live

Klein geluk in Amsterdam: De Dikke en de Smalle

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Met twee handen

    Op het jaarlijkse Schrijvers Tennis Toernooi in Dordrecht dat voor de drieëndertigste keer verspeeld werd, draaiden Hans en Nicolaas gehakt, terwijl Alexander zich door Mensje liet fileren. Het toernooi viel laat dit jaar, maar het was stralend herfstweer en dat maakte veel goed.

    Jammer alleen dat Theo niet mee kon spelen, maar hij was op tennissafari geweest en daar was iets mis gegaan met zijn enkel. Theo is een goede speler, maar ­eigenlijk is hij niet van tennis, maar van ‘real tennis’.

    Wat dat is, real tennis, weet niemand, behalve Theo, die ook de enige is die weet wat een tennissafari is. Het schijnt een soort kaatsen te zijn, real tennis meen ik, maar dan ­anders.

    Theo wilde het graag uitleggen, hij wilde zelfs wel vertellen hoe kaatsen ging, maar dat wilde niemand horen, want als je het eenmaal wist, kon je nooit meer zeggen dat je kaatsen een volstrekt onbegrijpelijk spel vindt, waarvan je alleen weet, ook zo iets, dat het altijd plaatsvindt op de vijfde woensdag van juli, meestal in ­augustus dus.

    Een tweede reden dat Theo niet meespeelde, was dat hij naar Peter en Irene moest die vierden dat ze elkaar vijftig jaar geleden ontmoet hadden. Peters hart liep over van Irene, maar hij wist niet hoe hij haar benaderen moest.

    “Weet je waar ze woont?” zei Theo toen ze op een middag samen door Leiden liepen. “Hier,” zei Peter, waarna Theo aanbelde en zijn vriend met de woorden ‘Irene, dit is Peter’ met twee handen naar binnen had geduwd.

    Hoog aan de hemel gleed zachtjes ronkend een gele tweedekker door het azuur. Nadat Kester het toernooi had gewonnen, vroeg ik hem of hij dat verwacht had.

    “Achteraf wel,” zei hij.

  2. Drie op een rij

    In de ochtend las ik in een column van Peter Winnen dat het in de Vuelta van 1932 zo koud was dat de wielrenners bij de boeren stopten en om juten zakken vroegen die ze dan aantrokken over hun koerstrui.

    Vervolgens dook ik onder in De Goede Dood, het zesde deel van de acht delen tellende Merijntje Gijzen cyclus van A.M. de Jong.

    Het is herfst en Merijntje gaat meehelpen bij de suikerbietencampagne, zwaar werk. Koud en nat bovendien, waarop de boer juten zakken uitreikt die de arbeiders over hun hoofd trekken, ­zodat het lijkt of er kabouters met puntmutsen op het land staan te werken.

    Eenmaal op straat kwam ik een moeder tegen die vergezeld ging van haar zoontje dat zijn jas niet heeft aangetrokken maar over zijn hoofd heeft gehangen, zodat hij een puntmuts draagt.

    Drie op een rij, een tevreden stemmend begin van de dag.

    En nog mooier wordt als het zachtjes te regenen begint. ‘Il pleut doucement sur la ville,’ dat is van Rimbaud. Ik hou van het ogenblik dat de eerste regendruppels vallen en al die paraplu’s tevoorschijn komen, niet alleen om opgestoken te worden, maar ook voor de verkoop. Waar zijn de paraplu­verkopers als het niet ­regent?

    Een meisje zit bij haar moeder achterop onder haar eigen pluutje, in de Vijzelstraat staan 27 toeristen met huurfietsen langs de stoep. Ze halen stuk voor stuk de poncho uit hun fietstas.

    Op de nieuwe bankjes die aan het Rokin langs het water zijn verrezen, zitten een jongen en een meisje onder een paraplu, als dat geen liefde is, en op de brug voor het CS wordt een bruidje gefotografeerd. Lachend houdt ze haar paraplu omhoog.

    Even verderop zie ik de Westertoren waar ik hem nooit eerder heb gezien, hoera.

  3. Grijze duiven

    In het septemberzonnetje liep ik vanaf het Vondelpark richting huis. Mooie wandeling. Stille straten, lommerrijke pleintjes, drukke terrassen waar het toch heel stil is, en kijk, een jonge vrouw op de fiets met een cellokist op haar rug. In moppen en films zit daar een ham of een stengun in, maar ik ging er vanuit dat de vrouw een cello vervoerde.

    Even later zag ik twee vrouwen die allebei een hobo bij zich hadden, of zal het een klarinet zijn geweest? Toen ik nog een viool voorbij zag komen, wist ik het zeker, in het Concertgebouw werd een concert gegeven.

    Als jongen ging ik wel eens naar voetballen in het Olympisch Stadion, met mijn oom Cees die op de Marnixkade woonde.

    We liepen een stuk Nassaukade af, gingen door het Vondelpark en als je er dan aan de andere kant weer uit kwam, merkte je ineens dat je niet meer alleen was, en dat er meer mensen op weg naar het Stadion waren.

    Eerst langzaam maar al snel sneller begon de stoet aan te zwellen tot ineens het hele trottoir in beslag werd genomen door de druk pratende menigte waar jij deel van uitmaakte. En bij het ­Stadion kreeg je het ‘officieel programma met de opstellingen van beide elftallen’ en nog een voetbalwedstrijd toe, het kon niet op.

    Als ik op een terras neerstrijk, zit het helemaal vol met de grijze duiven die zo dadelijk het Concert­gebouw zullen bevolken.

    “Tegenwoordig zijn ze stil en zacht,” zegt de grijze dame aan het tafeltje naast me tegen haar even oude vriendin. “Je zet hem op je klit en klaar.”

    ”Echt? Via zo’n postorderbedrijf?” “Welnee joh. Op het Weteringcircuit. Ik ga wel mee hoor. Staan we zo weer op straat.”

  4. Prachtige zakken meel en kruiden

    Ik zat op het terras van het Melkhuisje in het Vondelpark, zo’n terras waar je met kind of kleinkind graag komt, omdat het er leuk toeven is, maar waar je, als kind of kleinkind eenmaal de leeftijd heeft om er ­alleen op uit te trekken, toch nooit meer komt.

    Aan het tafeltje naast me zaten een moeder en haar dochtertje. Het dochtertje was een jaar of zes en zat vrolijk iets te frutselen tot de moeder plotseling zei: “Wat ben je toch een naar kind.”

    Ik schrok ervan. Maakte de moeder een grapje en bedoelde ze met dat ‘naar’ eigen ‘leuk’ of ‘aardig’? Het kind dacht duidelijk van niet. Het bleef frutselen, maar een stuk minden ontspannen. “Houd daar mee op,” zei haar moeder. “En pas op of ik breng je naar oma.”

    Iets zei me dat ik maar beter op kon stappen, en dat deed ik ook. Op weg naar het Kattenlaantje passeerde ik een groep meisjes, waarin twee donkere schonen de show stalen door hoog boven de andere uit te torenen. Er was iets met ze, maar wat? Ineens zag ik het: ze waren op wieltjes.

    Vanaf de Kattenlaan reed ik de Jan Pieter Heije in. Klein Ethiopië op de hoek had uitbreiding gekregen. Naast restaurant Abyssinia, voor al uw tepsi, zigni, hamli en assa, zit de Abyssian Hairsalon en daarnaast de African grocery, een bazaar zo te zien.

    Ik ging naar binnen en binnen was het heerlijk. Onbekende geuren omringden me, ik zag prachtige zakken meel en kruiden, allerlei geheimzinnige haarproducten en grote juten zakken met koffiebonen.

    In een zijkamer bevond zich een naaiatelier, waar uitzinnige gewaden worden genaaid.

    De Franse dichter Arthur Rimbaud die lang in Abessinië verbleef, leed aan bazaarkoorts. Ineens begreep ik waarom.

  5. Gewoon onder de grond

    Al met al ben ik nog steeds niet in de metro geweest. Dat komt, ik moet nooit nergens wezen waar de metro komt en als het wel het geval is, gaat er ook een tram naartoe. Die ik dan neem.

    “Het is maar gewoon onder de grond,” zei de vrouw met wie ik voor het Centraal Station in de 17 was gestapt. “Ze doen wel alsof het een paleis is, maar het is gewoon onder de grond.”

    Zo zit dat, dacht ik, want hoewel ik heel wat paleiselijke metrostations heb aangedaan, ze zaten allemaal onder de grond. Voor me was een Amerikaans echtpaar komen zitten, van wie zij Chinees was en haar zus had meegebracht met wie ze vrolijk zat te kwebbelen terwijl hij naar buiten keek.

    “Look!” zei hij toen we bij het hoofdpostkantoor waren gekomen, “wonderful architecture! Unbelievable!” Om er na een korte stilte “Van Gogh!” aan toe te voegen. Het voormalige hoofdpostkantoor is een van de wonderen van de laatgotiek, dat valt niet te ontkennen, maar dat ‘Van Gogh’ gaf stof tot nadenken.

    Hoezo ‘Van Gogh’? Aardappeleters, opvliegende kraaien, zonnebloemen, afgesneden oren, allemaal Van Gogh, maar het hoofdpostkantoor?

    De tram rammelde langs het ­Anne Frank Huis, het huis van Rembrandt aan de Rozengracht, maar dat bracht me niet op een idee. We kwamen langs de kazen van Abraham Kef en de pianowinkel van Clavis aan de Marnixstraat, maar niets.

    Mijn nichtje speelt prachtig vleugel, dacht ik en toen stapte ik uit. Want ik herinnerde me dat er aan de achterkant van Clavis jarenlang een affiche heeft gehangen voor een expositie van Hans Verhagen, een prachtig affiche met een prachtig portret, in lijst. Of het er nog hing, wou ik weten.

  6. De geur van salvia

    Nadat ik had aangebeld bij het torentje en de deur die zo een smalle draaitrap onthulde, was opengezwaaid, vouwde ik mijn handen tot een toeter en riep

    “Zijn wij welkom?” in het trapgat. Boven aan de trap wachtte John.

    “Ha,” zei ik, “een leeftijdgenoot. Dus jou kan ik wel vragen uit welk boek ik zojuist citeerde.”

    “Dat kan je wel vragen,” zei John, “maar ik weet het niet.”

    Ik was paf. ‘Zijn wij welkom?’, dat was toch net zoiets als ‘een echte Middenwegwind’ of ‘hoei, boei, ik moet hier even zijn’, of was ik nou gek?

    Het gekke is, dat ik, nu ik er naar zoek het citaat niet vinden kan. Zelf verzonnen? Het zal toch niet.

    Inmiddels waren we na een stevige klim aangeland op het in de schaduw van het torentje gelegen dakterras, dat zijn reputatie als het mooiste dakterras ons bekend weer ruimschoots waarmaakte.

    Overal water en schepen en lichtjes, een opkomende maan, de geur van salvia en het geluid van brekend glaswerk, mooier wordt het niet.

    Ronald, die op negenhoog in de Wolkenkrabber woont, vertelde hoe zijn vader met duizend sigaren de oorlog was doorgekomen. En daarna over zijn moeder, die heel jaloers was.

    Zo was ze een keer woedend geworden omdat ze vanuit de Van Swindenstraat haar man zonder trouwring in een op het viaduct passerende trein had zien zitten.

    Ik vertelde over de minnares van mijn vader, die net als Ronald in de Wolkenkrabber woonde, maar dan op elfhoog.

    “Wist je moeder ervan?” zei Ronalds geliefde die erbij was komen staan.

    “De eerste jaren niet,” zei ik, “maar toen liep ze een keer door de Van Swindenstraat…” ‘Hebben we toch nog gelachen,’ om de haringman van het Haarlemmerplein te citeren.

  7. Juffrouw van Erp die op het Spinoza Nederlands gaf, heette juffrouw van Erp, Zijderveld van oude talen heette Zijderveld.

    Sinds ik bij haar om de hoek woon, noem ik haar Annelies, want zo heet ze.

    We kwamen allebei van de bakker, zij van de hare en ik van de mijne en stonden voor boekhandel het Marty­rium met elkaar te praten.

    Annelies had in de etalage een boek gezien dat haar interesseerde, “maar,” zei ze, “ik heb nog zoveel boeken in de kast die ik nog lezen moet.”

    “Een vers boek af en toe,” zei ik, “doet wonderen,” waarna ik vertelde dat ik Merijntje Gijzen aan het herlezen was. Heerlijk, vooral dat roomse gezever over het geloof.

    “Wij waren christelijk,” zei Annelies, “maar ik ging wel naar de openbare school. Christelijk onderwijs vond mijn vader niks.”

    “Van welke tak waren jullie?” wilde ik weten.

    Gewoon en op zondag een keer naar de kerk. “Op zondag speelde mijn moeder piano en dan zongen we uit Kun je nog zingen, zing dan mee. Vaak liedjes waar ik niets van begreep. ‘Hollands vlag/ je bent mijn glorie’, glorie, wat zal dat wezen?”

    Je weet vaak niet wat je zingt, ­beaamde ik, en als voorbeeld zong ik Groen als gras voor haar. “Waar dat over gaat. Ja, over vriendschap en de dood, ‘Egidius, waer bestu bleven/ mi lanct na di, geshelle mijn’, maar verder?”

    “Het gaat over Eurydice,” zei Annelies, waarop we samen J’ai perdu mon Eurydice hebben gezongen.

    “Ik heb net een kaascroissant gekocht,” vervolgde Annelies, “Bij Meijssen. De kleingelukkoekjes die ze verkopen, heb jij dat bedacht?”

    Een half uur later kwam mijn geliefde thuis. Ze had bij Meijssen een gevulde koek gekocht. “Weet je wat ze verkopen?” zei ze. Ik wist het.

  8. Daar ligt de echte wereld

    Aan weerszijden van de Van Baerlestraat ziet de wereld er hetzelfde uit. In de Vondelparkkant van de PC Hooft staan huizen in plaats van winkels, maar dat is het wel zo’n beetje. De Paulus Potterstraat gaat naadloos over in Willemsparkweg en Koninginneweg, statige huizen en winkels op stand.

    Maar dan komt de Amstelveenseweg en aan de andere kant is alles anders, daar ligt de echte wereld, met bakkers en slagers, ­vitragewinkels, bloemenhoeken, melk- en sigarenboeren, knutselzaken, koffiehuizen en cafés.

    Waar de Chinese toeristen die hier rondlopen vandaan komen, God mag het weten, maar ze zijn allemaal even opgewonden.

    Ze voelen zich zoals toeristen in ­Parijs zich zouden kunnen voelen in de rue de Belleville, als ze daar kwamen dan, want dat doen ze niet.

    Bij de eerste de beste slager bestelde ik een broodje leverworst en verdomd, dat is precies wat ik kreeg, zonder dat ik er een moedeloos makende opsomming van groffe of saksische, harde of droge, met spekjes of zonder, kroon, smeer, kalfs, kips of hausmacher erbij geleverd kreeg. Zelfs de mosterd leverde geen problemen op.

    Het is een volkse buurt rond het Hoofddorpplein die bovendien goed geheim gehouden wondertjes herbergt als het Legmeerplein en Te Vraag.

    Kapper Cor uit de Bosboom Toussaintstraat woonde tegenover Te Vraag. Kapper Cor bij wie je geen afspraak kon maken maar die, als hij wist dat ik ­geknipt wilde worden en hij een plaatsje vrij kreeg, even zijn winkel uitkwam om in het geheel niet­
    o­pvallend uitgebreid de straat af te kijken.

    Kapper Cor over wie ik eens een versje heb geschreven dat eindigt met de regels ‘Knip knip knip zo gaat de schaar/ kapper Cor is bijna klaar’. Zou hij nog knippen, Cor, of is hij klaar?

  9. Dag van verwachting

    Wie veel door de stad fietst, of loopt, weet wanneer hij op een route zit. De route is ontstaan door hem vaak te nemen en als hij eenmaal bestaat, blijft hij bestaan, hoelang je hem ook niet genomen hebt.

    Met mijn grootmoeder liep ik van de Koekjesbrug langs de Nassaukade naar het Vondelpark. Dat pad heb ik sinds mijn tiende niet meer bewandeld, maar ik weet dat het er is, en wie weet neem ik het nog een keer.

    De route van vandaag draait om het Haarlemmermeercircuit heen de Marathonweg op en gaat vandaar langs het Olympiaplein naar de Parnassusweg.

    Bij de Stadionkade gekomen, laten de pleintjes met de kastanjes zich zien en de huisjes op de brug, waarin de friettenten dapper stand houden.

    Brug over, ventweg op en bij de Peter van Anrooy rechtsaf, en ja hoor, daar staat mijn oude school. De piepkleine lage huisjes waar de conciërge en zijn hulpje woonden, staan waar ze altijd stonden, tussen de bomen en struiken voor het plein met het beeld van Koning Voetbal.

    Daarachter ligt de school met zijn hoge ramen en zijn twee trappen die langs de mozaïeken toegang geven tot de hal. Eronder de gesloten fietsenkelder.

    Adembenemend stil is het, deze zomerse dag in de laatste week van augustus. De school lijkt verlaten, niets beweegt.

    Maar maandag zal dat anders zijn. Dan begint het lieve leven weer, met de eerste schooldag, dag van verwachting, van nieuwe agenda’s en nieuwe roosters, nieuwe leraren, nieuwe vakken, nieuwe leerlingen, nieuwe kansen op een nieuw leven.

    Eva heeft haar haar laten millimeteren, Doortje heeft haar naam veranderd, Theo spreekt alleen nog Frans, Kees rookt nog altijd Lexington. Ik ben op mijn nieuwe brommertje gekomen, een Solex. We noemen hem de Luijters 2.

  10. Stoomtreintje naar Aalsmeer

    '‘Als u om inspiratie verlegen zit,” zei Alies uit Nibbixwoud, die tijdens het knippen altijd zo gezellig met me praat, “moet u de trein eens nemen.”

    Omdat de bus staakte, was ze een weekje met de trein gekomen.

    “Druk,” zei Alies, “zo druk dat je soms niet eens mee kunt. Gisteren stonden we met een heel stel op het perron kwaad te wezen, toen zo’n meid die wel in de trein stond, zei dat we ons niet moesten opwinden, het was toch zeker lekker weer! Iemand werd zo kwaad, dat zij die meid in ene de trein ­uittrok.”

    Het was nog voor de komst van de Noord/Zuidlijn en ik ben ­benieuwd hoe het nu met Alies en de bus gesteld is, maar goed dus dat ik binnenkort weer naar de kapper moet.

    Alies vertelde inmiddels over een nachtelijke treinreis van Frankfurt naar Amsterdam. Ze was een triller aan het lezen en net bij de ontknoping aangeland toen iemand in de couchette het licht uitdraaide.

    “Zonder iets te vragen, nou vraag ik u.” Alies was meteen opgestaan en had het licht weer aangedaan. “En toen?” zei ik. Toen niks.

    Mijn vader en moeder en ik zaten op een mooie zomerochtend met het raam open in het stoomtrein­tje naar Aalsmeer, toen er een man de coupé in kwam die zonder iets te zeggen het raam dichtschoof.

    Waarop mijn vader opstond en het zonder iets te zeggen weer openschoof. Waarop de man het raam weer dichtschoof en mijn vader het bij wijze van slotakkoord scheef in de sponningen trok, waar het muurvast kwam te zitten en heel erg open stond.

    Woedend ging de man op zoek naar een andere coupé.

    “Opgeruimd staat netjes,” zei mijn vader.

  11. Vuilnismannen en winkelmeisjes

    Vrouwe Fortuna bracht Charlie op ons pad, een prachtige baby met ros haar en blauwe ogen, goedlachs en twee stevige ondertanden. Die ze, zodra de mogelijkheid zich voordeed, krachtig in mijn wijsvinger zette, au!

    Na de eerste hulp vroeg ik zoals gebruikelijke naar welke school ze ging, hoe het zat met de tafel van acht, en hoe ze haar haring at, met of zonder uitjes.

    Haar moeder vertelde over een broodjeswinkel waar ze in vis ­deden. “In zo’n steeg tussen het Damrak en de Nieuwedijk.” “De Zoutsteeg,” zei ik. “Precies.”

    Ze had er laatst een heerlijk broodje haring gegeten en de haringboer had haar verteld dat in de loop van de dag de hele wereld voorbijkwam in zijn winkel. “Vuilnismannen en winkelmeisjes, mannen van de beurs, zomaar voorbij- gangers en toeristen in alle soorten en maten.”

    “Het is een wonder dat ie er nog zit,” zei ik. Oporto zit er nog en de viswinkel, maar verder staat ­alles in de steeg in het teken van hashish en tattoos.

    Ons favoriete café ­indertijd was de Blue Star, waar Hendrik de Schilder ook vaak kwam. Hendrik vertelde graag het verhaal van het kerstspek en als ie moest pissen hield hij het zo lang mogelijk op.

    De plas die volgde, noemde hij het burgermansorgasme. Op een avond had hij een Amerikaanse naar zijn atelier meegenomen die hem er in de loop van de nacht had uitgegooid. “Uit mijn eigen atelier,” zei Hendrik.

    “Hoe moet dat nou met je kruisafname?” zei ik. “Dat is zo langzamerhand meer een kruisiging aan het worden,” zei Hendrik. “Ach,” zei ik, “zolang er maar kunst op staat.” Hendrik knikte instemmend: “Kunst is alleen kunst als er kunst op staat, daar heb je gelijk in. Pilsje?” Dat sloeg ik niet af.

  12. Een prachtige Amsterdamse dame

    Wie in de Heemstedestraat de brug over de Westlandgracht oversteekt, gaat het grote niets binnen. Eerst is er nog Libanees restaurant Cedars, maar daarna is er niets, nou ja, een paar flats aan de ene kant en hier en daar een bruggetje aan de andere.

    Ik had gehoord dat er op het Abraham Staalmanplein een enorme beer was verrezen, maar geen beer te bekennen, zoals er op het pleintje helemaal niets te bekennen viel.

    Ik staarde een tijdje naar het keukenraam van de flat waar wij in 1959 gingen wonen en draaide toen de Johan Huizingalaan op die aan de andere kant van de Plesmanlaan een stuk gezelliger wordt. Maar het pleintje met de markt kwam als een volslagen verrassing.

    Het was er een drukte van belang. ‘Het kleurrijkste terras van Nederland’ dat opgesierd wordt door de woorden ‘Hoera het is vandaag’ was afgeladen en voor de fish & chipskar er pal tegenover stond een rij die de rij in de Voetboogsteeg naar de kroon stak.

    ­Kaftan Fes deed in traditionele Marokkaanse mode en Willem ­­Sok in sokken.

    Achter de kraam met strooien hoedjes stond een prachtige Amsterdamse dame die Carine bleek te heten. Ze was in gesprek met een gesluierde Marokkaanse die een hoedje kocht en de markt net zo prachtig vond als ik. “Ik kom nooit meer op markten,” zei ze, “maar hier is het anders.”

    Toen ze met haar hoedje was vertrokken, gaf Carine een overzicht van haar marktcarrière: Dapper, Mos, Ten Kate, Vespucci, ’40-’45 en sinds acht jaar de Siermarkt, plus de Lindengracht op zaterdag.

    Ze woonde, vertelde ze, aan de Korte Marnixkade, op driehoog. “Dan heb je prachtig uitzicht over het water,” zei ik. “Ja,” zei ze, “als je boven bent.”

  13. Naast de Nijlpaardenbrug

    Aangezien ik zelf in een stadsdorp woon, mag ik me in deze een deskundige wanen.

    We woonden hier nog maar net toen ik op een koude voorjaarsmorgen een vlucht ganzen blaffend hoorde overvliegen. “We wonen op een dorp,” was mijn conclusie.

    Op een dorp is het stil. Het is stil op ons dorp. De bewoners zitten op mooie dagen voor hun huis met elkaar te praten, her en der tref je geraniums en vlinderstruiken, en een hibiscus of camelia. Ook sluipen er poezen rond.

    Wie in een echt dorp woont en het dorp verlaat, staat in de woestijn. Het wordt bollenveld genoemd of weiland, maar het is woestijn. Wie zijn stadsdorp verlaat, staat midden in de stad, wat wel zo aardig is. Wij wonen in een brinkdorp, met op de brink een mooie fontein.

    De dorpen die tussen Entrepotdok en Kattenburgergracht ontstaan, lijken mij lintdorpen. Het beste zicht op hun reilen en zeilen heb je vanaf de Hoogte en de Laagte Kadijk, maar mooier nog is het om langs het water de Nieuwevaart te volgen, van Overhaalsgang tot Oosterdok, langs Buiten Kadijken en Matrozenhof dus, je kijkt je ogen uit.

    Via de Laagte Kadijk reed ik terug, op zoek naar het dorpscafé, dat ik vond naast de Nijlpaardenbrug.

    Het heet Bloem en het rook er vaag naar dierentuin, niet zo vreemd als je bedenkt dat Bloem schuin tegenover Artis ligt. Ik bestelde een biertje, waarop het vriendelijke meisje vroeg wat voor bier ik gehad had willen hebben, Hoegaarder wit, Gulpener gebrouwen, Zomerbok van de tap, Waalse wieken.

    “Heb je ook een gewoon biertje?” zei ik. “Pils?” zei ze, “nee, pils hebben we niet.” Het heeft even geduurd, maar ik had het eindelijk gevonden, het Café Zonder Bier.

  14. Dorpen in de stad

    Terwijl de stad op allerlei plaatsen wordt weggespoeld door golven toeristen, lijken er op ­andere plaatsen dorpen te ontstaan.

    Ik was de poort doorgegaan van de voormalige Oranje-Nassaukazerne met dat pompeuze wapen vol leeuwen en kronen aan de gevel en reed over het Wilhelmina Blombergplein naar de Alexanderkade.

    ‘Alleen voor voetgangers’ stond er bij het Olifantsbruggetje naar de Mauritskade. Zelden zoveel fietsers op een voetgangersbruggetje gezien, met zo’n bord vraag je er kennelijk om.

    Het was heerlijk weer en de Alexanderkade lag er prachtig bij. Om de hoek wist ik de Gooyer en de altijd weer verrassende gevel van voormalig bioscoop de Odeon, lange tijd een houthal en nu een filiaal van Gideon Italiaander, met daar tegenover het enorme benzinestation waar ik vanmiddag zo maar verdwaalde.

    Vroeger lagen hier rails voor wat een heel klein treintje geweest moet zijn. Van Werkspoor misschien?

    Op de Hoogte Kadijk stapte ik af voor een etalage vol oude radio’s. In 1972 of daaromtrent schreef Wim Noordhoek een roman met de titel Beromünster.

    “Zegt dat je wat?” vroeg hij me. Het zei me niks, want wij hadden thuis geen radio maar een stekkie.

    Maar sindsdien kijk ik altijd op de kiesschaal van oude radio’s of Beromünster erop staat. Beromünster stelde ik vast, stond nog steeds helemaal rechtsboven, vlak onder Hamar.

    Langs het water reed ik naar museumwerf ’t Kromhout, waar het vol stond met roestige motorblokken en scheepswrakken, terwijl er voor de deur ranke scheepjes lagen afgemeerd. Geen mens te zien. Stilte.

    Toen stak ik de brug over de ­Entrepotdoksluis over en reed zo de hier ontstane dorpen van Entrepotdok en Kadijken binnen. Dorpen in de stad. In Parijs zijn ze er nog, hier zijn ze er weer.

  15. De stoelen staan er nog

    Jan van antiquariaat Egidius in de Haarlemmerstraat heeft het roer omgegooid. Alle boeken, op de kunstboeken na, eruit en kunst aan de muur. De stoelen die er altijd stonden, staan er nog, dus kan er nog altijd geouwehoerd worden door de mannen.

    “Jan verkoopt geluk,” zei een van die mannen eens tegen mij en ik kan daar volledig mee instemmen. Laatst belde Jan me om te zeggen dat hij iets leuks voor me had. Als Jan zegt dat hij iets leuks voor me heeft, gaat het meestal om iets van Yves Klein, en dus zat ik al op de fiets.

    Deze keer had hij de poster bij de Yves Klein-tentoonstelling in het Stedelijke Museum van 1965 voor me, een symfonie in blauw van de hand van Wim Crouwel.

    Ik was net uitbewonderd en in een van de stoelen gaan zitten toen er een geheel in het zwart ­geklede dame binnen kwam zeilen.

    “Waarom,” zei ze op enigszins aangebrande toon, “zijn de zeefdrukken van Dibbits die in de etalage hangen goedkoper dan die van Bonies die ernaast hangen Ik wil het graag weten, want ik was erbij toen Dibbets ze maakte.”

    “Kent u Dibbets?” zei Jan. Ja die kende ze, ze bezat zelfs de enige echte Dibbets in de hele wereld waar er maar een van was, haar dochter.

    Zo, dat was er uit, waarop het verhalen vertellen kon beginnen. Over de zwerfhond die Dibbets en zij hadden meegenomen uit Italië en die hier maar niet aarden kon, en zelfs mensen beet, over de depressies van Carel Visser die van zijn therapeut hout moest hakken en daarom de hele dag hout te hakken stond, en al die tijd dacht ik aan Yves Klein, Yves Klein en het geluk.

  16. De mooiste jaren van je leven

    Op de Ceintuurbaan, zo ter hoogte van het Sarphatipark, werd ik achterop gefietst door een moslima met haast. Zo razend was haar vaart dat ze al snel aan de horizon verdwenen was.

    Ik was net voorbij het huis met de ballende kabouters, dat ik altijd zo mooi vond, maar dat een aantal jaren terug geheel is verpest door wit ­engelengebroed aan de erkers, toen ik haar weer in het vizier kreeg. Ze stond op de brug foto’s van de Amstel te maken. Haar haast was dus maar schijn geweest, om de een of andere reden deed me dat plezier.

    Ik stak het water over, nam het tunneltje en dook bij het Weesperplein de Sarphatistraat in. Het is geen Amsterdammer die in de Sarphatistraat niet even aan de uitvreter zal denken.

    En dat was precies wat ik deed toen ik op de gevel van een kazerneachtig gebouw, dat me bekend voorkwam, de naam van Japi’s schepper ontwaarde, Nescio. Ik stapte af en zag dat er aan de gevel een monumentje hing. Het was een portret in reliëf van Nescio dat vergezeld ging van de eerste regel van De uitvreter.

    Het gebouw bleek het vroegere Rijks Militair Hospitaal, het naargeestige oord waar de enige vriend uit mijn tijd in het militaire leger terechtkwam toen hij, wanhopig, probeerde middels een hongerstaking aan de kwelling van de dienstplicht te ontsnappen.

    Hulpeloos lag hij aan de slangen waarmee hij onder dwang kunstmatig werd gevoed, terwijl er met enige regelmaat officieren aan zijn bed verschenen om hem uit te leggen welke straffen ze nog in petto hadden als hij zijn staking niet staakte. In het militaire leger werd je verzekerd dat je later op deze tijd zou terugkijken als de mooiste ­jaren van je leven. Niets is minder waar.

  17. Het sneeuwwitte beeld dat oprijst uit de vijver op het Museumplein is van Joseph Klibansky en twaalf meter hoog.

    Het heet Zelfportret van een dromer, mooie titel voor een beeld dat ons een astronaut laat dromen die gewichtloos in de ruimte zweeft terwijl hij met zijn linkerhand op de leuning van een stoel leunt en er op zijn rechtervoet een potplant draagt.

    De astronaut doet denken aan de mannetjes die lang geleden zogenaamd naar de maan gingen om daar huppeldansjes uit te voeren en vlaggetjes te planten. Het werd op de televisie uitgezonden en ik geloofde er niks van.

    Als er echt mensen naar de maan gingen dan liet je hun reis toch niet verslaan door iemand die zich Hullekie Dullekie noemde en schreeuwerig vergezeld ging van Harry de Harige Aap.

    Tijdens de uitzendingen van Hullekie Dullekie kwam altijd het moment dat hij telefonisch verbinding maakte met een professor in Houston. Na veel zoemen en klikken, hoorde je van heel ver weg een geknepen stem ‘Hier Houston’ zeggen.

    In werkelijkheid stond de professor met een wasknijper op zijn neus in een telefooncabine van het Hilton.

    Eerder op de dag vertelde Hans dat zij de avond tevoren in het Hilton een glas wijn hadden gedronken, waar ze 25 euro voor moesten afrekenen. Het was heerlijke wijn geweest en het terras aan het water was schitterend, maar toch. “In de tijd van ‘barretje Hilton’ waren de prijzen heel gewoon,” zei ik.

    Ik zat er eens met Theun de Winter toen ik nodig plassen moest. Op het invalidentoilet aangekomen, bleek daar een heel koud buffet opgesteld, met zalm en krab en kreeft en nog zo het een en ander. “Je moet echt even komen kijken,” zei ik even later tegen Theun.

  18. Zonnen, zwemmen, picknicken en flirten

    Vorige week ben ik naar het Marineterrein gefietst. Om es te kijken, want het was daar zo mooi had ik gehoord. Dat bleek niet te veel gezegd. Zodra ik het poortje door was viel ik van de ene verbazing in de andere.

    Het is een enorm terrein met mooie oude huizen en overal water, grasvelden, majestueuze bomen, en meteen recht voor mijn neus een spectaculaire fontein die ondanks de droogte stevig zijn best stond te doen.

    Je kijkt er ­tegen de achterkant van het voormalige Zeemagazijn, het huidige Scheepvaartmuseum, waar heel wat aardige schepen liggen afgemeerd. De nagebouwde VO-zeeëer o.a, maar je hebt er ook een verbazingwekkend uitzicht op NEMO en de huizen en schepen aan de Prins Hendrikkade.

    Pension Homeland heeft een stralend terras aan het water en in dat water ligt sinds kort een boardwalk, een reeks steigers voor een snelle verbinding met de overkant. Maar dat niet alleen, want de steigers noden ook tot zonnen, zwemmen, picknicken en flirten.

    Alles wat je op dit terrein verwachten was, was aanwezig. De drie meisjes met een fles witte wijn in een koeler, de jongen die zijn vriendin tot springen dwingt, waarbij zij elegant haar neus dichtknijpt, de schone die het topless doet en natuurlijk de iets te gebruinde, iets te gespierde Adonis met zijn handstand en radslagen die als hij zich op zijn handdoek neervlijt zo opvallend niet naar de zonnebaadster zonder ­bovenstukje kijkt.

    Vanuit de trein herinner ik me het Marineterrein als een paar ­oude oorlogsschepen en een bruggetje. En als je het via Kattenburg probeerde zat je met een lange muur en poortjes die, als ik me goed herinner bewaakt werden door matrozen. Inmiddels is het Marineterrein een van de wonderen van de stad.

  19. Dan moet u daar wezen

    Ik sta op een tramhalte op de tram te wachten als een man die samen met zijn vrouw op dezelfde halte staat naar me toekomt en vraagt of de trams vanaf deze halte naar het Centraal Station gaan. “Nee, nee, nee,” zeg ik, “dan moet u daar wezen,” en ik wijs, zo’n beetje de bocht om naar een halte die je hiervandaan niet zien kunt.

    Terwijl hij terugloopt naar zijn vrouw komt mijn tram eraan en ik stap in. Als ik naar buiten kijk, zie ik dat het echtpaar nog steeds op de halte staat. Dat bevalt me niks. Ze hadden al lang op weg moeten zijn naar de halte die ik ze heb gewezen. Je vraagt tenslotte niet voor niets de weg. Of heeft de man die de weg vroeg mijn antwoord niet begrepen en gaan ze zo dadelijk straal de verkeerde kant op, wat dan mijn schuld is.

    U herinnert zich natuurlijk de passage in Dwaallicht als Laarmans zijn zwarte broeder onder de drie rijstekakkers de weg heeft ­gewezen naar de Kloosterstraat en Maria van Dam en vanuit de tram de zwartjes ziet twijfelen of ze wel de goede kant op gaan.

    Laarmans voelt zich verantwoordelijk voor zijn drie koelies en stapt uit om hen op de tocht te begeleiden. Hij voelde dezelfde verantwoordelijkheid die ik nu voel, maar voor mij is het te laat om uit te stappen.

    Maar het kan uiteraard nog ­erger. Zo werd mijn geliefde dit voorjaar, op het Leidseplein meen ik, aangesproken door een stel rugzakdragers die op het Zandpad moesten zijn. Waarna ze de rugzakdragers met grote precisie en voorzien van een heldere schets naar het Schapenburgerpad dirigeerde.

    Maanden geleden, maar ze voelt zich nog steeds schuldig.

  20. Een enorme pan vol

    In mijn opsomming van verdwenen geuren, koffie en ­caçao, versgebakken brood, roestig ijzer, geschaafd hout, menie, drop en pepermunt, vergat ik de geur of liever de stank te noemen die zich aankondigde met hondengeblaf.

    Want de verse waar-kar die zich eens in de zoveel weken meldde, ging altijd vergezeld van een roedel straathonden. Het waren dezelfde honden die als ze de kans kregen tegen je op ­begonnen te rijen en die op de een of andere manier altijd aan elkaar vast leken te zitten.

    Wanhopig draaiden ze dan in een korte cirkel om elkaar heen, totdat er iemand naar buiten kwam met een emmer water om die over de honden te legen, waarna ze blaffend uiteen stoven om niet veel later opnieuw te beginnen.

    Als mijn moeder het geblaf hoorde, sloot ze ramen en deuren, want de verse waar-kar verspreidde een even doordringende als smerige lucht die lang bleef hangen bovendien. De verse waar zelf zag er ook hoogst smerig uit, met griezelige schubben en tentakels op de uitgestalde magen, pensen, darmen. Je rilde als je het zag.

    Groot was dan ook mijn schrik toen ik als vijftienjarige op bezoek bij vrienden in Toulouse op een avond verse waar kreeg voorgezet. Een enorme pan vol, tripes, een delicatesse. Ik had op eetgebied al het een en ander meegemaakt, oesters, knoflook, drinken bij het eten, stinkkaas toe en dat was me allemaal uitstekend bevallen, maar verse waar.

    En het ergste was, ik wist dat het in de loop van de maand nog een paar keer op het menu zou verschijnen. Het was als in het vers van Dèr Mouw: ‘en dankbaar was ik dan met heel mijn hart/dat we zo prettig bij elkander zaten;/behalve ’s maandags, als we zuurkool aten.’