live

Klein geluk in Amsterdam: Toerist in eigen stad

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Toerist in eigen stad

    Op het Muzenplein dat eigenlijk een brug is, was ik afgestapt om naar het water te kijken. De Boerenwetering aan de ene kant en de enorme bak water die de Kom genoemd wordt aan de andere.

    Op de brug zelf is het altijd merkwaardig stil, als een aankondiging van het Stille Zuid dat aan de andere kant van de brug ligt. Wie hier naar de Boerenwetering kijkt, zal ook de grote en uitzinnige villa zien waarmee de Churchilllaan besluit.

    De villa, hij dateert uit 1929, ligt aan het water en zit ondoorgrondelijk in elkaar, met daken boven daken, terrassen, veranda’s en een tuin. Op het muurtje dat de toegang tot de voortuin lijkt af te schermen, staat een verstild beeld van een jong meisje, dat een schaal, of is het een bos tulpen in haar handen houdt.

    Ik stond er naar te kijken toen op de brug een meisje verscheen dat een foto nam van het beeld van de Jongen met konijnen.

    “Je moet ook even naar dit beeld kijken,” zei ik even later tegen haar, “zo mooi.”

    “Weet u iets van die beelden?” zei ze. “Meestal zijn ze van Hildo Krop,” zei ik.

    “Ik woon in Parijs,” zei het meisje, “en als ik nu in Amsterdam ben, kijk ik met heel andere ogen naar de dingen. Ik voel me een beetje toerist, toerist in eigen stad.”

    Samen keken we naar het beeld van het meisje. “Weet jij wat ze in haar handen houdt?” zei ik. “Ik denk,” zei ze, “dat het een lotus is.”

    Bij wijze van afscheid stelden we ons aan elkaar voor. Tess was al bijna bij de Herman Heijermansweg toen ze zich even omdraaide om te zwaaien. “Dag Guus,” riep ze.

    En weg was ze.

  2. Haar blik sprak boekdelen

    In de Witte Olifant, een school in de Nieuwe Batavierenstraat, was een bijeenkomst waar we het monumentje konden bekijken waarop de honderden Joodse kinderen herdacht worden die hier in de oorlog voor ze vermoord werden op de Joodse school zaten. Er was een tentoonstelling, er was muziek en er waren heel veel mensen.

    Tussen al die mensen trof ik ­iemand van wie ik wist dat ik haar goed kende maar die ik niet thuis kon brengen. Het bleek de dame die in de kaaswinkel om de hoek zo vaak tien plakjes oude kaas voor me afsnijdt. In de winkel herken ik haar probleemloos, maar hier wist ik niet wie ze was.

    Met de meisjes van de kassa van de Albert Heijn heb je dat ook. Je ziet ze drie keer in de week, maar als je er een in mensenkleren door de Leidsestraat ziet lopen, kom je niet verder dan ‘ik ken haar ergens van.’

    Marieke van Martyrium herkende ik niet omdat ze in een veel te grote auto zat, zo’n auto die je niet verwacht bij iemand die Emily Dickinson verkoopt. “Ik ben verliefd op die auto,” zei ze, “ik heb hem al veertien jaar. Maar misschien herkende je me niet omdat ik woedend was. Ik was net mijn fiets wezen halen, op zo’n depot.” “Toch wel ver weg mag ik hopen?” zei ik. Haar blik sprak boekdelen.

    Toen de gemeente eindelijk besloten had het parkeerprobleem aan te pakken, liep ik eens door onze straat waar twee mannen ­bezig waren een wielklem aan te leggen. “Heren,” zei ik, “mag ik u bedanken voor het prachtige werk dat u verricht.”

    De mannen keken me aan of ze water zagen branden. Nooit eerder had iemand iets aardigs tegen ze gezegd.

  3. Vijf witgedekte tafeltjes

    In de poort onder het Rijks stonden een accordeonist en een violist die zowaar iets van Vivaldi ten gehore brachten. Bij het stoplicht moest ik 38 seconden wachten.

    Eenmaal aan de andere kant, op de brug over de Prinsengracht, ontwaarde ik tussen de petunia’s een jonge vrouw die zich met gracht en bloemen als achtergrond door haar vriend liet fotograferen.

    Dat zie je vaker, maar zelden zag ik een dame met zo’n, ja hoe zeg je dat vandaag de dag, ‘snoeptafel’, zou mijn moeder gezegd hebben, maar of dat nog kan, betwijfel ik.

    Piet Koopt Hoge Schoenen, dus de volgende brug ging over de Keizersgracht en verdomd als het niet waar is, de dame die zich hier liet fotograferen had een zo mogelijk nog grotere ‘bos hout voor de deur’ zoals mijn vader gezegd zou hebben.

    Nieuwsgierig naar wat de Herengracht zou brengen, trapte ik stevig door, maar hier was alles­ gelukkig bij het oude, een leuke Pakistaanse familie met een jongetje van een jaar of elf als middelpunt.

    Bij de Atheneaeum Boekhandel stonden vijf witgedekte tafeltjes voor de deur. Huh? dacht ik, gaan ze net als bij de kapper prosecco schenken? Maar er was niets aan de hand gelukkig.

    Ze vierden dat na weken slopen, bouwen en schilderen ‘De Doorbraak’ was voltooid, wat wil zeggen dat je voor het Nieuwscentrum niet meer buitenom hoeft.

    Het was heel erg geweest, hoorde ik, met veel lawaai en vooral veel stof, maar het was prachtig geworden. Ik kan me hier geheel bij aansluiten.

    Wat mij zeer bevalt, is dat alles anders is, maar toch hetzelfde is gebleven. Ik liep zo naar de Franse afdeling waar ik een boek vond met de titel De ballerina met de grote borsten.

  4. Nadat we tijdens het toetje door de schetterende schaterlach van een ­dame de tent waren uitgejaagd, besloten we er ergens nog een te nemen. “Ik opteer voor Hermes,” zei mijn vriend. We zaten in de Gerard Dou en moesten naar de Dusartstraat en dus staken we even later de Albert Cuyp over en belandden zo in het poortje van de Hercules Seghersstraat.

    Mijn vriend beschouwt dit als het lelijkste stukje Amsterdam hem bekend, maar dat kan ik niet met hem eens zijn. De architectuur valt inderdaad een beetje tegen, maar het poortje vind ik aardig en ook het speelpleintje erachter ­bevalt.

    We waren het poortje nog niet uit of er kwam ons een meisje tegemoet dat zich op een skateboard trekken liet door een klein zwart hondje, een moderne versie van de hondenkar waar wij alle twee nogal van opkeken. Op dat moment zagen wij de kat die ons vanaf een vensterbank in de gaten zat te houden.

    Het was zo’n kat die wat met je doet, zoëen die erom vraagt in poezentaal toegesproken te worden zal ik maar zeggen. Maar er zat glas tussen ons en de kat dus was het maar de vraag of ie ons zou horen en of ie wel antwoord geven kon.

    Intussen vertelde mijn vriend over de poezen die hij op zijn reisjes door Zuid-Oost Azië zoal ­tegenkwam, en die hij dan vroeg hoe ze aan die mooie bontjas kwamen en of ze wel hun best deden op de poezenschool.

    Als de poezen dan antwoord gaven, raakten de toegestroomde kinderen in vervoering, want dat poezen praten kunnen weten ze niet zo in die landen.

    Café Hermes bleek overigens gesloten en als je plassen moet, blijkt Wildschut plotseling een heel eind weg.

  5. Een ezelsoor dat geen ezelsoor is

    ‘Ik ben niet nieuwsgierig, maar ik wil graag alles weten.’ Dat hoorde je vroeger vaak en tegenwoordig nooit meer, vandaar dat ik het aardig vind het af en toe te zeggen. “Ik ben niet nieuwsgierig, maar ik wil graag alles weten,” zei ik tegen Masha, dertien, die in de eerste klas zit van Montessori Lyceum Amsterdam.

    “Jij zit toch op het MLA?” “Jazeker,” zei ze. “Hoe komt het dan,” vervolgde ik, “dat ik je nooit zie, terwijl ik toch vaak genoeg door de Pieter Hoochstraat fiets.” “Omdat wij nooit bij school blijven hangen,” zei Masha.

    “Waar gaan jullie dan heen?” vroeg ik. “Meestal naar het Museumplein,” zei ze. Daar had ik haar ook nog nooit gezien, maar het Museumplein is groot. “Waar op het Museumplein? ” “Op dat schuine dak bij de Albert Heijn, vlak naast de Badkuip.”

    “Weet je hoe dat schuine dak heet?” zei ik. Dat wist Masha niet. “Het Ezelsoor,” zei ik. “Waarom? Het lijkt helemaal niet op een ezelsoor.” “Dat doet het wel,” zei ik, waarna ik een boek pakte om het te demonstreren.

    “Gek wel,” zei Masha,” dat je op een ezelsoor dat geen ezelsoor is naar een badkuip zit te kijken die geen badkuip is.” “Heel vreemd,” zei ik.

    “Wat dacht je in dit verband van het rijtje Kevers, Snoeken, Eenden?” Daar dacht ze niks van, want ze had geen idee waarover het ging. “Een Kever,” zei ik, “is een Volkswagen, een Snoek is een Citroën DS en een Eend een Deux-Chevaux.”

    “Wist jij,” zei Masha, “dat Citroën gewoon Citroen heette, en dat hij zijn naam heeft veranderd omdat ze die in Frankrijk niet konden uitspreken.” Ik wist het, maar om Masha te plezieren had ik het liever niet geweten.

  6. Een korte omweg

    Op straat valt van alles te zien en te beleven. Je hoeft je huis waar nooit iets gebeurt, nou ja, je vindt wel eens een theelepeltje ­terug dat kwijt was, maar te verlaten en de dingen komen in beweging. Zouden de dingen stil staan als jij niet naar ze keek?

    Mijn geliefde is al eerder vertrokken. Ze is naar de kapper, maar als ze geknipt is, treffen we elkaar en daarom ga ik ook op weg.

    De klok lijkt een korte omweg toe te staan en zo beland ik in de passage van het Rijksmuseum, waar ik een man in een wit pak achterop rij die op zijn rug een enorme map meezeult.

    Er staan letters op, maar ondersteboven zodat ik ze niet zo snel kan lezen. Dus parkeer ik langs de stoeprand en laat de man die onder zijn last bijkans bezwijkt nog een keer passeren. ‘Small ­notebook’ lees ik.

    Bij Iris & Schrieck staat een enorme brandweerwagen in de etalage, zodat de man die naast me staat welhaast gek van begeerte wordt. Ik wil naar binnengaan als mijn telefoon gaat en mijn omweg drastisch inkort. ‘Rechtdoor/ naar school en kantoor’ is het nu.

    In de etalage van een Italiaans restaurant op de Elandsgracht, zie ik, staat een zeegroene Vespa en een eindje verderop, op een bankje voor een gesloten herenkapper, zit een vrouw de krant te lezen. “Ik herkende je niet,” zeg ik. “Naar de kapper geweest misschien?”

    Als we bij Libertine in de Wolvenstraat iets lekkers eten, zitten we tegenover een winkel die Closed heet, maar die wel degelijk open blijkt te zijn. En dat weet ik nog niet, maar op de gracht, om de hoek, staat een enorme zeegroene ijskast te wachten op ik weet niet wat.

  7. Marie schonk de glazen vol

    Marie ging, denk ik, elke dag even naar de kapper in de Lange Niezel. Op weg naar café Emmelot kwamen we elkaar vaak tegen, zij met een sjaaltje over haar vers gekapte haren. In het café zaten de vaste jongens te wachten.

    Zo herinner ik me Brabantse Willem die een sigarenwinkel dreef en altijd jarig was, de ­homoseksuele Zaandammer met een muts van imitatie astrakan op zijn kop, de voormalige legionair die tegen twaalven begon te exerceren om tegen enen in huilen uit te barsten, Lous die bij de Golden Crown werkte en Nelis natuurlijk die onder zijn betonnen vechtpet naast de jukebox stond.

    Als Nelis met de bouwvak ging, ging hij vissen in Djémèn. Ik voerde vaak lange gesprekken met hem zonder dat ik hem verstond. Wij kwamen een paar jaar bij Marie toen ze besloot dat er een nieuwe bar moest komen. Dat vonden wij niks. Van ons moest alles altijd hetzelfde blijven.

    Om het onheil af te wenden, richtten we de Marie Fan Club op. Wie lid werd, tekende automatisch de petitie ten behoud van de oude tapkast. Maar het mocht niet baten. Op een middag werd de bar vanaf de brug over de Voorburgwal feestelijk te water gelaten.

    Aan de nieuwe bar bleek het ook goed toeven. De dagen gleden er voorbij en niemand die ook maar een dag ouder werd.

    We zaten te ouwehoeren en Marie serveerde een balletje gehakt. Ze liet haar schaterlach horen en zette Dinah Washington op. We zaten te drinken en Marie schonk de glazen vol en vertelde dat ze op Zandvoort een caravan had gekocht. “Waarvoor?” wilden we weten. “Ach,“ zei ze, “je wilt wel eens wat anders.”

    In Memoriam Marie Louwerens (1931-2018).

  8. Maar Marie was anders

    Als café Emmelot op ­zaterdagavond vol zat, en met vol bedoel ik prop, stamp, afgeladen, als haringen en sardines zal ik maar zeggen, kwam onvermijdelijk het ogenblik dat Marie, die ­tamelijk gevuld was, en haar broodmagere zus Jos even verdwenen.

    Als ze terugkwamen droegen ze een bolhoed en Laurel en Hardy-maskers. Marie dat van Laurel en Jossie dat van Hardy. Na de staande ovatie klommen ze op de bar waar ze hun obscene dans uitvoerden die de menigte onherstelbaar uit zijn dak liet gaan.

    Wie het heeft meegemaakt, is nooit meer dezelfde geweest.

    Café Emmelot was zo’n café dat onder je huid kroop, en dat kwam niet door het café, want het was een café als andere, met een bar, een biljart, en een jukebox. Maar Marie was anders.

    Marie liet de Amerikaanse verlofgangers in dollars betalen om ons van het verschil te drinken te geven, Marie hield af en toe de jeneverfles hoog om de drank rechtstreeks in je mond te schenken tot ie overliep en als er stiltes vielen liet ze het dienblad vallen, waarna iedereen weer bij de les was.

    Intussen zat haar Piet op het dak bij zijn duiven, maar zodra het druk werd, kwam hij beneden om een oogje in het zeil te houden. Het was een kleine, donkere man die ik eens met het ondereind van een biljartkeu twee lastige reuzen de zaak heb zien uitmeppen.

    Marie hield van de Supremes en van Ray Charles, van Trini Lopez en Sam The Sham, van Tante Leen en Manke Nelis. Maar het meest hield ze van het singletje van Dinah Washington dat vele malen per dag te horen was: What A Difference A Day Makes (and the difference is you).

    (Wordt vervolgd)

  9. Wij hielden van Marie

    Wanneer ik café ­Emmelot betrad, hield ik me altijd aan de regels van een door mij zelf geschapen ritueel. Vlak achter de deur, in de hoek aan de kant van de Oudezijds stond een oude weegschaal, en hij staat er nog. De weegschaal was smal en hoog en had een gleuf waarin je twee centen gooien moest om gewogen te worden.

    Altijd als ik binnenkwam, ging ik op de schaal staan en gooide mijn twee centen, of waren het bij gebrek aan centen stuivers, in de gleuf, waarna er helemaal niets gebeurde. Want de weegschaal was sinds mensenheugenis kapot.

    Zoals ook de haan die boven de bar hing en die geflankeerd werd door de in tweeën gedeelde tekst ‘Als deze aan kraait, Piet// Geef ik krediet’ nooit kraaide. Niet dat Marie, de onlangs op 87 jarige leeftijd overleden uitbaatster van café Emmelot, nooit krediet gaf, het heette alleen niet zo. Het heette ‘ik schrijf het wel even op’.

    Vanaf het moment dat ik Marie voor het eerst zag, hield ik van haar, en dat gevoel is altijd gebleven, mijn Zeven Natte Jaren lang en ook in de jaren die volgden en ik nog maar incidenteel binnenviel om Marie vaak niet treffen.

    De vriend die ik al snel meetroonde naar Emmelot hield ook van haar. Wij hielden van Marie en Marie hield van ons. Als we aan de hoek van de bar, zij aan de ene kant en wij aan de andere, met zijn drieën zaten te drinken en te kletsen, kwam onvermijdelijk het heerlijke ogenblik dat Marie informeerde waar wij nu eigenlijk in studeerden.

    “In de beffologie zeker, hè?” En dan lachten we en schonk Marie de glazen nog eens vol en altijd van het huis.

    (Wordt vervolgd)

  10. Opgestoken parapluutje

    In de trein kwam er een meisje tegenover me zitten. Ze was een jaar of 6 en ze kon al een beetje lezen. Nog geen hele woorden, maar wel letters. “Kijk,” zei ze tegen haar moeder die naast me zat, “daar staat de M van Marlies.” Ze wilde weten welk woord er stond, maar haar moeder praatte er overheen, waarschijnlijk omdat er HOMO stond.

    Toen de conducteur de coupé betrad, zei de moeder: “Moest je de conducteur niet iets vragen?” “Waarom zijn er geen gordels?” zei Marlies tegen de conducteur. “Dat is een goede vraag,” zei de conducteur, met paniek in zijn ogen, want hij had geen idee.

    Ondanks dat begon hij een verhaal over mensen die vlug moesten kunnen uitstappen en dat dat niet kon als je een gordel om had, een slap betoog dat hij eindigde met de vraag: “En? Ben je tevreden met dit antwoord?”

    Marlies dacht heel even na en zei toen “nee”. Die liet zich niet met een kluitje in het riet sturen. Toen ik het station uitliep, bleek het te regenen, en niet zo’n beetje. “Akelig weer,” zei een man op de tramhalte. “De musea zullen wel vol zijn.” “Die zijn altijd vol,” zei ik. “Ja,” zei hij, “maar waarom heb ik nooit begrepen.”

    Tijdens de tramrit dacht ik na over zijn opmerking, maar ik kwam er niet uit. Op dat moment kwam er een jonge vrouw binnen met een opgestoken parapluutje, dat toen ze eenmaal binnen was een stuk groter leek te worden en nog veel groter werd toen ze het niet dicht bleek te krijgen. De hele tram bemoeide zich ermee, maar de paraplu weigerde.

    Die zou ik graag eens een strandstoel zien uitklappen, dacht ik toen ik uitstapte.