live

Klein geluk in Amsterdam: Een jaar of tien en op het oorlogspad

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Een jaar of tien en op het oorlogspad

    Op de hoek van de Pieter van der Does en de Admiralengracht, waar vroeger het zwembad was en nu een moskee is, kwam een groep meisjes aanlopen. De meisjes waren een jaar of tien en op het oorlogspad.

    De leider keek de gracht af en nadat ze had vastgesteld dat alles veilig was, geen vijand te zien, gaf ze het sein dat het groepje de Pieter van der Does kon verlaten en langs de gracht zijn weg kon vervolgen richting Erasmuspark, waar ongetwijfeld nieuwe avonturen wachtten.

    Het is zestig jaar geleden dat wij jongens hier op oorlogspad waren. Er is veel veranderd in de buurt, de gracht is rechtgetrokken, het park is van een wildernis in een park veranderd, de landjes zijn gefatsoeneerd, maar je kan nog steeds zien dat dit een fijne buurt was om op te groeien en dat het dat waarschijnlijk nog steeds is.

    Er zijn geen auto’s, dat is goed, er is overal water, dat is nog beter en er zijn hekken om overheen te klimmen, struiken om je in en achter te verstoppen en geheimzinnige tuinen die er om smeken in kaart gebracht te worden.

    Tussen het park en de sportvelden aan de Joos Banckersweg werd op een dag het rietland opgespoten. Niet veel later ontdekte Hans van Bronkhorst dat er kogels, echte kogels, in het zand te vinden waren. Als je zo’n kogel in je hand hield, glinsterde hij in de zon, je kon hem in een bankschroef klemmen en er dan met een hamer op slaan en als je hem maar hard genoeg tegen een muur gooide, kon hij zomaar met een knal ontploffen.

    Wij jongens vonden dat behoorlijk eng, maar Hans van Bronkhorst niet.

  2. Jij lekker eten maken, ja!

    Mijn oom Piet had geen auto en daarom gingen tante Gré en hij op zondag wel eens met ons mee voor een gezellig ritje over de oude Utrechtse weg of de nieuwe weg naar Den Haag. Tijdens zo’n rit viel van alles te beleven. Lekke band, radiator droog gekookt, benzine op, maar als we Amsterdam weer in zicht kregen, zei oom Piet: “Zullen we bij de Chinees gaan eten? Ik trakteer.”

    Mijn oom Piet was timmerman in de rosse buurt en heeft daar heel wat Chinezen verbouwd, waar hij dan een etentje te goed hield. Als we zo’n restaurant betraden, maakte zich grote opwinding van me meester, want groter feest dan eten bij de Chinees was er niet, maar tegelijkertijd voelde ik al de schaamte die zich zo dadelijk aan mij zou mededelen.

    Want ik wist wat er komen ging. Mijn oom Piet zou zich tot de ­Chinees richten die ons naar een ­tafeltje bracht en iets zeggen als: “Jij, Chinees, jij lekker eten maken, ja! Wij lekker eten op, ja?!” Ik kon wel onder tafel kruipen.

    Het gekke was, dat de Chinees het heel gewoon leek te vinden. Vijf en zestig jaar later kan ik mijn schaamte nog navoelen. En toen las ik uit zo’n kastje Tai-Pan van James Clavell, een vuistdikke roman over de begindagen van Hong Kong. In dit boek zeggen de Engelsen en Chinezen dingen tegen elkaar als: “Cow chillo out! Plenty quick-quick, savvy?” of “Plenty easy. Why for you say no can. Can?”

    De Engelsen spraken geen Chinees, de Chinezen spraken geen Engels. Om met elkaar te kunnen praten, spraken ze Pidgin. Mijn oom Piet was er niet op uit de Chinees te kleineren. Hij sprak een taal.

  3. Fraai gezelschap

    Bakkerij Le Fournil de ­Sébastian op het Olympiaplein is niet ‘open’, maar ‘ouvert’ en binnen blijk je een ‘tradition’ te kunnen kopen, net als bij de bakker in ­Parijs. Als ik wil betalen, moet ik mijn vijf euro biljet in een gleuf steken, waarna het wisselgeld rinkelend in een bakje valt. Dat is ook al net Parijs, waar je op deze manier je metrokaartjes koopt.

    Als ik met mijn stokbrood buiten sta, denk ik aan Lonneke, die hier op zaterdagmiddagen van lang ­geleden in een bloemenwinkel werkte. Lonneke woonde aan de andere kant van de Bos en Lommer, in het buurtje rond de Wiltzanghlaan, waar de avontuurlijker leeftijdgenoten woonden.

    Aan ­onze kant van de Bos en Lommer waren we allemaal keurig en ­deden we alles zoals het hoort. We gingen naar de middelbare school en naar de kapper en droegen trouw de kleren die onze moeders voor ons klaarlegden.

    Maar Lonneke en Ietske en Ria, die aan de andere kant woonden, hadden daar maling aan. Die gingen naar de mulo of de huishoudschool en lieten hun haar millimeteren of verfden het rood. Aan sport hadden ze een broertje dood en ze lazen geen boeken, maar schilderden hun ogen op en maakten schilderijen.

    Lonneke drukte regelmatig bij ons op de bel en als ik dan naar beneden was gekomen, bleef ze voor de deur rustig een uurtje met me staan kletsen. “Wat was dat?” zei mijn vader nadat hij ons een keer zo in gesprek had aangetroffen. “Dat was Lonneke,” zei ik. “Fraai gezelschap,” zei hij.

    Toen ze bij de bloemenwinkel weg was, ging Lonneke trouwen en in Osdorp wonen. En in tegenstelling tot wat je zou verwachten, smaakte de ‘tradition’ van Le Fournil naar Parijs.

  4. Bedevaart naar het verkeerde huis

    Iemand vertelde me dat op het adres Schilderskade 66 een gedenktekentje was aangebracht met de tekst ‘66 Van Egters’. De laatste keer dat ik er was, was het er nog niet. Vrijwel ieder jaar fiets of wandel ik wel een keer naar het huis en denk dan aan de jonge Gerard Kornelis van het Reve die op zijn kamertje De Avonden zit te schrijven.

    ‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de twee en twintigste December 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van ­deze geschiedenis, Frits van ­Egters, ontwaakte,’ schreef Gerard en uit deze zin komt dan het hele wonderbaarlijke boek tevoorschijn, dat wij van de club ieder jaar in tien sessies, te beginnen op 22 december herlezen.

    Tijd om weer een keer op bedevaart te gaan, maar eerst langs de Gerard Revebrug om te kijken of ie nu Gerard Revebrug heet. Dat bleek het geval, maar blij werd ik er niet van, want in plaats van mooie letters op de brugleuning hadden ze er zo’n blauw straatnamenbordje aan gehangen. Het moest weer eens op een koopje, net als met de loopplank in Nieuw-West die ze naar Karel van het Reve hebben vernoemd.

    Bij Schilderskade 66, dat zich ­zoals iedereen weet op de hoek met Saffierstraat bevindt, stapte ik af en ging op zoek naar het ­gedenkteken. Ik keek omhoog, ik keek omlaag, ik ging de hoek om, de Saffierstraat in, maar nul komma niets, geen gedenkteken te bekennen. Hoe dit verklaren?

    En plotseling was daar de twijfel. Was het mogelijk, zou het kunnen, had ik al die jaren een bedevaart naar het verkeerde huis gemaakt?

    Dat gedenkteken, dat blijkt er ook al veertien jaar te zitten.

  5. Fijn veel opticiens

    We zouden naar de film, maar nadat mijn geliefde de ­deprimerende samenvattingen had voorgelezen, besloten we lijn 1 te nemen. In de 1 wordt de stad steeds groter.

    Bij de halte Johan Huizingalaan al kon ik er niet over uit dat ik hier helemaal gewoond had. Wat een ongehoord eind fietsen moet dat zijn geweest, en bij deze halte ben je nog niet eens halverwege geloof ik.

    We wilden naar het eindpunt, dat zich naar mijn beste weten aan de Sloterplas bevond, maar zich uiteindelijk op Matterhorn bleek te bevinden, bij de Alpen.

    Toen we uitgestapt waren, was er ter plekke helemaal niets, zodat we de eerste 1 terugnamen, om nu uit te stappen bij Meer en Vaart.

    De Sloterplas lag er prachtig bij. De fontein spoot zijn waterstraal zo hoog als ie kon en de plas was als een donkere spiegel. We staken over en liepen het winkelcentrum binnen. Prima winkelcentrum, ­alles bij de hand, van Etos tot Hema en fijn veel opticiens, precies zoals het hoort.

    Maar bij het Osdorperplein raakte de fut eruit. “Is dit wel de weg naar de roem?” hoorde ik naast mij verzuchten, waarop we op ­onze schreden terugkeerden en plotseling voor de etalage stonden van Chocolaterie Stam.

    Er werd ‘heerlijk zachte roomboterborstplaat’ aangeprezen en in de etalage lagen enorme marsepeinen bloedworsten, roze biggetjes en pikzwarte mannetjes met malle mutsen op.

    Mijn aandacht werd getrokken door een snoepjesboeket. Prachtig, maar hoe heetten die snoepjes ook alweer? “Ik ga het even vragen,” zei ik.

    Nadat ik mijn vraag gesteld had, opende de vriendelijke verkoopster haar mond, maar geluid kwam er niet uit. Ze was haar stem kwijt, Daar stonden we dan, in Osdorp, bij Stam, en bijna Sinterklaas.

  6. Mooie schemering, fijne stad

    Het schemert in de Spiegelstraat. Het blauwe uur is net begonnen en de achterlichtjes van de fietsen vlammen in het halfduister. Bij iedere brug kijk ik de gracht af, over het rimpelende water, langs de bomen en de gevels. Mooie schemering, fijne stad.

    Ter hoogte van Heuvel besluit ik er een te nemen. Lang geleden dat ik hier voor het laatst was. Peter Vos leefde nog, want met hem heb ik toen zitten praten.

    De jeugdige kastelein schenkt een borrel in. De andere klanten zitten aan het bier. Vanaf mijn barkruk zie ik aan de ene kant de feestverlichting in de Spiegelstraat en aan de andere de lichtjes in de bomen langs de Spiegelgracht. Alle Amerikanen die hier zitten, gaan vergezeld van een Aziatische vriendin, Thais, Philippijns, Indonesisch. Wonderlijk, denk ik, maar zin me er verder in te verdiepen, heb ik niet.

    Het jonkie smaakt weer goed vandaag, zo goed zelfs dat ik overweeg een opvolgertje te nemen. Gelukkig heb ik al betaald, dit om opstappen gemakkelijker te ­maken.

    Op de brug over de Singelgracht kijk ik naar het woord HEINEKEN dat in de verte in neon boven het water zweeft, terwijl uit een andere verte Vivaldi’s Lente naar me toe komt drijven. De vier muzikanten zitten in de passage onder het Rijks, en het aardige is dat er een accordeon bij is. Het licht in de passage komt van de flitsende mobieltjes.

    Weer buiten kijk ik over de vlakte van het Museumplein, waar ze ­alweer druk bezig zijn het nep-­ophaalbruggetje over de ijsbaan op te bouwen. Het is doodstil en door de stilte loop ik langs een kaarsrechte streep van witte tegels over het kaarsrechte pad dat het plein in tweeën deelt.

  7. Van rookvlees tot beenham

    Dat er op zaterdag niet warm gegeten werd, maar brood, een ­Amsterdamse gewoonte waarvan ik niet weet of die nog bestaat, was een van de dingen die de zaterdag tot de mooiste dag van de week maakte.

    Op zaterdag ging de school om twaalf uur uit en het laatste uur werd er niet gewerkt, maar was er een wedstrijd hoofdrekenen of werd ons voorgelezen. Een saai verhaal vaak, maar dat maakte niet uit, want bij saaie verhalen kon je heerlijk wegdromen, wat bij een spannend verhaal een stuk moeilijker is.

    Dan kwam het heerlijke ogenblik van de bel. Twaalf uur en vrij, de hele dag nog voor je. Als mijn ­vader uit zijn werk kwam, stond mijn moeder hem voor de deur op te wachten en terwijl hij de laatste trap beklom, zei ze: “Ben je krakas?”

    Waar mijn vader altijd om moest lachen om vervolgens het doorzichtige loonzakje uit de binnenzak van zijn jas te halen en aan mijn moeder te overhandigen, die het zakje tussen haar vingers zachtjes kraken liet.

    Om een uur kwam de leesmap. Heerlijk ogenblik dat je languit op je buik gelegen de nieuwe Robbedoes opensloeg om te kijken hoe het verder ging met Lucky Luke, de Baard en de Kale, Buck Danny en de cowboy van wie ik de naam vergeten ben.

    ‘s Avonds waren er twee soorten brood en allerlei beleg, van rookvlees tot beenham, de boter met een mesje erin gestoken op een schaaltje. Soms bakte mijn moeder zelfgemaakte kroketten die een heerlijke geur verspreidden in huis.

    En om acht uur hoefde ik niet naar bed, maar mocht ik ­samen met mijn vader en moeder naar de radio luisteren, naar De Veilingmeester en Cees de Lange met zijn koe en alles wat daarna kwam.

  8. Zij zong Favourite Things

    Omdat we iets te vieren hadden, zaten we in restaurant Amsterdam aan de haring, de oesters, de kroketjes, de krab en de kreeft en de Bourgueil. De drukte was als vanouds en de verhalen aan tafel mochten er zijn, zo zeer hadden we het naar onze zin dat we vast voor Kerstmis reserveerden.

    “Hebben jullie een kerst­menu?” wilde een van ons weten. Dat niet, zei de vriendelijke serveerster, alles was eigenlijk hetzelfde, alleen veel drukker en met een heel grote kerstboom.

    Neuriënd vertrok ik voor een plasje, waarvan ik zingend terugkeerde. Op weg van de wc’s naar de tochtdeuren waarachter je het restaurant kon horen roezemoezen, werd ik ingehaald door ander gezang. “Wat zingen we mooi,” zei de dame die naast me kwam ­lopen. “Samen wordt het nog wat,” zei ik.

    “Wat zong jij?” zei ze. Ik zong Marina, zoals Rocco Granata het zingt als hij het samen met Arno zingt, tenminste dat verbeeldde ik me. Zij zong Favourite Things, dat zong ze vaak, ook op straat, met als gevolg dat mensen haar vaak voor gek versleten. Waarin ik wel iets herkende.

    Eenmaal voorbij de tochtdeuren keerden we terug naar onze tafeltjes. Maar toen zij vertrok kwam ze nog even buurten. “Toen onze dochter 10 werd,” zei ik, “zijn we met tien kinderen naar de Sound Of Music geweest. Toen Fräulein Maria terugkwam van weggeweest en Favourite Things begon te zingen, je weet wel, keek ik de rij kinderen af, en verdomd, ik was de enige die zat te huilen.”

    “Sound Of Music,” zei Angela, “was de eerste film die wij in Zimbabwe zien mochten. Toen we buiten kwamen, werd er een meisje doodgereden. Omdat ze op de stoep liep. Want op de stoep lopen, mochten we niet.”

  9. Simons bril staat er prachtig op

    Ik fietste langs het Sarphatipark toen me om de een of andere reden het Kronkelpad te binnen schoot. Meteen wendde ik de steven en ging het richting Weteringschans.

    Ik had het pad op de kaart gezien en was benieuwd of het kronkelde. Het was niet gemakkelijk te vinden, maar uiteindelijk kreeg ik het in het vizier. Het ligt in het Weteringplantsoen langs de Singelgracht en kronkeltechnisch stelt het niet veel voor.

    Eigenlijk is het vrijwel recht, zodat je je kunt afvragen waarom het Kronkelpad heet.

    En op dat moment zag ik het borstbeeld van Simon Carmiggelt staan. Mooi beeld, vooral Simons bril staat er prachtig op, maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is dat Carmiggelt hier vroeger woonde, aan het Eerste Weteringplantsoen, en dat hij daar zijn dagelijkse Kronkel schreef, en vandaar dus Kronkelpad, je moet er maar opkomen.

    Die Kronkel stopte hij ’s avonds in een busje dat aan de gevel hing en dat op ­zeker moment geleegd werd door iemand van de krant die er vervolgens voor zorgde dat de Kronkel eerst op de redactie en daarna in de krant kwam.

    Ik herinner me dat Tim Krabbé lang plannen heeft gesmeed om de Kronkel in dat busje een keer te vervangen door een Kronkel van eigen hand. Het was een fijn plan, maar er waren enige complicaties. Ik keek om me heen en spotte toen vlak bij het borstbeeld van Carmiggelt de bosjes waarin Annie M.G. Schmidt en Renate Rubinstein zich verscholen hielden toen het beeld onthuld werd.

    Tiny, de weduwe van Carmiggelt leefde nog en had Renate die zo lang een verhouding met haar man had niet uitgenodigd. Daarom ging Renate toen maar in de bosjes zitten.

  10. Je lachte eens naar elkaar

    Het is dit jaar vijftig jaar geleden dat De Vervalsers van Theo Kars verscheen. Om het te vieren verschijnt vandaag een herdruk van de roman, waarin Kars de oplichterspraktijken ­beschrijft die er toe leidden dat hij twee jaar gevangenisstraf kreeg. Plus de tijd om zijn boek te schrijven.

    Voor de gelegenheid heb ik het herlezen en het beviel me zoals het me vijftig jaar geleden beviel. Kort na het verschijnen had ik een afspraak met Theo die toen op een kamer in de Reguliersdwarsstraat woonde. Niet zonder trots liet hij me zijn boekenkast zien die erg klein was. “Meer dan veertig boeken heb je niet nodig,” zei hij.

    Nadat we Montherlant, Vailland, Graham Greene besproken hadden, gingen we naar het Rembrandtplein waar hij me op het terras van Monico uitlegde hoe je het moest aanleggen een vrouw te verleiden.

    Hij had daar een tot in details uitgewerkt scenario voor, zo bleek. Ik hoorde zijn uiteenzetting met een enige verbazing aan. Ik had altijd gedacht dat het allemaal van zelf ging. Je zag een leuk meisje, zij zag jou, je lachte eens naar elkaar en voor je het wist, was je waar je wezen wou.

    Maar zo was het niet, zei Theo. Het ging er om de juiste dingen te zeggen en te doen. Zo moest je­ ­tegen meisjes zeggen dat je een hekel aan voetbal had.

    Dat vond zo’n meisje dan zo bijzonder dat ze jou ook bijzonder vond. Ik vroeg meiden vaak of ze zin hadden om zondag mee te gaan naar voetballen en daar zeiden ze zelden nee tegen, maar volgens Kars was dat dus fout.

    Hoe meiden reageerden op de bokswedstrijden die ik met ze ­bezocht, heb ik hem nooit verteld.