live

Klein geluk in Amsterdam: Alles vintage uiteraard

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Alles vintage uiteraard

    Wat maken twee mannen in ­Amsterdam-Noord op weg naar het ­fabrieksterrein van de Fokker zoal mee? Ze lachen heel kinderachtig om de bordjes ‘brom/ snor/ fietsen verboden’ en als ze langs de school van het kleinkind van de oudste lopen, overwegen ze haar naam te scanderen. Maar dat doen ze niet natuurlijk, stel je voor.

    Als ze een vrouw zien die een beetje verscholen achter een container een sigaret staat te roken, zegt Theo: “Wat denken we hier te doen? Verboden sigaretten roken in de baas zijn tijd?” wat nog bijna heibel werd en als we trek in koffie krijgen, ondervragen we de personeelsleden van kinderwagen­fabriek Joost die op hun terras iets lekkers zitten te eten uit hun driesterren kantine.

    In onze tijd was dat wel anders, verzuchten we, met als gevolg dat we even later in de enorme hal van Neef Louis op twee oude stoelen herinneringen zitten op te halen aan onze kantoorlevens.

    Mijn ­favoriet was de ergonomische stoel die iedere dag werd ‘fijn gesteld’ door een ingenieur uit Delft met als resultaat dat je iedere dag meer rugpijn kreeg. Maar de kantoorclown die ik na zijn mededeling dat hij was gekomen om ‘met ons te lachen en te huilen’ een enorme schop onder zijn hol heb gegeven, mocht er ook wezen.

    Te midden van de oude schoolbanken, gammele stoelen en ­tafels, lampen en driezitsbanken, ­alles vintage uiteraard, bevindt zich café Waar genoegen, waar het goed toeven bleek.

    Ze verkopen er ‘goddelijke tosti’s’ en op een leitje las ik ‘Hoi leukerd, koffie?’ Het viel nog niet mee om hier weg te ­komen, maar we moesten verder, want wie naar Noord gaat om het fabrieksterrein van de Fokker te bekijken, zal naar het fabrieks­terrein van de Fokker moeten.

  2. Hoe zijn vader een kruisje sloeg

    ‘Zullen we naar Noord, naar het fabrieksterrein van de Fokker,” zei Theo een tijdje geleden en nu was het zover.

    Toen ik op de tramhalte op hem stond te wachten, stond het meisje dat een eindje verderop op het bankje zat op en zei op vriendelijke toon: “Zit ik op uw plaats?” Zeven keer ‘op’ in een zin, niet slecht. “Nee hoor,” zei ik. “Ik sta hier. En jij zit daar, helemaal goed toch.”

    Met de 5 maakten we een mooi ritje naar het Centraal Station, ­geniet ervan zolang het kan, en daar aangekomen liepen we door het station naar het IJ waar het prachtig was, een en al beweging van water, wolken, schepen, fietsen, wandelaars.

    Op het IJpad gekomen werd ons oog meteen onaangenaam getroffen door vijf kratten met daarop vijf borstbeelden zoals je die in de Sovjetunie op elk pleintje kon aantreffen, onveranderlijk voorstellend een besnorde karpatenkop die, omdat hij meer dan een miljoen slachtoffers op zijn naam had geschreven, een borstbeeld had verdiend.

    In dit geval ging het om ‘the nameless heroes’ van een communistische revolutie, nou dan weet je het wel.

    We troffen opmerkelijk veel lelijke ‘installatiekunst’ op onze weg, maar heel mooi was de enorme ­vogel van roestig ijzer die op een veldje naast het toekomstige Jan Donkerspark de vleugels spreidt en elk moment lijkt weg te vliegen.

    “Hij maakt wel het vleugelgebaar,” zei Theo, “en dat mag niet op velden waar je voetballen kunt.” “Maar een kruisje slaan,” zei ik, “mag gek genoeg weer wel.”

    Waarna Theo vertelde hoe zijn vader een kruisje sloeg: (vingers tegen het voorhoofd) “Even nadenken… (hand naar het kruis) Zit mijn gulp dicht? (hand naar borst, rechts) Heb ik mijn portefeuille? (hand naar links) Heb ik mijn zakhorloge?”
    “Mijn vader,” zei ik, “zei altijd, ‘Vader-kietelt-Moeder-hier.’”

  3. Verdwenen geuren

    Hoe lang al neem ik mij voor de geheimzinnige Lijnbaansgracht eens helemaal af te rijden?

    Vanaf het begin dat ergens bij de Amstel liggen moet tot zijn einde in de Brouwersgracht, in drie stukken als ik het wel heb die op een heel onoverzichtelijke manier van elkaar gescheiden zijn.

    Je hebt straten die bij ieder wissewasje van naam wisselen, maar zo niet de Lijnbaansgracht. Die blijft zijn naam trouw, wat er ook gebeurt.

    Dit alles, en nog veel meer, overdacht ik, terwijl ik komende van de Koekjesbrug in razende vaart de Marnixstraat overstak en me volop genietend in de bocht stortte die me vanaf de brug over de Lijnbaansgracht naar de Lijnbaansgracht voerde.

    Het ruikt hier nog altijd naar pepermunt of verbeeld ik me dat? De stad is vol verdwenen geuren, koffie en cacao, versgebakken brood, roestig ijzer, geschaafd hout, menie, drop, pepermunt.

    Als ik de Rozengracht ben overgestoken zie ik tot mijn verbazing ter hoogte van de Bloemgracht, bij dat leuke loopbruggetje, een muurreclame die zegt dat zich vroeger hier een filiaal van Ome Jan bevond.

    Zou het filiaal in de Nes nog bestaan, waar de junkies in de junkietijd hun gestolen spullen stalden om vervolgens het bonnetje aan de beroofde eigenaar te verkopen? Hun dubbele beloning voor een diefstal?

    Op de Lijnbaansgracht wordt het naarmate je vordert steeds stiller, zo stil dat zo ter hoogte van de Kromme Palmstraat en de Driehoekstraat de mensen zich als dorpelingen beginnen te gedragen. De man die voor zijn huis thee zit te drinken, zegt me vriendelijk gedag.

    Een vrouw achter een kinderwagen zwaait en haar dochtertje zwaait mee. De timmerman die iets te timmeren staat, legt zijn hamer neer om zijn hand op te steken. Je bent in Amsterdam, maar je zou het niet geloven.

  4. Zoals mijn moeder zei

    In een avontuurlijke bui had mijn geliefde een nieuw soort brood gekocht. Witbrood, gemiddeld geen goed idee, maar dit was heel lekker had ze zich laten vertellen.

    Toen ik een sneetje afsneed, had ik al de twijfels die bij de eerste hap hardhandig bevestigd werden. “En?” zei mijn geliefde. “Gummi,” zei ik, en na enig nadenken voegde ik daar “zoals mijn moeder zei” aan toe.

    Een kwartiertje later haalde ik het laatste koffiezakje uit zijn doosje, waarna ik het doosje niet weggooide maar op het aanrecht liet staan om er eerst het lege koffiezakje in te gooien en daarna de lucifer waarmee ik het gas had aangestoken, precies zoals mijn moeder dat altijd deed.

    Toen ik de datum op de krant zag, zag ik dat mijn moeder vandaag 106 was geworden. Mijn moeder is al jaren dood, maar zolang ze in mij voortleeft, wordt ze net als mijn vader nog ieder jaar een jaar ouder.

    Ik heb leuke herinneringen aan mijn moeder toen ze jong was, maar gek genoeg denk ik vaker aan haar laatste nogal treurige jaren in een bejaardenhuis. Ze was vaak de weg kwijt en er waren steeds minder dingen waar ze plezier aan beleefde.

    Maar elke dag dronk ze een glaasje, St Raphaël, een fles in de week. Tot ik een keer door een verzorgster geroepen werd die in het piepkleine keukentje van mijn moeder het keukenkastje opende en wees.

    Naar de drieëntwintig flessen St Raphaël die daar broederlijk bijeen stonden. Of ik ze hebben wilde. “Waarom nemen jullie ze niet,” zei ik, “als prijs bij de bingo.”

    Even later liep de verzorgster met mijn moeder aan haar arm naar de zaal waar bingo werd gespeeld. “Misschien wint u wel een fles St Raphaël, mevrouw Luijters,” hoorde ik haar zeggen.

  5. Zondags een kadetje

    Ik zat met mijn rolkoffertje in de tram en stond op het punt uit te stappen toen de man die tegenover mij zat, vroeg of ik kwam of dat ik vertrok. De vraag trof me als een vuistslag.

    Wij zijn nog niet aangekomen of we maken ons al klaar voor het vertrek, maar in dit geval wist ik het niet precies. Ik kwam van huis en was bijna thuis, dus ging ik nu of kwam ik? “Ik weet het niet,” zei ik, niet geheel opzettelijk Nijhoff citerend.

    Eenmaal op de halte besloot ik tot een kroket. “Zonder broodje?” zei de banketbakster. De vraag deed me naar adem happen. Zonder broodje? Zonder broodje, ja, en zonder Onze Vader (‘Geef ons heden ons dagelijks brood en zondags een kadetje’), zonder gezongen hoogmis, zonder vrijdaggebed en zonder laag overtrekkende wolkenvelden met hier en daar een bui.

    Zonder broodje? Dat deed me denken aan de manier waarop mensen die ergens in geloven mensen die dat niet geloven als ongelovigen wegzetten. Ieder houtje houdt er zijn eigen ongelovigen op na en ik val altijd in de prijzen.

    Maar, maakt het mij tot een ongelovige, dat ik niet aan iemands houtje doe? Ik dacht het niet. Ik ben niet ongelovig, zij zijn gelovig en dat is niet hetzelfde. Als mensen me vragen wat ik ben, zeg ik altijd ‘niks’, maar een erg bevredigend antwoord is dat niet.

    François de Waal heeft nu het woord ‘apathist’ gemunt: ‘Een ­agnost weet niet of God bestaat, de atheïst zegt dat God niet bestaat en voor de apathist doet het er niet toe.’

    Mijn kroket was inmiddels klaar. “Met mosterd?” zei de banketbakster. “Fout,” zei ik, “je moet zeggen, ‘Zonder mosterd?’ en dan zeg ik: ‘Doe maar met.’”

  6. Eerder was het ook al erg

    Het ergste dat mannen van mijn generatie is overkomen, is een ­zekere voetbalwedstrijd op een zekere dag in juli 1974, de dag die bekend staat als De Dag Waarover Niet Gesproken Wordt. De stad huilde en zijn bewoners lieten zich niet zien, als katten die hun dood voelen naderen, hadden we ons verscholen en toen we weer tevoorschijn kwamen, likten we onze wonden.

    Toen het een jaar later een beetje beter leek te gaan, haalde ik een krop andijvie uit een krant van maandag 8 juli 1974 en begon alles weer opnieuw.

    Eerder was het ook al erg. In 1954, toen ik 10 was, in de dagen dat Nederland nog probleemloos van Finland, Luxemburg en Saarland verloor, was daar als uit het niets het Hongaarse Wonder Elftal. Iedere jongen kon de namen van de Wonderspelers opnoemen, 64 jaar later kom ik niet verder dan Puskás, Kocsis, Hidegkuti en Grosics, de doelman.

    Net als Nederland twintig jaar later ging Hongarije wereldkampioen worden en net als twintig jaar later werd het Duitsland, door een misselijk doelpunt van Helmut Rahn. Terwijl mijn vader meewarig toekeek, zat ik huilend voor de radio. Ik wist dat het nooit meer goed zou komen, en dat is aardig uitgekomen.

    Wel ik heb de Hongaren nog eens zien spelen. In het Olympisch Stadion, tegen een vertegenwoordigend elftal van Amsterdammers, met Jossie Vonhoff in de gelederen als ik me niet vergis.

    De Hongaarse voetbaltovenaars bakten er weinig van, vonden wij kenners in de bovenste ring van het stadion, maar dat was voordat ze even gas gaven en in een paar minuten tijd drie doelpunten maakten.

    Nederland had inmiddels een vriendschappelijke interland van Duitsland gewonnen, dus eigenlijk waren wij nu wereldkampioen, met de Hongaren als goede tweede.

  7. Naar vis rook het niet meer

    De man die bij de visboer aan de beurt was terwijl ik mijn haring van het vlaggetje hapte, zei: “En doe er ook nog maar twee zure bommen bij.”

    “Gaan die ook op de barbecue?” zei de visboer.

    De man lachte. “Wie weet is het heel lekker,” zei ik.

    “Een gat in de markt,” zei de visboer.

    “Haring van de barbecue is wel heel lekker,” zei de man.

    “Zoute haring? Of zure?” zei de visboer. En zo ging dat dus nog even door.

    De volgende morgen ging ik op weg naar de Gasthuismolensteeg, waar een teruggevonden vriend een geschilderd zeegedicht voor me klaar had staan.

    Omdat ik er niet aan gedacht had dat de halte Dam zich tegenwoordig ter hoogte van het Centraal Station bevindt, moest ik heel eind teruglopen. Ik pakte de Beurs Passage, waar het wemelde van de selfiesmakers, maar waar bitter weinig te doen valt, en vandaar nam ik de stegen die me op de Torensluis brachten.

    Die enge kop van Multatuli staat er nog, maar de haringkar op de hoek van Singel en Raadhuisstraat die al een tijd dicht was, is definitief verdwenen.

    Je kan precies zien waar hij heeft gestaan, de ­tegen de brug aanleunende rechthoek is nog heel herkenbaar. Maar de plaatsen waar elektra en water uit de grond kwamen, zijn al onvindbaar geworden, en naar vis rook het niet meer.

    Haringkarrenarcheologie, een droevige bezigheid eigenlijk maar ik kan het niet laten en zoek soms naar overblijfselen op bruggen en hoeken van straten.

    De zeegedichtenschilder vertelde dat toen hij een keer zes haringen op de hoek van het Singel had gekocht de ­haringboer aan hem had gevraagd wat hij er mee van plan was, waarop hij zei: “Ik ga ze zingen leren.”

  8. Een beker karnemelk

    Het mooiste zomer­geluid klinkt, denk ik, wanneer je, bij voorkeur aan het einde van een warme dag, twee ijsklontjes in een glas koude rosé laat vallen.

    Alsof na de lange winter het ijs breekt in de Neva. Het ijs kraakt, knapt, schommelt nog even na en begint dan op te gaan in de wijn. Alvorens het drankje op tafel te zetten, neem ik meestal een klein slokje als om te controleren of het waar is.

    Het tinkelen van de ijsblokjes in het glas op weg naar zijn tafeltje mag er ook zijn. Welhaast zo goed als het brommend zingen van de hommel die een bloem is binnengevlogen, een roos, het klokje van het vingerhoedskruid, een fluweelrode stokroos.

    Op stille zomermiddagen, als de stad is uitgestorven omdat iedereen op Zandvoort zit, laat zich wel eens een klein sportvliegtuigje horen dat hoog in de lucht met zijn verre geronk de stilte versterkt.

    Als wij jongens zo’n vliegtuigje hoorden, hielden we het scherp in de gaten, want het kon zomaar gebeuren dat het ineens een rare bocht draaide, waarna het in de lucht een rookspoor trok dat, terwijl het vliegtuigje zwenkte en keerde langzaam maar zeker een wollig witte letter vormde, de R.

    Wat zal de luchtschrijver schrijven deze keer? “Rabarber,” zei een grapjas, en nadat het vliegtuigje achter de R een A heeft geschreven, lijkt dat nog steeds tot de mogelijkheden te behoren. Maar wat het ook aan de hemel schreef, binnen enkele minuten zou het, wind of geen wind, verwaaien.

    Ook heel zomers was de streperig-witte snor die zich boven je ­bovenlip afzette als je te diep in je beker karnemelk had gekeken. Een beker karnemelk en een ­boterham met komkommer of ­tomaat op een zomerse dag, lekkerder wordt het niet.

  9. Pennen en schriften

    Op het terras van café Marktzicht op de hoek van de 2e Hugo de Grootstraat en de Gilles van Ledenberchstraat zat ik me te verbazen over de hoeveelheid ­reminiscenties die zo’n op het oog toch tamelijk onopvallende plek met zich mee kan brengen.

    Zo heeft mijn vader als jongen met zijn moeder en zijn broer in de 3e Hugo de Grootstraat gewoond. Als hij daarover sprak, klonk hij bitter. Hun huis was eigendom van de Lutherse kerk die zich als weldoende huisbaas meende zich overal mee te mogen bemoeien.

    Over de vernederingen die ze moesten ondergaan, sprak mijn vader niet graag, maar nadat ze er vertrokken waren, wilde zijn moeder niets meer met de kerk te maken hebben. “Het was een akelige kamer,” zei mijn vader, “met een WC op de gang en ouderlingen die in en uitliepen.”

    Mijn herinneringen aan dit deel van de buurt zijn een stuk aangenamer, als is het er eigenlijk maar een. Het zal in de vierde klas van de lagere school zijn geweest, de huidige groep drie als ik me niet vergis, toen de meester zei dat er iemand naar het depot in de Van Reigerbergenstraat moest om daar pennen en schriften te halen.

    De hele klas zat op slag in de kies-mij-meester-stand en o het geluk, toen ik werd verkozen. Ik kreeg een briefje mee en daar ging ik, helemaal alleen, de Erasmusgracht af tot de Joos Banckersweg en zo naar de Jan van Galen.

    Terwijl de andere kinderen aan het rekenen waren of taalles kregen, liep ik over straat en zag de karren die ratelend van de Markthallen kwamen, hoorde ik het bellen van de Beltbrug en zag ik schepen varen door de Kostverlorenvaart.

    De school leek heel ver weg.

  10. Op die koude wintermorgen

    Over het jaagpad langs de Kostverlorenvaart liepen we naar de Beltbrug. Tussen de flats aan het water bloeiden de rozen, in een tuintje was een vrouw onkruid aan het trekken en op het scherp geschoren gras lagen een jongen en een meisje ieder de helft van een krant te lezen.

    De dukdalven langs het pad zijn opgevrolijkt met waterkunst en op de kade zat een aalscholver na te denken. ‘En de scholvers scholven aal,’ dacht ik, maar van wie de regel was, wilde me niet te binnen schieten. Keest Stip? Daan Zonderland? John ‘O Mill.

    Op de Beltbrug keken we naar het heerlijke bruggetje over het Marktkanaal en naar De Otter die er een beetje verweesd bij leek te staan. Het brugwachtershuisje was goddank nog niet bewoond.

    Op het terras van café Marktzicht op de hoek van de 2e Hugo de Grootstraat en de Gilles van Ledenberchstraat was nog een tafeltje vrij, een aanbod dat we niet konden weigeren. We zaten nog niet of mijn geliefde zei: “De tachtig.” En inderdaad, het was de 80, de bus waarmee ik toen ik nog werkte naar mijn werk ging.

    De bus stopte bij de bushalte en toen hij weggereden was, zei ik: “De laatste keer dat mijn moeder bij ons is geweest en ik haar naar Lisse heb teruggebracht, hebben we op deze halte de 80 genomen.”

    Ik zag ons staan op die koude wintermorgen. Mijn moeder klein in haar jas die haar veel te groot geworden was, met schrikogen, voortdurend half in paniek, terwijl ik tijd vullende kletspraatjes verkocht, misschien wel net zo erg in paniek als zij.

    De jongen die op het terras bediende, bracht bier en Vlaamse friet en vroeg of we uit Amsterdam kwamen. “Geboren,” zei ik, “en getogen.”