestraat ineens in een volle maan was veranderd. Het bleek het verlichte ronde raam in het torentje van Metz. De letters die het woord METZ vormen, staan er nog, zag ik.

    Voor de etalage van Iris & Schrieck in de Nieuwe Spiegelstraat werd ik aangesproken door twee vrouwen die het café zochten waar ze ’s middags zo genoeglijk hadden gezeten; het was in een steegje. Ik wist waar het was, maar leg het maar eens uit.

    Iris & Schrieck is inmiddels opgeheven.

  6. Op de kaart van mijn geheugen

    Omdat ons kleinkind zwemmen leerde, namen wij op woensdagmiddag de 7 naar het Sloterparkbad. Fijne tram, de 7, vooral op het moment dat hij zich op het Bos en Lommerplein los-maakt van de stad en de tuinsteden binnendavert.

    Op de kaart van mijn geheugen rijdt hier een piepklein locomotiefje met een lange sliert lorries erachter aan. Dat treintje was er om materiaal voor de nieuwbouw aan te voeren, en om ons jongens naar het avontuur te brengen natuurlijk.

    We trotseerden het drijfzand, ontsnapten aan de herdershonden van de wachten die de bouw bewaakten, we zagen de bliksem inslaan. Op een dag werd er zelfs een baby gevonden die in een buis te huilen lag. De jongen die haar mee naar huis genomen had, mocht haar houden, lazen we later in de krant.

    Ik herinner me dat de Sloterplas op sommige plaatsen veertig meter diep was en dat je als je als zwemmer in zo’n zwart gat gevangen werd, reddeloos verloren was. Daarom werd er een zwembad aangelegd, met eilandjes waar mannen en vrouwen zomaar in hun blote kont liepen.

    Dat was in 1957. Ik was toen 13, een leeftijd, waarop je zoiets van dichterbij bekijken wilt. Laat ik zeggen, het viel tegen, meer zeg ik niet.

    Later kwam er het overdekte bad, waar wij nu elke week uitstapten. Het Sloterparkbad is als alle overdekte zwembaden, ­lawaaiig en doordrenkt van chloor, maar het heeft iets wat andere zwembaden niet hebben. Aan een van de baden staat een oogverblindend witte en wonderschone betonnen duiktoren, met duikplanken op 3,50, 5, 7,50 en 10 meter hoogte. Ik had nog nooit zoiets gezien.

    Iedere week ging ik kijken of er misschien iemand gek genoeg was om erop te klimmen en ervan af te springen. Nee dus, maar de toren is een bezienswaardigheid.

  7. Ze zaten er nog wel

    Grafiek is bedrukt papier en het bedrukt papier waarmee je betaalt maar zelden waard. Toch hadden we een zeefdruk van Gerrit Benner gekocht, Benners luchten en landschappen zijn nu eenmaal onweerstaanbaar.

    De zeefdruk was niet gedateerd, zo te zien gemaakt naar een schilderij uit 1970, 1971. Hij kwam uit een map grafiek, waaraan Lucassen, Constant, Brusse, Willink, De Jong, Verwey, Citroen hadden bijgedragen, niet de minsten, maar over de map was nergens iets te vinden.

    We stonden de Benner te bekijken toen een andere bezoeker van de winkel waar een en ander plaats greep zich ermee bemoeide. Ja, hij had de Benner ook. Hing al vijfenendertig jaar op een mooi plekje en verveelde nooit.

    Hij had trouwens de hele map, in 1980 gekocht, maar het boek dat de twintig kunstenaars zou begeleiden, was nooit verschenen. Toen we aan de praat raakten, bleek ik in gesprek met Pim Elfferich, de ­Paroolmedewerker die in 1976 de fameuze Kronkel-wedstrijd ­bedacht.

    Kees van Kooten, Rinus Ferdinandusse, Nico Scheepmaker, Henk Spaan, Renate Rubinstein en Simon Carmiggelt zelf schreven een Kronkel en de lezers moesten raden welke Kronkel de echte Kronkel was. Duizenden inzendingen. De Kronkel van Carmiggelt eindigde op voorlaatste plaats als ik me goed herinner.

    Toen alles achter de rug was, gingen de deelnemers eten bij Les Quatre Canetons, Prinsengracht 1111. “Carmiggelt en Renate Rubinstein zaten naast elkaar,” herinnert Elfferich zich, “en na tien minuten al waren ze vertrokken. Ze zaten er nog wel, maar ze zagen alleen elkaar nog.”

    Het begin van een grote liefde.

  8. Nee, beste Guus

    U wist het nog niet, maar Klein Geluk is per 1 maart opgeheven. Zoals u zult begrijpen, stemt mij dit droevig. Met oneindig veel plezier heb ik door de stad gezworven in een poging niet alleen de stad en zijn bewoners in woorden te vangen, maar ook op zoek naar klein geluk, dat zo bleek, zich overal vinden liet. Langs de grachten en in kaaswinkels en antiquariaten, in de tram en aan de haringkar niet te vergeten.

    Wat ik ook zal missen, zijn uw brieven die in een niet aflatende stroom binnenkwamen en af en toe, zoals na mijn stukje over inkepinkjes en pijpetuitjes van vorige week, hele brievenbussen vulden.

    Soms ging het om correcties, nee, beste Guus, Lilalo zat niet op de hoek van de Elisabeth Wolff maar op de hoek van de Agatha Deken, waar je de door Jacques Halland van Lilalo beschilderde bakstenen nog kunt zien zitten.

    Vaak kwamen er ook goede verhalen. Nadat ik, echt waar, schreef over ‘een man in een directoire’ liet een oude zeerob die nog op het ms Dido had gevaren mij weten, dat de marconist als hij de naam van de schuit moest spellen, altijd ‘Directoire, interlock, directoire, onderbroek’ zei. Waarvan akte.

    Toen ik gisteren langs het ­Amsterdams Lyceum fietste, hoorde ik daar het heldere klingelen van de schoolbel, nooit eerder gehoord. Een eindje verderop scherpte een klein poesje zijn nagels aan een grote boom en aan het einde van de middag, in de Mensenvriend op het Cornelis Troostpleintje, vroeg mijn geliefde aan een Marokkaanse jongen die vakken stond te vullen, waar ze harissa vinden kon. “Heeft u misschien een foto?” zei hij.

    Wat de drie dingen met elkaar te maken hebben, weet ik niet. Maar dat komt wel, dacht ik tot voor kort.

  9. Roy vond het prachtig

    Te interviewen schrijvers verbleven in het ­Ambassade hotel op de Herengracht. Je nam plaats in de lobby en na een tijdje kwam zo’n schrijver dan naar ­beneden en voerde ik hem mee, naar de Pels of naar ’t Molentje aan het Singel, een enkele keer naar een restaurant. De meeste van die schrijvers ben ik vergeten.

    Een uitzondering was James ­Ellroy. Daar moest je voor uitkijken, was me verteld, want als je iets zei dat hem niet beviel, was het matten. Maar nadat ik hem ­geprezen had als ‘de Balzac van onze tijd’ was hij als was.

    Ook leuk was Jeffrey Eugenides met wie we de vertaling van The Virgin Suicides uitbundig gevierd hebben, maar het leukste was toch Suzanna Arundhati Roy, de schrijver van De God van kleine dingen. Ik vroeg haar of ze zin had me te vergezellen naar een expositie in de Universiteitsbibliotheek. Dat wou ze wel.

    Het was een expositie van handschriften van P.C.Hooft. En geloof me, iemand hoeft geen Nederlands te kennen of van Hooft gehoord te hebben om die prachtig te vinden, want dat zijn ze, stralend. Roy vond het prachtig, waarop ik haar, enigszins overmoedig geworden door het succes, meevoerde naar het achterzaaltje van het inmiddels al lang opgeheven ­Vispaleis van Jan in de Oude Doelenstraat.

    Roy at twee haringen met uitjes en zuur, dronk twee glazen witte wijn en vertelde over haar huis in de jungle van India. “En als ik zeg ‘jungle’,” zei ze, “dan bedoel ik ook jungle, de tijgers ­lopen door de achtertuin.”

    Toen ik wilde weten waar ze woonde, tekende ze de plattegrond van India en zette midden op de kaart een stip. “Hier,” zei ze. Het hart van Amsterdam was voor een ogenblik het hart van ­India geworden.

  10. Bitterballen en waterpijp

    Vroeger, dat even boeiende als ontoegankelijke gebied dat wel groter, maar vooralsnog niet kleiner wordt, hoewel er af en toe toch iets in de mist van het verleden te verdwijnen lijkt, leken alle mensen op elkaar.

    In de Esmoreitstraat, waar ik mijn jeugd doorbracht, zag iedereen er min of meer hetzelfde uit. De vader van Frits Bakker had ’s morgens vaak een rare bontmuts op en de moeder van Kees Timman droeg een jurk met stroken, bij Loekie Dikker thuis hadden ze een poes en een piano, maar iedereen praatte ongeveer op dezelfde manier en droeg ongeveer dezelfde kleren.

    In Zuid, waar ik wel kwam, zag je vrouwen in een bontjas en ze praatten er deftiger, terwijl ze in de Jan Eef juist platter praatten, maar veel verschil maakte het allemaal niet. In onze straat woonde een man die uit Egypte kwam en een fez droeg, dat was een bezienswaardigheid.

    Als je nu door de stad rijdt, zie je de straten onder je fiets verkleuren. Het wit van Oud-Zuid maakt in het Vondelpark plaats voor chic in alle kleuren. De Postjeskade is wit, maar eenmaal op de Orteliuskade gaan de remmen los en al snel kun je je in Noord-Afrika wanen.

    In de Erasmusgracht, vlak bij de Hoofdweg, drijft Florya, een restaurant met eromheen een groot terras. Omdat we dorst hadden, en trek, gingen we aan boord. Binnen stond het ouderwets blauw van de rook, want iedereen was aan de waterpijp.

    In de rookvrije ruimte bestudeerden we de kaart. Waterpijpen in alle smaken, maar alcohol was uit den boze en bitterballen werden wel verkocht, maar pas na elf uur ’s avonds. Dan maar een waterpijpje opgestoken? We verkozen een andere keer terug te ­komen.