live

Klein geluk in Amsterdam: Een kleine staartloze haai

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Een kleine staartloze haai

    Wie met de neus ­omhoog loopt, ziet in de stad de gekste dingen, overvliegende ooievaars, rare torentjes, ronkende Dakota’s, penthouses, luchtballonnen, rondcirkelende buizerds, schommelende schommels, regenbogen, eenzame mannen in hoogwerkers, dakterrassen, ja, hele zwembaden.

    Het landschap aan de grond heeft ook veel te bieden, maar is doordat het gebodene dichterbij is ook gevaarlijker.

    Als ik een regenboog of een Dakota zie, gaat hij in de verzameling, maar aangezien de verzameling zich in mijn hoofd bevindt, kan dat nauwelijks kwaad.

    Maar de verrassingen van de straat zijn tastbaar en gaan als ze erin slagen je tot meenemen te verleiden, hun eisen stellen.

    Dat ik het tot op de draad verroeste ijzeren schildje, waarvan de voorstelling op zo’n schitterende manier onherkenbaar is geworden, niet kon laten liggen maar mee naar huis heb genomen, betekent ook dat ik het ergens een plaatsje moet geven.

    Bij voorkeur uit het zicht van zekere geliefde die het niet zo heeft op stukken roestig ijzer.

    Maar wat je allemaal vindt. Schroeven en spijkers en bouten, een metalen plaatje met twee schroefgaatjes en in reliëf de mededeling 045B, en dan al die even kleine als ondoorgrondelijke mechaniekjes.

    Het fijnst vind ik het als bewegende delen nog bewegen of losse delen op de een of andere manier in of op elkaar passen.

    Wat ik heb gevonden, weet ik vrijwel nooit en kan me ook niet schelen.

    Met een uitzondering: een door kleindochter op het voormalige NDSM-terrein gevonden zinken voorwerp in de vorm van een kleine staartloze haai dan wel grote zetpil, met zwart rubber bekleed.

    Het voorwerp past in mijn hand en heeft aan het puntige uitlopende uiteinde een scherpe punt. Geen flauw benul wat het is, maar ik mag er graag naar kijken.

  2. Stekelbaarsjes vangen

    Op de foto’s van Dolf Toussaint, zoals te zien op de prachtige tentoonstelling Amsterdam voor het voorbij is, zie je soms dingen die zich niet meteen verklaren laten.

    Want wat bijvoorbeeld moeten twee straatschoffies midden in de stad met een emmer en een schepnet? Stekelbaarsjes vangen natuurlijk! Die schepte je in die dagen uit elke sloot. De stekel­baarsje gingen eerst in een jampot met water en een waterplant en gaatjes in het deksel.

    Het was het begin van een aquarium, waarvoor een iets grote bak nodig was.

    Als je stekelbaarsjes waren uitgezet, vulde je je verzameling aan met salamanders, en kikkervisjes die pootjes gingen krijgen en in kikkers zouden veranderen.

    Maar voor het zover was, waren stekels, salamanders en kikkervisjes allang dood en door de wc gespoeld.

    En wat te zeggen van de tekst op het bord dat naast IJssalon Monte Pelmo in de Tweede Anjeliers-dwarsstraat namens een verder onzichtbare sigarenwinkel aan de gevel hangt: ‘Tramkaart en zegels-alhier/ Voorverkoop/ Snip + Snap in Carré/ Ochtendbladen 20 cent/ Voorverkoop DWS-GVAV/ DWS ­tegen Turken/ 16/9’.

    Het geheel onder auspiciën van Dr. Dush- kind.

    De dames Snip en Snap, dat waren de heren Willy Walden en Piet Muyselaar, in een bloemetjesjurk, met een hoedje op en een tasje aan hun arm.

    Ze waren de sterren van de Sleeswijk Revue en zongen: ‘Want Snip snapt niet wat Snap snapt/ En Snap snapt niet wat Snip snapt/ Als Snip snapt Snap/ En Snap snapt Snip/ Verdwijnt het Snip en Snap princiep’.

    DWS was een hoofdklasseclub uit de Spaarndammerbuurt. De Turken tegen wie ze speelden, waren van Fenerbahçe uit Istanboel. Die troffen ze in de eerste ronde van de Europa Beker. Op woensdag 16 september 1964. In het Olympisch Stadion.

    DWS won met 3-1 dankzij doelpunten van Geurtsen (2) en Hollander.

    Gaat dat zien.

  3. Tas weggooien, tas bewaren?

    In de binnentuin stonden de bomen in de zwiepende ­regen te schudden van de donderslagen. Ik zat aan tafel en had het vliegtuigje uit zijn Chinese verpakking gehaald. Het is klein en blauw en de piloot draagt een rood mutsje. Omdat ik bang was het mechaniek te beschadigen, wond ik het heel voorzichtig op.

    Het was zo’n vliegtuigje dat een stukje rijdt en dan over de kop gaat. Toen ik het losliet, verheugde ik me op die koprol, maar hij kwam niet, want het was zo’n vliegtuigje dat keihard rechtuit rijdt. Bijna de tafel af, ik kon het nog maar net opvangen.

    Omdat het van ene moment op het andere minder hard was gaan regenen, pakte ik de met kranten gevulde Dirktas die in de gang op me stond te wachten en haastte me naar mijn afspraak met de papierbak en mijn uitgever. Bij de papierbak aarzelde ik, tas weggooien, tas bewaren?

    Het werd bewaren, je weet maar nooit wanneer zo’n tas te pas komt. Een kwartiertje later dus toen ik na het bezoek aan mijn uitgever in een vreselijke stortbui terecht kwam. En besloot de tas over mijn hoofd te trekken.

    Het aardig is dat je met een Dirktas op je kop door de Van Baerlestraat kunt lopen zonder dat er iemand van opkijkt.

    De donder rolde over het Roelof Hartplein. De auto’s hadden een boeggolf die hoger reikte dan de auto’s waren en het water op de fietspaden was zo diep dat de fietsers massaal voor de stoep kozen.

    Weer thuis pakte ik het uit 1927 daterende gedichtenschrift van mijn moeder en las: ‘Een bruggetje, een watertje,/ Een schuitje en een snatertje,/ Een maaier met een zonnehoed,/ Dat doet mijn Hollandsch harte goed.’

  4. Man met hondje

    De Pniëlkerk, beter bekend als ‘het Theelichtje’ stond op het naamloze pleintje dat begrensd wordt door Bos en Lommerweg, Merlijnstraat en Vier Heemskinderenstraat.

    De Pniëlkerk is er niet meer, maar het Theelichtje wel, met theater ­Mozaïek, een restaurant en een terras, waar we een tafeltje kozen in de late middagzon.

    We zaten nog maar net toen er een man voorbij kwam met aan de lijn een klein zwart hondje met een vierkanten kop en korte pootjes. Ze liepen richting Admiraal de Ruijterweg.

    In de Bos en Lommer weet ik waar ik ben en in de uitbouw waarop we uitkeken, zag ik niet het Thaise restaurant dat er nu zit, maar de openbare bibliotheek die er vroeger zat.

    Vanaf de Egidiusstraat waren er drie zulke uitbouwen, in de eerste zat bakker Van der Heijden, en die zit er nog, in de tweede een slager en hier dus een bibliotheek waar ze nooit een boek hadden.

    Alle Bob Eversboeken waren voor de komende vijfentwintig jaar gereserveerd en verder hadden ze niks, zelfs geen Winnetou.

    De man en het hondje kwamen inmiddels weer aangelopen, nu van de andere kant. De man had een fles wijn onder zijn arm en het hondje hield plotseling op met ­lopen.

    We kregen ons biertje, we kregen een portie bitterballen, maar het hondje verdomde het nog steeds. Het was koppiger dan een ezel en de man was heel geduldig, maar tijdens onze tweede biertje werd het hem toch te machtig.

    Even later volgden wij man en voortgesleurde hond de Twee Koningskinderenstraat in en zo naar de Blancefloorstraat. “Als je de Blancefloorstraat uitkomt,” had iemand tegen me gezegd, “en je kijkt naar rechts, zie je daar een enorme ijsbeer.”

    En verdomd, hij stond er.

  5. Zo'n grote leren clubfauteuil

    Omdat ik vanwege de metro niet precies wist in welke tram ik zat, wist ik dus ook niet door welke straat we reden en waarheen, maar tot mijn plezier zag ik in het voorbijgaan twee jongemannen een spiksplinternieuw touw en blok van hun bakfiets tillen.

    “Kijk,” zei ik tegen mijn geliefde. Zij keek, de jongens zagen dat zij keek en begonnen te zwaaien, waarna wij terug zwaaiden. Want ‘wie zwaait, wordt gezwaaid’, zoals de Wet van Zwaai het formuleert.

    Ik dacht inmiddels aan de middag dat ik bij de fauteuilopknapper in de Bosboom Toussaintstraat zo’n grote leren clubfauteuil had gekocht. “Dat wordt hijsen,” zei ik nadat ik de fauteuilverkoper onze, laat ik zeggen nogal steile trap had laten zien. Maar hij wilde het met tillen proberen. Dus grepen we onderaan de 94 treden de fauteuil beet en begonnen de lange hijs naar boven.

    Halverwege, zo ter hoogte van het bordje waarop vermeld staat dat hier in 1967 zekere A. Jacobs in het ravijn is gevallen, was een smalle overloop waar we even rust konden pakken. “Gaat ie?” zei de man. Ik knikte, “maar,” voegde ik er filosofisch aan toe, “het ergste komt nog.”

    Even later bereikten we de haarspeldbocht die toegang tot ons huis gaf en liep de fauteuil krakend vast. Na enig nadenken werd besloten de fauteuil een slag te draaien. Wat niet hielp, zodat terug de enige uitweg was. Beneden bleek de stoel niet langer door de deur te gaan. Wel erin maar niet eruit, hoe was dat mogelijk?

    Teruggekeerd op mijn huidige adres kwam ik op de trap de zoon van onze onlangs overleden buurvrouw tegen. In het huis van zijn moeder, dat hij aan het leeghalen was, staat een vleugel. Meer zeg ik niet.

  6. Hoe de zon in de zee zakt

    Vraag niet hoe het kan, maar vanaf het Noordzeestrand heb ik de zon nooit in de zee zien zakken. Zoals ik ook nooit gezwommen heb in de Noordzee, wat weer een hele andere kwestie is. Maar nu was het zover.

    Het weer was uitnodigend, de hemel van wolkenloos azuur, ideale omstandigheden en dus togen we naar zee.

    De badplaats waar wij zo graag komen, was geheel zichzelf. De toeristen spraken Fries en aten een ijsje. Het vispaleis lag in verbouwing, de kleine kinderen zaten in hun bolderkarren en op het grote plein werd druk gevoetbald.

    Nadat we de treden van de trap naar de strandopgang hadden beklommen, bleven we in verwondering staan.

    Zee en horizon hadden in alle stilte de kleuren aangenomen van een bleke regenboog. De zon was al rood, de maan was nog wit en in de meertjes bij de strekdam zwommen kleine zeesterren.

    Een jongen zat een enorme bal op te blazen en omdat hij nogal dik was, leek het of de bal hem aan het opblazen was.

    De drie jongedames die we te gast hadden, waren in zee, waar ze het ene moment net zeehonden op een zandplaat leken om het volgende moment zes benen te laten zien.

    De horizon intussen sneed kleine plakjes van de zon die trillend op het water stond. Tot ie verdwenen was.

    ‘De zon gaat onder/ Ik voel me bijzonder,’ dichtte Rudi ter Haar, en zo was het.

    “Hoe oud waren de jongens die naar jullie toekwamen,” zei onze dochter tegen de dames toen ze uit zee kwamen.

    “Een jaar of 15,” zei Rana.

    “En zeiden ze nog wat?” “Ze zeiden ‘hallo’,” zei Zilke.

    Jongens die in zee naar meisje toe lopen, zijn altijd 15 en zeggen altijd ‘hallo’.

  7. Met twee handen

    Op het jaarlijkse Schrijvers Tennis Toernooi in Dordrecht dat voor de drieëndertigste keer verspeeld werd, draaiden Hans en Nicolaas gehakt, terwijl Alexander zich door Mensje liet fileren. Het toernooi viel laat dit jaar, maar het was stralend herfstweer en dat maakte veel goed.

    Jammer alleen dat Theo niet mee kon spelen, maar hij was op tennissafari geweest en daar was iets mis gegaan met zijn enkel. Theo is een goede speler, maar ­eigenlijk is hij niet van tennis, maar van ‘real tennis’.

    Wat dat is, real tennis, weet niemand, behalve Theo, die ook de enige is die weet wat een tennissafari is. Het schijnt een soort kaatsen te zijn, real tennis meen ik, maar dan ­anders.

    Theo wilde het graag uitleggen, hij wilde zelfs wel vertellen hoe kaatsen ging, maar dat wilde niemand horen, want als je het eenmaal wist, kon je nooit meer zeggen dat je kaatsen een volstrekt onbegrijpelijk spel vindt, waarvan je alleen weet, ook zo iets, dat het altijd plaatsvindt op de vijfde woensdag van juli, meestal in ­augustus dus.

    Een tweede reden dat Theo niet meespeelde, was dat hij naar Peter en Irene moest die vierden dat ze elkaar vijftig jaar geleden ontmoet hadden. Peters hart liep over van Irene, maar hij wist niet hoe hij haar benaderen moest.

    “Weet je waar ze woont?” zei Theo toen ze op een middag samen door Leiden liepen. “Hier,” zei Peter, waarna Theo aanbelde en zijn vriend met de woorden ‘Irene, dit is Peter’ met twee handen naar binnen had geduwd.

    Hoog aan de hemel gleed zachtjes ronkend een gele tweedekker door het azuur. Nadat Kester het toernooi had gewonnen, vroeg ik hem of hij dat verwacht had.

    “Achteraf wel,” zei hij.

  8. Drie op een rij

    In de ochtend las ik in een column van Peter Winnen dat het in de Vuelta van 1932 zo koud was dat de wielrenners bij de boeren stopten en om juten zakken vroegen die ze dan aantrokken over hun koerstrui.

    Vervolgens dook ik onder in De Goede Dood, het zesde deel van de acht delen tellende Merijntje Gijzen cyclus van A.M. de Jong.

    Het is herfst en Merijntje gaat meehelpen bij de suikerbietencampagne, zwaar werk. Koud en nat bovendien, waarop de boer juten zakken uitreikt die de arbeiders over hun hoofd trekken, ­zodat het lijkt of er kabouters met puntmutsen op het land staan te werken.

    Eenmaal op straat kwam ik een moeder tegen die vergezeld ging van haar zoontje dat zijn jas niet heeft aangetrokken maar over zijn hoofd heeft gehangen, zodat hij een puntmuts draagt.

    Drie op een rij, een tevreden stemmend begin van de dag.

    En nog mooier wordt als het zachtjes te regenen begint. ‘Il pleut doucement sur la ville,’ dat is van Rimbaud. Ik hou van het ogenblik dat de eerste regendruppels vallen en al die paraplu’s tevoorschijn komen, niet alleen om opgestoken te worden, maar ook voor de verkoop. Waar zijn de paraplu­verkopers als het niet ­regent?

    Een meisje zit bij haar moeder achterop onder haar eigen pluutje, in de Vijzelstraat staan 27 toeristen met huurfietsen langs de stoep. Ze halen stuk voor stuk de poncho uit hun fietstas.

    Op de nieuwe bankjes die aan het Rokin langs het water zijn verrezen, zitten een jongen en een meisje onder een paraplu, als dat geen liefde is, en op de brug voor het CS wordt een bruidje gefotografeerd. Lachend houdt ze haar paraplu omhoog.

    Even verderop zie ik de Westertoren waar ik hem nooit eerder heb gezien, hoera.

  9. Grijze duiven

    In het septemberzonnetje liep ik vanaf het Vondelpark richting huis. Mooie wandeling. Stille straten, lommerrijke pleintjes, drukke terrassen waar het toch heel stil is, en kijk, een jonge vrouw op de fiets met een cellokist op haar rug. In moppen en films zit daar een ham of een stengun in, maar ik ging er vanuit dat de vrouw een cello vervoerde.

    Even later zag ik twee vrouwen die allebei een hobo bij zich hadden, of zal het een klarinet zijn geweest? Toen ik nog een viool voorbij zag komen, wist ik het zeker, in het Concertgebouw werd een concert gegeven.

    Als jongen ging ik wel eens naar voetballen in het Olympisch Stadion, met mijn oom Cees die op de Marnixkade woonde.

    We liepen een stuk Nassaukade af, gingen door het Vondelpark en als je er dan aan de andere kant weer uit kwam, merkte je ineens dat je niet meer alleen was, en dat er meer mensen op weg naar het Stadion waren.

    Eerst langzaam maar al snel sneller begon de stoet aan te zwellen tot ineens het hele trottoir in beslag werd genomen door de druk pratende menigte waar jij deel van uitmaakte. En bij het ­Stadion kreeg je het ‘officieel programma met de opstellingen van beide elftallen’ en nog een voetbalwedstrijd toe, het kon niet op.

    Als ik op een terras neerstrijk, zit het helemaal vol met de grijze duiven die zo dadelijk het Concert­gebouw zullen bevolken.

    “Tegenwoordig zijn ze stil en zacht,” zegt de grijze dame aan het tafeltje naast me tegen haar even oude vriendin. “Je zet hem op je klit en klaar.”

    ”Echt? Via zo’n postorderbedrijf?” “Welnee joh. Op het Weteringcircuit. Ik ga wel mee hoor. Staan we zo weer op straat.”

  10. Prachtige zakken meel en kruiden

    Ik zat op het terras van het Melkhuisje in het Vondelpark, zo’n terras waar je met kind of kleinkind graag komt, omdat het er leuk toeven is, maar waar je, als kind of kleinkind eenmaal de leeftijd heeft om er ­alleen op uit te trekken, toch nooit meer komt.

    Aan het tafeltje naast me zaten een moeder en haar dochtertje. Het dochtertje was een jaar of zes en zat vrolijk iets te frutselen tot de moeder plotseling zei: “Wat ben je toch een naar kind.”

    Ik schrok ervan. Maakte de moeder een grapje en bedoelde ze met dat ‘naar’ eigen ‘leuk’ of ‘aardig’? Het kind dacht duidelijk van niet. Het bleef frutselen, maar een stuk minden ontspannen. “Houd daar mee op,” zei haar moeder. “En pas op of ik breng je naar oma.”

    Iets zei me dat ik maar beter op kon stappen, en dat deed ik ook. Op weg naar het Kattenlaantje passeerde ik een groep meisjes, waarin twee donkere schonen de show stalen door hoog boven de andere uit te torenen. Er was iets met ze, maar wat? Ineens zag ik het: ze waren op wieltjes.

    Vanaf de Kattenlaan reed ik de Jan Pieter Heije in. Klein Ethiopië op de hoek had uitbreiding gekregen. Naast restaurant Abyssinia, voor al uw tepsi, zigni, hamli en assa, zit de Abyssian Hairsalon en daarnaast de African grocery, een bazaar zo te zien.

    Ik ging naar binnen en binnen was het heerlijk. Onbekende geuren omringden me, ik zag prachtige zakken meel en kruiden, allerlei geheimzinnige haarproducten en grote juten zakken met koffiebonen.

    In een zijkamer bevond zich een naaiatelier, waar uitzinnige gewaden worden genaaid.

    De Franse dichter Arthur Rimbaud die lang in Abessinië verbleef, leed aan bazaarkoorts. Ineens begreep ik waarom.