live

Klein geluk in Amsterdam: Ces beaux jours

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Ces beaux jours

    Toen mijn vriend Mels de Jong 60 werd, vertelde hij me dat hij zo ontzettend graag tien jaar jonger zou zijn geweest, want dan had ie tien jaar extra tijd gehad. Een raadselachtige redenering, dacht ik, terwijl ik bedacht hoe jammer ik het vond dat ik Mels niet veel eerder had ontmoet.

    Het is heel gek, maar de meeste mensen leer je kennen op precies het juiste ogenblik. Toen ik 9 was, kwam Hans Ree bij me in de klas te zitten, prima, op mijn 16de ontmoette ik Tim Krabbé, kan niet beter, en zelfs over het tijdstip waarop ik mijn geliefde leerde kennen, ben ik dik tevreden, hoewel ik het in haar geval niet erg gevonden had als het een jaartje eerder was gevallen.

    Mels was een erudiete en geestige man, aardig, maar tegelijkertijd had hij iets geheimzinnigs. Je voelde dat je hem niet helemaal kon kennen. Mels was gek op spelletjes. Hij was een goede schaker, maar in spelletjes als rikken, kingen, toepen en hoe het verder ook heten mag, was hij onverslaanbaar.

    We deelden onze liefde voor de Franse literatuur. Hij hield van ­Céline, en Flaubert vond hij zwaar overschat, maar over Modiano ­waren we het eens. Net als over A.M. de Jong, zijn oom aan wie hij een mooie biografie wijdde.

    Op 23 augustus van dit jaar ­begon ik Merijntje Gijzen te her­lezen, alle acht de delen. Op 1 september hoorde ik dat het slecht ging met Mels. Op de 19de is hij, 86 jaar oud, in Frankrijk over­leden.

    Vorige week herdachten we hem, aan de Amstel, waar iemand alles samenvatte door het zingen van het chanson van Charles Trenet: ‘Que reste-t-il de nos amours/ que reste t-il-de ces beaux jours/ Que reste-t-il de tout cela/ Dites le moi.’

  2. Een neon Eiffeltoren

    In de Reguliersdwarsstraat, vlak voorbij de Schapensteeg met zijn achterkant van de Tuschinski, op nummer 125, aan de kant van de Reguliersbree, hing tot voor kort een neon Eiffeltoren aan de gevel. Het was een laatste overblijfsel van Place Pigalle, een animeerzaak ­zoals ik ontdekte toen ik er eens nietsvermoedend naar binnen liep.

    Maar er werd niet alleen ­geanimeerd, want aan de bar trof ik twee doodgewone meisjes die zodra ze hun mond opendeden uit ‘Volllendam’ bleken te komen.

    Ik kwam in die dagen voor mijn werk vrijwel dagelijks in Volendam, dus hadden we een boel te bespreken. Het meisje dat ik leuk vond, vertelde dat ze als serveerster werkte in een restaurant aan het Doolhof, vlak achter de Dijk. Waar we na haar dienst afspraken.

    Toen ze het restaurant uitkwam, bleek ze, ik kon mijn ogen niet geloven, in Volendams kostuum. Ik was op slag verliefd. Al die rokken, en het schortje en dat kapje, wie zou daar niet voor zijn gevallen?

    Vijftien jaar later ben ik nog een keer in Pigalle geweest, na een lange dag met Jan Cremer, Mick Boskamp en Kees van Beijnum. “Allemaal balletdanseressen en meiden van de Filmacademie,” zei Jan, die er verstand van heeft. Op de animerende balletdanseressen en meiden van Filmacademie na was de zaak verlaten.

    Jan bestelde Hongaars bier en poestanootjes en nadat we ons geïnstalleerd hadden, zei hij: “Jongens, nog vragen?”

    Toen de gigantische rekening kwam, dreigde er een opstootje, want Jan verdomde het te betalen. Ik verheugde me al op een vechtpartij, maar op de een of andere manier wist hij de rekening af te kopen. Weer op straat keek ik naar de Eiffeltoren die in paars neon aan en uit ging en die nu voorgoed verdwenen is.

  3. Over onze herinneringen

    In de tram op weg naar mijn favoriete restaurant gebeurden merkwaardige dingen. Het was de 5 maar verdomd als het niet waar is, op het Leidseplein veranderde hij zomaar in de 10. Of nee, het bleef gewoon de 5, maar hij gedroeg zich als 10 en daar werd niks over omgeroepen of zo, nee, ze deden gewoon of het zo hoorde.

    Nadat ik op eindpunt was uit­gestapt, liep ik gewoontegetrouw naar het geboortehuis van de ­gebroeders Reve om te kijken of alles bij het oude was. Dat was het, maar de schitterende cactussen in de etalage van het hoekhuis, ­waren die nieuw of waren ze er ­altijd al en had ik ze nooit gezien?

    Zo mooi als de cactussen waarvan ik altijd droom en die mij nooit gelukt zijn. Moest ik nu blij zijn met de prachtige cactussen in hun etalage of bedroefd over mijn cactusmislukkingen? Ik wist het niet.

    In het restaurant hadden Freddy en ik het over onze herinneringen die verdwijnen of juist uitdijen en steeds mooier worden. “Op het Sir Albert Hotel in de Albert Cuyp,” zei ik, “staat een citaat van Disraeli, ‘Like all great travellers I have seen more than I remember and remember more than I have seen’. Zo is het ongeveer, denk ik.”

    Vroeger zat daar een diamantslijperij, herinnerde ik me. “Moppes,” zei Freddy., “Samen met mijn vader ben ik daar eens ­geweest. Ik kreeg er handenvol goudkleurig slijpsel. Ik dacht dat we rijk ­waren.”

    Freddy had in De L’Europe gewerkt. Daar woonde de oude ­directeur van Moppes. Zijn kamer kwam hij niet meer uit. Op sommige dagen wilde hij dat Freddy hem de hele avond kwam bedienen. En zodra de deur dicht was, zei hij dan: “Zo, nu gaan we samen Ajax kijken.”

  4. Als ik op het Damrak loop

    De frietrij bij Manneken Pis op het Damrak lijkt steeds langer te worden. De rij is zo lang dat het welhaast onmogelijk is geworden om te controleren of de rij zo lang is door de kwaliteit van de ­patat of dat het om iets anders gaat, een vermelding in een hippe gids, een filmpje op YouTube of iets dergelijks.

    Als ik hier loop, denk ik altijd aan de cineast die alleen langs de kant van de Beurs over het Damrak durfde, de zonnige kant was hem te wijds.

    Als hij in de schaduw langs de muur van de Beurs sloop, was hij op weg naar Hotel Polen, waar we vaak bijeenkwamen met onze producent, die zoals een producent betaamt sigaren rookte, een telefoon op zijn tafeltje had staan en de rekening betaalde. Niet veel later brandde Polen af.

    Het was in de tijd dat de fluorescerend beschilderde bus van Magical Mystery Tours vanaf het Rokin vertrok voor zijn psychedelische trip naar Afghanistan, het paradijs op aarde, toen al.

    Ook aan de God van Nederland op zijn terras denk ik wel eens als ik op het Damrak loop, maar vaker nog aan Hooters. Als je in het voorbijgaan bij Hooters naar binnen keek, zag je blote meiden met een cowboyhoed op hun kop en een riem om hun middel waaraan twee holsters hingen met klapperpistolen die ze af en toe lieten knallen. Als ze een goede fooi vingen, denk ik.

    Een tijdje geleden las ik over bootbabes, schaars geklede dames die toeristen een boot proberen in te praten. En op het dak van zijn moeder vertelde Sander die op het water woont mij dat er bootjes ­varen met paaldansende paaldanseressen aan boord. Varende prostitutie lijkt niet ver weg.

  5. De Eiffeltoren verdomme!

    In 1955 ging Eddy Posthuma de Boer, die toen 24 was, naar Parijs om bij Magnum, het beroemde door Cartier-Bresson en Robert Capa opgerichte fotopersbureau, zijn foto’s te ­laten zien.

    Ik was ook in Parijs in 1955. Ik was elf en we waren op de terugweg van Ventimiglia waar we onze vakantie hadden door­gebracht toen mijn vader, zo ter hoogte van nougatstad Montélimar, besloot dat ik Parijs moest zien.

    Mijn vader was dol op omwegen, dit in tegenstelling tot zijn zoon, die meteen begon te klagen dat hij helemaal niet naar Parijs wilde maar naar huis. Eenmaal in Parijs aangekomen was het oorlog in onze Volkswagen.

    Ik zat achterin in een Tour de Francespecial van Het Vrije Volk te lezen, mijn vader briesend achter het stuur, terwijl mijn moeder vergeefs probeerde de zaak te sussen.

    “De Eiffeltoren verdomme!” riep mijn vader toen we over Place de la Concorde ­reden, “kijk, het Louvre, verdomme, de obelisk, kijk!” Mijn vader in zijn korte broek achter het stuur van zijn Volkswagen, zijn onwillige zoon achterin, elke keer als ik op Concorde kom, moet ik eraan denken.

    Eddy Posthuma de Boer slaagde niet voor zijn Magnumexamen. Gelukkig niet, want dan had ie van die slome Cartier-Bressonfoto’s moeten gaan maken, terwijl hij nu een leven lang fijne Eddy Posthuma de Boerfoto’s heeft gemaakt.

    Zijn nieuwe expositie, tot 9 ­januari in Hotel Arena, heet ­Paris-Amsterdam 1955-2018 en ­bestaat uit tweeregelige verzen, waarin de twee steden op elkaar rijmen, een marktkoopman in de rue Mouffetard en een manser bij zijn orgel in de Kalverstraat, een man met pet aan de bar in café la Tartine, een man met een hoed op een stoel in café Hesp.

    Kleine wonderen van een groot kunstenaar.

  6. Over de Willemsparkweg

    Op de trap betrapte ik me erop dat ik Moanin’ liep te fluiten. Dat vroeg om maatregelen en dus pakte ik een Art Blakey-cd uit de kast en zette Moanin’ op. Bij de eerst maten al had ik mijn twijfels en toen het wijsje erop zat en het echte werk begon, wist ik het ­zeker: de trompet was niet om aan te horen. Hij werd anno 1980 ­geblazen door een zekere Wynton Marsalis, las ik in het begeleidende boekje. Maar ik wilde helemaal geen Marsalis, ik wilde gewoon Lee Morgan en dan het liefst zoals hij in november 1959 klonk in het Concertgebouw.

    YouTube bracht uitkomst.

    De volgende dag, een woensdag, fietste ik, zonder ook maar één keer aan Astrid te denken, heen en terug over de Willemsparkweg, waar zij toch woonde. Op de heenweg kwam ik langs een elektronisch verkeersbord dat zei dat ik 12 kilometer per uur reed en dat me daarvoor beloonde met een smiley. Op de terugweg legde ik even aan bij antiquariaat Metamorfose op de hoek van de Valeriusstraat en de Hendrik Jacobszstraat. In de bak vond ik een boek met Rimbaud op de cover. Toen ik naar binnenging om mijn euro af te dragen, hoorde ik Thelonious Monk. “Met Art Blakey zo te horen,” zei meneer Metamorfose.

    Een paar dagen later dacht ik aan Astrid. Haar vader was van Blue Note, met als gevolg dat ik ­alles van Blakey dat tussen september 1959 en mei 1960 op Blue Note verscheen, van dichtbij heb mogen horen. En niet alleen Blakey, Horace Silver, Don Byrd, Kenny Burrell en Hank Mobley maakten ook platen. De eerste plaat van het Lee Morgan Quintet heb ik net niet gehaald.

    Want op 7 mei 1960 was het uit met de verkering.

  7. Links van de Uilenburger sjoel

    Op een van de laatste mooie zomerochtenden zaten we in een tuin vol Oost-Indische kers, granaatappelboompjes, vijvertjes en reusachtige vijgen. Het is dat we in Amsterdam waren, anders had ik me in het Zuiden gewaand.

    We dronken eerst koffie en daarna bessensap van echte bessen en ondertussen hadden we het over Salvador Bloemgarten, ooit geschiedenisleraar op het ­Spinoza Lyceum en in die hoedanigheid aanwezig in een door leraren en leerlingen gedragen productie van Oklahoma.

    “Bloemetje was zo goed,” zei ik, “dat er zestig jaar later nog over wordt gepraat.”

    Izak kende Bloemgarten van een mislukte poging tot restauratie van de conciërgewoning van de Sophie Rosenthal Bewaarschool in de Nieuwe Uilenburgerstraat. “Het huisje staat er nog,” zei hij. “Links van de synagoge.” Ik ben dezelfde middag nog gaan kijken.

    De bedrijven in de Nieuwe Uilenburgerstraat dragen namen als Techniek, Meubelmakerij en De Specialist, namen die op de of andere manier vertrouwen wekken, vind ik. De enigszins vervallen conciërgewoning staat inderdaad links van de

    Uilenburger sjoel die weer schuilgaat achter het gebouw van Riolering en Bruggen. Het is stil in de straat. Alleen bij de diamanten van Gassan is leven.

    Terwijl ik de enorme bakstenen schoorsteen weer eens bewonderde, zag ik dat er op het terrein van het badhuis aan de overkant ook een schoorsteen staat, een klein­tje.

    Bakstenen schoorstenen in de stad, hoeveel zouden er nog zijn? Bij Hotel Arena staat er een, bij Sportfondsenbad Oost, en bij Tetterode, verder kom ik niet.

    Op het Waterlooplein kocht ik even later een poesiealbum uit 1955 met het versje ‘Er liep een nikkertje op het strand/ Het poetste zijn tandjes met hagelwit zand/ Och mocht mijn zieltje toch zo rein/ Als de tandjes van dat nikkertje zijn.’

  8. Maar de grachten

    Op het Leidseplein stapte ik in een tram richting Spui. De tram was afgeladen, maar na een halte al kwam op de achterbank een plaats vrij naast een al wat ­ouder echtpaar, waarvan de man echt oud was. Ouder dan ik bedoel ik dan.

    Toen we op de halte Keizersgracht stonden, wees de man en zei: “Daar zat vroeger een winkel waar je prachtige vazen kon kopen, maar ook stoffen en meubelen. En op het dak was een terras met een prachtig uitzicht over de stad. Maar hoe die winkel heette...”

    De vrouw zei niets en ook ik zweeg.

    Bij de volgende halte haalde de man herinneringen op aan de boekwinkel die hier had gezeten en waarvan hij de naam ook was vergeten.

    “Scheltema,” zei ik, “hier zat Scheltema en een halte terug zat Metz. Allemaal weg. ­Komen niet meer terug.”

    De man vertelde dat hij Amsterdammer was, maar al lang niet meer in de stad woonde. “Ik kom hier maar af en toe,” zei hij, “en er is niet veel hetzelfde gebleven. Maar de grachten zijn nog prachtig, gelukkig.”

    Wat ik kon beamen.

    Ik stapte uit en begaf me naar Athenaeum om een paar boeken op te halen. De balie waar je je tot voor kort voor dit soort zaken kon melden, bleek verdwenen en de boeken waren zoek. Tot ze toch werden gevonden.

    Vanuit De Zwart keek ik even later naar het huis boven Athenaeum waar Theo Kars vroeger woonde. Nadat zijn vriendin gedreigd had zelfmoord te plegen, ging zij in de vensterbank zitten, waar ze haar benen dreigend buitenboord liet bungelen.

    Op alles wat tegen haar gezegd werd, antwoordde ze met: “Ik ben een trotse Cherokee-indiaan.”

  9. Heerlijke broodschoteltjes

    Toen Hanny Michaelis in 1922 werd geboren, woonden haar ouders in de Van Eeghenstraat. Haar eerste herinneringen zijn van toen ze twee of drie was en zij in de J.M. Coenenstraat woonde, aan de korte kant, op de hoek met de Reijnier Vinkeleskade.

    ‘We hadden een prachtig uitzicht,’ zegt Michaelis in Verst verleden, haar door Nop Maas opgetekende jeugdherinneringen. ‘Het was nog niet bebouwd aan de overkant van de Coenenstraat.’

    Over het eerste huis dat er gebouwd werd, schreef ze een halve eeuw later een gedicht met de ­regels ‘(…) Met grote/ beslistheid verkondigde ik/ dat halen ze ’s zomers weer weg.’ Ze zal drie zijn geweest toen ze die uitspraak deed.

    Het zijn ragfijne herinneringen die Michaelis ophaalt. Zo vertelt ze haar over neven Benima die ze nooit gekend heeft, maar die er volgens haar moeder trots op ­waren dat ze, als teken van welstand, twee keer per dag vers brood aten.

    ‘Bij ons thuis,’ voegt ze daaraan toe, ‘werd al het oude brood opgegeten. Als het heel oud was, maakte mijn moeder er heerlijke broodschoteltjes met krenten en rozijnen of gember van.’

    Als ik bij Marjan thuiskwam die in de Hoendiepstraat woonde, werd daar aan de eettafel gekaart door oude tantetjes met een nummer boven hun pols. Marjan zelf was als baby door haar moeder over het hek van Westerbork gegooid. Haar moeder werd in Auschwitz vermoord.

    De tweede vrouw van haar vader die nu haar moeder was, had een keer zo’n broodschoteltje gebakken, alleen heette dat geen broodschotel maar ‘broodchalata’, een woord waarvan ik niet weet hoe je het schrijft. Maar het was heerlijk, zo lekker dat Marjan vanaf dat moment de traktatie regelmatig voor mij mee naar school kreeg van haar moeder.

  10. De Grote Roerganger

    Als je vanaf de Lijnbaansgracht de Reguliersgracht opgaat en bij de
    Utrechtsedwarsstraat bent gekomen, zie je aan het einde van de straat heel groot en rood het woord CARRÉ. Ik laat me er altijd door verrassen. Zoals de hele Reguliersgracht altijd weer een verrassing is.

    De bruggen, de ­bomen, het water, de rust. Wat me ook bevalt, is dat je als je vanaf het Thorbeckeplein komt nooit weet of de straat langs de gracht doorloopt of dat je plotseling de gracht moet oversteken om een brug verder via de overkant op je weg terug te kunnen keren.

    Op de brug van Amstelveld naar Prinsengracht, de brug die de hoek maakt met het huis met de ooievaar, u weet wel, heb ik eens twee bouwvakkers op hun knieën voor de brugleuning een uitgebreid gesprek over ‘de neut’ horen voeren. Daar was iets mee, met de neut, maar wat ben ik vergeten.

    Vlak voorbij Utrechtsedwarsstraat en brug zag ik in een raam een beeldje dat me aan Voorzitter Mao deed denken die het bij nadere beschouwing ook was. De Grote Roerganger zat met zijn rug naar ons toe in een rieten stoel en dronk een glas bier dat hij had ingeschonken uit een rood blikje.

    Op markten in Sjanghai waren dit soort beeldjes wel te koop. Aan de ene kant vond ik ze best mooi, aan de andere kant, wie wil een beeld in huis van een massamoordenaar die na zijn zoveelste dagje massamoorden even tot rust komt met een biertje.

    Zijn Rode Boekje was ook te koop. Hoe meer doden in het jaar van verschijnen, hoe hoger de prijs. Liever ging ik naar huis met Kuifje in China. Dat had ik al, maar in het Chinees is het toch anders.