live

Klein geluk in Amsterdam: Waar zijn de soldaten heen

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Waar zijn de soldaten heen

    Afgelopen winter vroeg een deelnemer aan een tennistoernooi mij waar we na afloop gingen eten. “In Amsterdam,” zei ik.

    “Ja,” zei hij, “maar waar?”

    Zelf kreeg ik laatst een uitnodiging voor een etentje bij Cradam. Cradam? Toen het muntje was gevallen, dacht ik terug aan de Kadi. Tijdens mijn opleiding in het militaire leger stond er iedere week een dag velddienst op het menu. Dat was een dag die je rennend doorbracht met 25 kilo op je rug en geweer in je handen.

    We renden door bos en door hei, over rulle zandpaden, door zandverstuivingen en meertjes. Heel verfrissend allemaal. Maar omstreeks half een werden onze exercities onderbroken. Want wat heeft de soldaat op zijn brood? Recht. De soldaat heeft recht op zijn brood. Zo zit dat.

    En als je je dan neervlijde op de heide stond daar het wagentje van de Kadi. Hoe het wist waar je was, weet ik niet, maar het wist het en het was er. Het wagentje van de Kadi verkocht een soort koffie en thee alsmede pennywafels, dennekoeken, rondo’s en beroepskoeken. Alles een dubbeltje als ik me goed herinner.

    ’s Avonds waren er soms voorstelling van de DWL (Dienst Welzijnszorg Leger) in de kazerne. Daar heb ik een keur van artiesten zien optreden, aangekondigd door Peter Piekos of Frans Vrolijk met een helm op hun kop. Het leukst was Ria Valk. Zangeres Conny van den Berg verscheen eens geheel in het zwart en begon ‘Waar zijn de soldaten heen/ waar zijn ze gebleven?’ te zingen.

    Zevenhonderd dienstplichtigen kwamen als één man overeind en brulden “Hier trut. Heb je geen ogen in je kop? Ga je poes begraven.” En op de koele kadi liep de kale koelie met een kilo kali op zijn kale koeliekop.

  2. Gewoon, Alies uit Appingendam

    Omdat het vandaag precies 80 jaar geleden is dat de Herenkapper met de sanseveria’s in de Ferdinand Bolstraat zijn deuren opende, vervoegde ik me er voor een knipbeurt.

    Veel slingers en ballonnen natuurlijk, de eerste tachtig klanten gratis en tompouce toe. Voor Alies uit Appingedam die onder het knippen vaak zo gezellig met me praat, maakte het geen verschil. Ze was gewoon Alies uit Appingedam, zoals ze altijd is.

    “Ik zal het maar eerlijk zeggen,” zei ze nadat ik in de stoel had plaats genomen, “de twee boeken die u hebt geschreven en die u me cadeau hebt gedaan, heb ik aan mijn moeder gegeven. Ze heeft ze gelezen, en nou, ze vond ze waardeloos. ’Dat kan iedereen,’ zei ze, ‘dat heb ik ook allemaal meegemaakt.’” “Ik hou nu al van haar,” zei ik. “Ja,” zei Alies, “met haar hoef je ook nooit te vervelen.”

    “Tachtig jaar,” zei ik, “dat is een hele tijd. Ik herinner me dat ik hier als kleine jongen wel eens langs kwam.” ”Dan hebt u mijn vader misschien gekend,” zei Alies.

    “In Suriname verkocht mijn vader vliegers en schaafijs, maar in ­Nederland was daar niet zo’n markt voor. Toen is ie kapper geworden. Hij stond een paar stoelen verderop, naast een klein dik mannetje. Zelf was hij lang en dun.”

    “Ik kwam hier niet langs om ­geknipt te worden,” zei ik, “maar met de tram.” Naar de kapper ging ik bij kapper de Boer in de Marieken van Nimwegenstraat. Op ­zaterdagmiddag. Dat kostte een kwartje geloof ik en dan werd je door een oude man met een handtondeuse hardhandig opgeschoren. Au.

    Nadat ik mijn tompouce had opgegeten, rekende ik af en ging weg. “De groeten aan je moeder,” zei ik. “Doe ik,” zei Alies.

  3. Kale kop en kippennek

    Alles wordt wel duurder maar niet goedkoper zei Gerard Reve lang geleden en nog steeds heeft hij gelijk. Bij de visboer stond ik naast een man die klaagde dat de vis steeds duurder werd betaald, van pieterman tot sprot, van heek tot spiering, duivel, wolf en griet.

    “Je moet niet klagen, maar beter opletten,” zei de visboer. “Hoezo?” zei de man. “Nou,” zei de visboer, “de haring is goedkoper geworden.” En verdomd, kostte een haring vorige week nog tweevijftig, nu was dat tweedertig geworden.

    We worden wel ouder maar niet jonger. Ook dat is nog altijd waar. ‘Je ziet het aan hun handen en hun ogen,’ schreef ik op mijn dertigste of daar omtrent.

    Tegenwoordig heb je aan kale kop en kippennek genoeg om te zien dat het een aflopende zaak is. Het klaaguurtje dat aan alles vooraf gaat wordt steeds langer en als de klachten zich beperken tot PHPD heb je mazzel.

    En dan ons tennis, laten we het over ons tennis hebben. Zo kort geleden nog maar joegen we de bal meedogenloos in alle hoeken, plukten we hem hoog uit de lucht voor een smash en werden we gevreesd om onze dodelijke volleys.

    Als de dag van gisteren herinner ik me het toernooi waarin Jan en ik bijna de finale haalde door op het nippertje van twee topfitte dertigers te verliezen.

    En nu? Voorbij, voorbij, voorgoed voorbij. We zwaaien onze rackets, maar strompelen machteloos heen en weer op zoek naar de rally die maar niet komen wil.

    Het regent dubbelfouten en de pauzes tussen de games duren inmiddels langer dan de games zelf. “Dat weten jullie niet,” zei Jan, “maar ik heb een video gemaakt en na afloop gaan we die bekijken en daarna uitgebreid analyseren.”

  4. Eten en drinkelen

    Langs de spoordijk fietste ik over de Archimedes-laan. Een paar jongetjes waren bezig een hut te bouwen, een citroenvlinder fladderde een eindje met me mee en bij kinderboerderij de Werf stond een meisje het schaap te aaien. Af en toe kwam er een trein voorbij.

    Bij Zeeburgia kon ik niet verder of in ieder geval, zo leek het. Ik kom niet vaak in deze streken, maar ik wist dat ik als rechtdoor bleef gaan aan de Valentijnkade kwam, want daar heb ik eens een tennistoernooi gespeeld.

    Eenmaal op de kade zag ik in de verte een huttendorp. Jongensland? Hoe vaak heb ik me niet voorgenomen daar eens een kijkje te gaan nemen. Al was het maar omdat je er misschien wel een stempel in je paspoort krijgen kon, maar nu ik vlakbij was, fietste ik door.

    Langs de Tie Breakers, tot de hoek waar ik achter een hek Joodse grafstenen ontwaarde. Een uitloper van het Jodenmanussie bleek na enig speurwerk.

    Een eindje verderop, bij Buurttuin Valentijn, stond zo’n ouderwetse ANWB paddenstoel. De ene zijde wees ‘Flevopark, Oost Indisch Groen, Zwembad’, de andere ‘Flevopark, Het gemaal, Jeugdland, Tennisbaan’. Jeugdland? Wat is er mis met Jongensland?

    In het midden van de kade dreef een vlot waarop een meerkoet nestelde. Op de hoek van de Linnaeuskade en de Middenweg stak ik over naar de Transvaalkade. Op een zijmuur van de Hema las ik: ‘Wonen en winkelen/ Eten en drinkelen’, wat er niet stond, maar wat ik wel las.

    Aan het einde van de Valentijnkade zag ik plotseling drie kamelen lopen. Een van de drie kamelen liep in zijn eentje een eindje voor de andere twee uit. Drie kamelen op een viaduct, in Oost. Ik stapte af om mijn ogen beter niet te kunnen geloven.

  5. Lekker in het zonnetje

    De Archimedesweg kwam als een verrassing. Frivole gebouwen met torentjes en tuintjes, erkers en balkons en camelia’s die net aan het uitvallen waren. Op een bankje in een tuintje voor haar huis zat een oude dame lekker in het zonnetje.

    Normaal gesproken zou ik het niet in mijn hoofd halen om oude dames die op een bankje in het tuintje voor hun huis lekker in het zonnetje zitten lastig te vallen, maar als het om een Kleingelukje gaat, gaat geen zee me te hoog. Dus meldde ik me na een paar omtrekkende bewegingen aan haar hek om te zeggen hoe mooi ik de straat wel niet vond.

    De dame was het helemaal eens. “Hoe lang woont u hier al?” zei ik. Vijftig jaar, en ze was 88. Eenmaal aan de praat vertelde ze me over haar achtertuin die vroeger een spoowegtuintje was geweest waar mannen van het spoor groenten verbouwden. “Maar op een gegeven ogenblik is het spoor daar mee opgehouden en konden wij het huren. Voor vijf gulden per jaar. Nu is het 85 euro. Nog niet duur.”

    Als kind had ze al in de Watergraafsmeer gewoond, vertelde ze. “Op zondag gingen we de ene week naar Ajax en de andere week uit wandelen. Mijn vader was bouwkundige en wist van alles van over de huizen. Welk huis je niet moest kopen bijvoorbeeld.”

    “En de andere zondag naar de Meer,” zei ik. “Nee,” zei de oude dame, “die bestond toen nog niet. We gingen naar het oude stadion. Dat stond waar nu het Christiaan Huygensplein is. Een houten stadionnetje.”

    Van dat stadion had ik nog nooit gehoord. “Hoe heette het?” vroeg ik. De oude dame dacht even na en zei toen “Het Ajax stadion.”

  6. Bewoners van de Transvaalbuurt

    Vlak voordat ik de rivier overstak, zag ik in een etalage aan de Ceintuurbaan een kleine Solex staan. Geen schaalmodel, maar meer een kindersolex, als die al bestaan.

    Ik stopte om een en ­ander nader te bekijken, maar wat betreft de minisolex werd ik weinig wijzer. Wel wist ik de etalage bij een kapperszaak hoort die gedreven wordt door Salvatore Zeno.

    Zeno, las ik, op zijn ‘Bediende diploma Herenkappersvak’ werd op 2 juli 1950 in Napels geboren en haalde zijn diploma in Loosdrecht, op 15 oktober 1978. Een leven in de notendop, zou ik zeggen, alleen die Solex kan ik niet goed plaatsen.

    Een opgeheven halte later stak ik de rivier over. Ik was van plan naar het Muiderpoortstation te gaan om vandaar de spoordijk te volgen. Maar toen ik langs het Iepenplein fietste en daar in de verte het treinviaduct zag, stelde ik mijn plannen bij. Eerst de spoordijk naar het Muiderpoort, dan zag ik wel weer verder.

    De spoordijk ligt aan de Tugelaweg en langs het talud loopt een laag hek waarop ik letters ontdekte die woorden maakten die deel uitmaakten van een vers, een vers over de Transvaalbuurt.

    ‘Een wijk waar geknikkerd werd en diefje met verlos gespeeld touwtje gesprongen/ waar het sabbatsmaal op vrijdag het hart van alles was familie en kippensoep warme drukte en snoepgoed/ een wijk waar je bij de winkels op de lat kon kopen/ en waar men elkaar hielp ondanks de armoede’.

    De naam van de schrijver zag ik niet, maar het mooie vers is van K.Michel zag ik op internet. Ik had inmiddels de Polderweg bereikt en dacht aan de bewoners van de Transvaalbuurt die hier vandaan zijn weggevoerd. Eerst naar Westerbork, vandaar naar de dood.

  7. Japie had prachtige verhalen

    Wat me opviel in de bus van Zaandam naar het Centraal Station was dat ­alles onderweg zo meedogenloos lelijk was.

    De Zaandamse ­Wibautstraat met zijn oude nieuwbouw en versteende voortuintjes, de industriewijken aan de rand van de stad, de parkeerplaats bij voetbalclub de Zilvermeeuwen, zelfs het partycentrum maakte een troosteloze indruk. Pas toen ik bij vlagen het IJ kon zien, ging het beter.

    Op een grote loods stond ‘euro 15-10 dozen medium’, een mededeling waarmee je voor de dag kunt komen. Nadat ik bij de Schreierstoren was uitgestapt, nam ik de Oudezijds Kolk, achter de Sint Nicolaaskerk langs.

    Overdag is het hier merkwaardig stil. Het verkeer op de Prins Hendrikkade hoor je niet en de Zeedijk laat zich niet horen. Ik loop hier graag, temeer daar het vervolg van de wandeling zich al begint af te tekenen.

    Eerst de Zeedijk oversteken en je dan afvragen waar Tattoo Pete ook alweer zat. Hier, in de Nieuwe Brugsteeg, waar ook café Schagen zat of toch in het Wijngaardsstraatje?

    Op de hoek met de Oudezijds Voor zat in ieder geval café Montparnasse, nu café de Hartjes, waar Kees van Beijnum eens een gezamenlijk te schrijven boek over de Buurt van start wilde laten gaan middels een uitgebreid interview met Japie.

    Japie was het factotum van Montparnasse, en van de meisjes die de naburige ramen bevolkten. Japie had prachtige verhalen die hij prachtig kon vertellen, maar nadat Van Beijnum de knop van de bandrecorder had ingedrukt, zei Japie niks.

    Het enige wat hij deed, was rillen en beven en zweten. Bier hielp niet, een koetsiertje hielp niet en “morgen nog een keer proberen?” ook niet. “Nee,” zei Japie. Het was zijn bijdrage aan een niet geschreven boek.

  8. Zo'n klein Fiatje

    Harry Mulisch, van ‘telefoon voor meneer ­Mulisch’, u weet wel, kon tot zeven cijfers achter de komma nauwkeurig voorrekenen hoe groot de kans was dat negenenveertig mensen op een bepaald ogenblik samen in de 7 door de Leidsestraat reden.

    Hoe groot de kans was dat ik twee weken nadat we elkaar voor het ontmoet hadden samen met Inez van Eijk in een taxi van Hilversum naar Amsterdam belandde, weet ik niet, maar het gebeurde.

    Op het etentje van het dispuut waarvan ik deel uitmaak en waar we samen hadden aangezeten, was zo het een en ander gedronken en zij had zich zorgen gemaakt of iedereen wel veilig thuis was gekomen.

    “Natuurlijk,” zei ik, “niemand die nog dronken in een auto stapt en bovendien, bijna niemand van ons heeft een rijbewijs.”

    Inez had wel een rijbewijs en dat had ze al in de tijd dat het nog heel gewoon was dat mensen met een slok op in de auto stapten. “Ik had zo’n klein Fiatje,” zei ze, “met een linnen dak en daarmee ben ik na een paar glazen sherry, onvoorstelbaar, maar dat dronk je in die tijd, een keer over de kop geslagen. In de Leidsestraat.”

    Van schrik minderde de taxichauffeur vaart. Hij kon zijn oren niet geloven, ik ook niet. Het was een heel verhaal, met stoplichten, een aanrijding en politie die, en dat was de pointe van het verhaal op geen enkele manier had onderzocht of er drank in het spel was.

    “Wanneer was dat?” zei ik. Het was in 1962 of daaromtrent. In de tijd in ieder geval dat mijn vriend een witte Chevrolet Impala ­bestuurde, waarin we een zomer lang iedere zomeravond met open dak de Leidsestraat op en neer ­reden.

  9. Miljoenen zwenkwieltjes

    Een tijdje terug heb ik eens beschreven hoe ik uit de krochten van mijn ­geheugen het woord ‘Schuko’ opdiepte.

    Wat ik er toen niet bij kon vertellen, was dat een al wat oudere man, iemand van mijn leeftijd zal ik maar zeggen, zich door mijn stukje plotseling herinnerde dat hij in een kast op zolder nog een paar Schuko’s had staan, en dat hij, nadat hij ze had gevonden de hele middag met zijn auto’tjes had zitten spelen.

    Zelf kreeg ik een paar weken geleden een walsje van Dinky Toys opgestuurd. Het was hetzelfde walsje als het walsje dat mijn ­vader in 1948 voor me meegebracht had uit Londen. Ik was toen 5. Zeventig jaar later hield ik het walsje in mijn hand. Groen, met rode wielen, een rode stip op zijn neus en een geel mannetje om het te besturen.

    Omdat we iets te vieren hadden, had ik dezelfde dag van mijn geliefde een piepklein zeilbootje gekregen, een blauw kajuitjachtje met een groen kajuitje en een blikken zeiltje met een zwarte A erop. Uit de boekenkast had ik het zilverkleurige Dakota’tje gepakt dat daar al jaren staat en de drie vervoermiddelen had ik in een kring op tafel gezet.

    Ik had het walsje een zetje gegeven en terwijl hij een kaarsrecht stukje over de tafel reed, herinnerde ik mij ineens dat het een zwenk­wieltje had. Ik pakte het walsje van de tafel en controleerde of mijn geheugen mij niet ­bedroog, maar het was waar. Na zeventig jaar had het walsje zijn zwenkwiel terug.

    “Ons geheugen zit vol zwenkwieltjes,” zei de vriend die ik het verhaal verteld had. “Duizenden, honderdduizenden, miljoenen zwenkwieltjes. We zijn ze vergeten, maar ze zijn er. De vraag is, hoe vinden we ze terug?”

  10. Overal vlaggen

    April, de aanloop naar de meidagen, is de maand van verhalen. ‘Kom vanavond met verhalen’, dichtte Leo Vroman lang geleden. We luisteren naar hem en verhalen hoe de oorlog is verdwenen.

    Op de expositie Rapenburgerstraat 1940-1945 in het Stadsarchief werd ik aangesproken door Jo Robles. In mijn boek bij de ­expositie schreef ik dat Hijman Robles en Celina van Cleef een kind zouden hebben gehad dat de oorlog zou hebben overleefd en nu stond dat kind, iets ouder geworden, voor me.

    Jo Robles kwam via boek en ­expositie te weten dat hij op 10 ­augustus 1942 niet in het huis van zijn grootmoeder was geboren, maar in de Rapenburgerstraat, op nummer 16 driehoog voor. Zijn ­vader, Hijman Robles, drukker van beroep, werd op dinsdag 7 juli 1943 naar Sobibor gedeporteerd en daar op 10 juli 1943 meteen na aankomst vermoord.

    Celine van Cleef en haar zoontje werden in maart 1944 opgepakt en naar de Hollandsche Schouwburg ­gevoerd. Celine van Cleef werd op 24 maart 1944 naar Westerbork ­gedeporteerd en vandaar op 5 april 1944 naar Theresienstadt.

    Jo Robles, toen anderhalf, werd uit de crèche gered en naar een onderduikadres in Zaandijk ­gebracht. Na verraad kwam hij voor de tweede keer in de ­crèche van de Hollandsche Schouwburg en voor de tweede keer werd hij bevrijd en naar een onderduikadres gebracht, deze keer in Purmerend. Na de bevrijding werd hij met zijn moeder herenigd.

    Later die avond ontmoette ik Ben Manasse die in 1943, hij was toen 4, was ondergedoken. Toen hij op 5 mei 1945 weer op straat kwam, zag hij overal vlaggen wapperen. Voor hem dacht hij, want die vijfde mei 1945 vierde hij zijn zesde verjaardag.