live

Klein geluk in Amsterdam: Toch is alles anders

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Toch is alles anders

    ‘Eigenlijk heb je nog best veel haar,” zei mijn kleindochter laatst tegen mij. Ik moest er aan denken toen ik bij de kapper binnenstapte waar Alies uit Akersloot die tijdens het knippen vaak zo gezellig met mij praat al op me stond te wachten.

    Tijdens mijn vorige knipbeurt had ze me verteld dat ze met het woord ­‘museumpoetser’ een gooi deed naar een plaatsje in de Van Dale, maar deze reis opteerde ze voor ‘truitje’. “Een truitje,” zei ze, “is ­gewoon een geitenwollen sok, maar dan de vrouwelijke variant. Truitje, klinkt goed, vindt u niet?”

    Ik heb een schaap gekend dat Truitje heette, maar dat weerhield me er niet van het eens te zijn met Alies die inmiddels alweer ergens anders was aangeland. Bij twee nichtjes die naar België waren verhuisd en op school zoveel plezier hadden omdat ze er op de poep ­zaten.

    “Poep is hier gewoon nummer 2,” zei Alies, “maar in België zitten ze er op,” waarna ze een verhaal begon over een Belgisch echtpaar waarmee ze het in de tram over het woord ‘patat’ had gehad. “Dat is friet,” had Alies gezegd. Maar de Belgen zeiden dat het een aardappel was. Als je naar het frietkot gaat en je vraagt om een patat, dan krijg je een aardappel.

    “Mijn nichtjes wonen zo vlakbij,” zei Alies, “maar toch is alles ­anders. Hebt u eigenlijk kleinkinderen?” “Jazeker,” zei ik. “Een kleindochter, van 13. We gaan straks naar haar toe.” “En wil ze nog met u te maken hebben? Mag u haar op straat nog een knuffel geven?” “Jazeker,” zei ik.

    Nadat ik mijn kleindochter begroet had, streek ze met haar hand over mijn gemillimeterde hoofd en zei: “Je hebt eigenlijk nog best veel haar, opa.”

  2. Gaan zoals de pijlen wijzen

    Wie tramt zit met zijn neus in de tramrails, wie loopt of fietst is zo vrij als een vogeltje. Ook als de bestemming vast ligt zijn er duizend ­manieren om er te komen. Neem ik de toeristische route? Een ­omweg?

    Zelfs als je de kortste weg neemt, zijn er vele mogelijkheden. Als een straat opgebroken is of ­afgesloten wegens weet ik veel is er altijd een sluipweg, meestal vlak langs de huizen. Er staan borden die met boetes dreigen en mannen met hesjes die driftig gebaren, maar het is geen Amsterdammer die zich daar wat van aantrekt.

    Bij de werkzaamheden rond het Weteringcircuit hebben ze het daarom anders aangepakt. Wat er gebeurt als je naar links gaat, heb ik nog niet uitgeprobeerd, maar ga je rechtsaf dan zit je gevangen tussen twee ijzeren tangen en heb je maar te gaan zoals de pijlen wijzen.

    Zo kwam ik terecht in de Den Texstraat waar ik heel lang niet geweest was en meteen een hoogst interessant poortje zag, waarvoor ik helaas geen tijd had.
    Via de ­Nicolaas Witsenstraat hervond ik de vrijheid.

    Ik stak over richting Reguliersgracht en zo schuin tegenover de Alhambra moest ik denken aan de nachten dat hier nog druk getippeld werd. Ik stond hier toen eens met een dame die daar geen weet van had.

    We wilden een taxi en toen ze een auto zag naderen, ontsnapte ze naar de trottoirband en stak haar hand op, waarna de auto prompt tot stilstand kwam en het portier openzwaaide. Ze boog voorover voor overleg en riep toen: “Kom, het is geen taxi maar deze vriendelijke meneer wil ons graag naar huis brengen.”

    Laatst zag ik dat er bij het Golden Tulip Hotel in Sloterdijk weer ouderwets getippeld wordt.

  3. Mijn Tweeduizend Loempia's

    Wie bij een Chinees eet, heeft het vaak een tijdje over eten bij de Chinees. We kwamen uit de Openbare Bibliotheek aan de Oosterdokskade en we wilden ergens een hapje gaan eten. Maar waar, was de vraag. Totdat iemand opmerkte dat er vlak voor onze neus een enorm Chinees restaurant in het water dreef. Gauw naar de loopplank dus en aan boord.

    Zonder dat we er om hadden gezeurd, werden we naar de mooiste tafel van het restaurant geleid, uitzicht op het water en de bootjes en op de huizen en de torens die ­boven de huizen uitstaken aan de overkant. “Wien, Wien, ja du allein,” zong ik met Nescio.

    Intussen waren de drankjes gebracht en was het verplichte uitwisselen van herinneringen aan Chinese restaurants begonnen. Eddy deed nostalgisch over tante Mia, een bamitent op de Oudezijds waar in de jaren vijftig heel artistiek Amsterdam goedkoop kwam eten. Ik vertelde over mijn Tweeduizend Loempia’s bij de Mandarijn, in de loop van de jaren genuttigd tijdens evenzovele redactievergaderingen.

    We bestelden, bestelden er bier bij en thee en mijn geliefde zei dat zij haar biertje pas wou als het eten op tafel stond. Toen het eten er stond, kwam de jongeman die ons vlekkeloos bediende, vragen hoe het ook alweer zat met dat biertje. “Het is eigenlijk een na-biertje,” zei ik. “Wij hebben alleen nu-biertjes,” zei hij. Toen we uitgegrinnikt waren, stond het op tafel.

    Op weg naar de uitgang van het zeepaleis bewonderden we de enorme uit hout gegutste adelaar die met gespreide vleugels in de hal staat. “Kunt u mij zeggen,” vroeg Henriëtte aan de Chinese dame die de deur in de gaten hield, “van wat voor hout hij is gemaakt?” “Boom,” zei de dame.

  4. Oude man valt in herhalingen

    In de lege winkelruimte in de Roelof Hartstraat stond een ronde tafel met daaromheen negen stoelen. Op de tafel lag een schedel, van een paard zo te zien, en er stond een beeld van een grote witte hond met zwarte vlekken. Op een van de negen stoelen zat een man op zijn telefoon te kijken.

    Bij de Ceintuurbrug lag een ­gestroomlijnd jacht afgemeerd, vernoemd naar een society­verslaggever uit lang vervlogen tijden. “Wat een prachtig schip,” zei ik tegen de man met de kapiteins­pet die in de stuurhut stond. “Weet je van wie het was?” zei hij. Ik wist het niet. “Van Freddy Heineken.”

    “En die heeft het vernoemd naar Stan Huygens van het Freddy Heineken Journaal?” De kapitein lachte. “Klopt,” zei hij, “en nu is het een rondvaartboot.” Van luxe jacht tot rondvaartboot, wat een teloorgang, dacht ik terwijl we onze weg vervolgden.

    Nadat we bij Marqt van die lekkere viskoekjes hadden gekocht, zochten we Sarphati op voor een drankje. Het meisje dat ons een borrel bracht, hield er een in elke hand en liep stapje voor stapje om niet te morsen. “Je kan de glazen ook aan tafel volschenken,” zei ik, “is misschien makkelijker.” Het leek haar een goed idee.

    “Weet je waarom dit een roomse borrel heet?” zei ik. “Jazeker,” zei ze, “dat hebt u me verteld.” Oei! Oude man valt in herhalingen. “Maar,” zei ik, “weet je hoe het ook genoemd wordt? Een overhetij­kijkertje.” Had ik van een lezer, maar dat zei ik er niet bij.

    Een paar dagen later schonk ik in de keuken een borrel in en liep er voorzichtig mee naar de huiskamer. Nadat ik de glaasjes op tafel had gezet, dacht ik, hé, ik had ook aan tafel kunnen inschenken.

  5. Hoofdbureau van Politie

    Leo van der Noort, fotograaf van Amsterdam en de Amsterdammers, vertelde me dat hij de Admiraal de Ruijterweg zo’n saaie straat vindt. ”Dan sta ik op de Krommert en om thuis te komen moet ik dan die eindeloze straat uit. Niks te zien en er gebeurt nooit wat.”

    Zijn het mijn herinneringen die de Admiraal de Ruijterweg tot zo’n opwindende straat maken? Sinds een tijdje zijn ze bezig het voormalige politiebureau te verbouwen tot appartementen. Ik volg het met argusogen.

    In de vroege morgen van zaterdag 5 juni 1956 liep ik met Frans de Bruyn over het landje achter de Glazen School. Het was luilak. We hadden Hanepen geplaagd, we hadden luilakbollen gegeten en nu liepen we hier zo’n beetje, toen als uit het niets een man verscheen die ons bij de lurven greep.

    “Daar heb ik jullie, schoftentuig!” riep hij en hij sleurde ons mee naar het politiebureau, waar we werden opgesloten, ieder in een cel. We hadden een winkelruit ingegooid en we konden maar beter bekennen, want anders gingen we naar het tuchthuis.

    Een paar weken later, op woensdag 30 juni, stond ik met mijn moeder voor het Hoofdbureau van Politie, waar ik om twee uur precies verhoord zou worden. Maar om twee uur was ook de zonsverduistering en die ging voor.

    Het werd stil op straat. Schaduwen verdwenen, de gebouwen stonden in het bleke licht alsof het uit karton geknipte decorstukken waren.

    “De jongens is tien,” zei mijn moeder even later tegen de rechercheur van dienst, “schamen jullie je niet om zo’n kind op te sluiten en te verhoren.” “Uw zoon heeft al meerdere malen op het bureau moeten komen,” zei de rechercheur.

    “Die jongen houdt van voetballen,” zei mijn moeder.

    “Het mocht wat.”

  6. Hoe jong we vroeger waren

    In januari 1963 ging Jan Donkers, en o wat zal ie het koud hebben gehad, met een fles jenever naar Gerard Kornelis van het Reve om hem te vragen of hij beschermheer wilde worden van het jongemannengezelschap Baart. Dat wilde Gerard wel. Later verklaarde Donkers: “Ze zeggen dat het een flikker is, maar ik heb zo mijn twijfels.”

    Als officiële oprichtingsdatum van Baart staat 8 februari 1963 te boek en vandaar dat we vorige week donderdag ons elfde lustrum vierden. Met een knalfuif, filmpjes waarop je kon zien hoe jong we vroeger waren, toespraken, een etentje en een boek, Het dispuut Baart, hoe 16 Amsterdamse jongens wel even de media zouden veroveren.

    Frits en ik hebben het er niet over gehad, maar zoals altijd als ik hem zie, gingen mijn gedachten terug naar de middag van de voetbalwedstrijd tegen de Haagse Post, toen ik na een keiharde tackle van Ischa Meijer jodelend van pijn tegen de grasmat ging.

    Iedereen riep meteen om dokter Frits, die nog wel geen dokter was maar ervoor leerde, wat min of meer hetzelfde is. Dokter Frits kwam, keek en zei: “ Volgens mij is het een blessure.” Het bleken gevleugelde woorden.

    Een paar weken later hielp ik Frits verhuizen. Om het geld dat we niet hadden uit te sparen, had hij een bakfiets gehuurd. Ik zat in de bak tussen huisraad, stoelen en een bed.

    Frits trapte en ondertussen bespraken we de komische sketch die we schrijven gingen voor Johnny en Rijk. Frits zag het daarom niet, het bestelautootje dat de Tweede Jacob van Campen uitkwam. Daarbij kwam dat hij dacht dat je remde door de rem omlaag te duwen of omhoog, daar wil ik van af wezen, maar het resultaat was hetzelfde.

  7. Alle vis die een mens zich wensen kan

    Ik wilde wel dat het in de Spaanse Brabanderstraat was, maar het was in de Grianestraat dat ik samen onder onze paraplu gebakken vis rook.

    Echt verbaasd was ik niet, want om de hoek op de Bos en Lommerweg, wist ik, lag de vishandel van de Gebroeders Molenaar, geen kar, maar ook geen winkel, iets er tussenin.

    Molenaar is een visboer zoals visboeren horen te zijn. Alle vis die een mens zich wensen kan, voortreffelijk uitgestald, leuk personeel en gezellige klanten, voornamelijk van Marokkaanse ­afkomst.

    Ik bestelde een harinkje en terwijl ik het me smaken liet, volgde ik het gesprek tussen een meisje van de vis en Marokkaanse die even niet wist hoe de vis die ze ­begeerde ook alweer heette. De dorade en de zonnevis hadden geen moeilijkheden opgeleverd maar nu zat ze even vast.

    Ten slotte wees ze op mijn haring en zei: “Hoe heet het ook alweer?” “Haring,” zei het meisje van de vis. “Haring,” herhaalde vrouw. Ik hoopte dat ze hem ter plekke soldaat zou maken, met uitjes en een stukkie zuur, maar ze liet hem inpakken, ook goed.

    Even later staken we over naar de drukke kant van de Bos en Lommerweg, waar het wemelt van de patisserieën en de theesalons en waar door dames met kinderwagens geflaneerd wordt terwijl hun kleuters groepsgewijs aan uitzinnige lollies likken. De Bos en Lommerweg is anders dan in mijn kinderjaren, maar ik voelde me weer helemaal thuis.

    Aan de andere kant van de ­Admiraal de Ruijterweg staken we op bij café ’t Binnenkomertje dat achteraf niet ’t Binnenkomertje maar ’t Binnepretje bleek te heten. Binnen wisten we dat nog niet en vroegen we ons af of er nog mensen waren die wisten wat dat was, een binnenkomertje.

  8. Iedere hoek en ieder poortje

    De Bos en Lommerweg is als thuiskomen. Hier kom ik vandaan, hier ken ik ieder huis en ­iedere steen, iedere hoek en ieder poortje. Overal weet ik precies waar ik ben en als ik naar links ga of naar rechts draait de hele plattegrond met me mee.

    Maar ik was nog maar net voorbij pizzeria ­Michel Angelo of ik zag een paadje dat er niet hoorde te zijn maar er toch was. Het liep vlak langs het oorlogsmonument in de richting van de Hertspieghelweg. Aan beide zijden van het pad lag een grasveld vol paarse krokussen.

    Ik liep het pad op en na paar stappen zag ik tot mijn niet geringe verbazing aan mijn rechterhand een straatje dat ik nooit eerder had opgemerkt.

    Aan de ene kant van het straatje keek je op de achterkant van de huizen aan de Bos en Lommerweg, aan de andere kant lagen enigszins verwaarloosd ogende loodsen waarin ­garages zaten en stapels autobanden lagen opgetast. Het straatje, de Lippijnstraat, leek dood te ­lopen op de achterkant van de ­Admiraal de Ruijterweg die tevens de achterkant was van Indonesisch restaurant Betawi.

    Maar vlak voor het doodliep, was er een opslagterrein van Stadsdeel West. Door de gleuf van de brievenbus zag ik pallets met stenen en dakpannen. Langs de muur van het terrein liep een pad dat naar een poortje leidde dat toegang gaf tot de Hertspieghelweg.

    Om te zeggen dat mijn wereld instortte, nee, maar dat ik als jongen een geweldige straat als de Lippijnstraat geheel gemist heb, deed pijn. Wat hadden we in de achtertuinen en tussen de loodsen niet voor rotzooi kunnen uithalen. Met een afstand van 65 jaar zag ik ons joelend door het poortje rennen.

  9. De drummer van Human Alert

    De jonge mensen die ik leerde kennen toen ze nog jong waren, kende ik meestal via onze dochter. Maar Menno Wigman kenden wij onafhankelijk van elkaar, ieder op onze eigen manier. Dochter was punk en bij punk hoorde punkband Human Alert.

    De haardracht, de manier van ­opmaken en de kleding van de jeugdige punkies uit mijn omgeving kon ik zeer waarderen, maar met de kolereherrie die punkgroepen produceerden had ik niks. Human Alert heb ik nooit zien spelen.

    In diezelfde tijd schreef ik in deze krant veel over Franse literatuur, over dichters uit de negentiende eeuw in het bijzonder. Naar aanleiding van zo’n stuk kreeg ik een tijdschriftje opgestuurd, Nachtschade heette het, volgeschreven door Menno Wigman.

    Toen wij elkaar kort daarna ontmoetten, vertelde de jonge dichter me dat hij de drummer was van Human Alert en een vriend van mijn dochter. Zoiets schept een band.

    In de jaren die volgden is Wigman nooit uit mijn leven verdwenen. Hij maakte naam als dichter, maar bleef dezelfde man, schuw maar heel uitgesproken, nooit gelukkig en altijd, leek me, op de rand van de armoede.

    De laatste keer dat we elkaar spraken, was in de 12. Hij was op weg naar de zolderkamer op de Churchilllaan die hij had gehuurd omdat hij daar beter werken kon. Het ging slecht met hem. Een hartkwaal, bijna dood geweest.

    Maar hij schreef, en daar ging het toch maar om. Een tijdje later, lees ik in mijn dagboek, stuurde hij me een lange brief. In de mail, dus die brief is weg, want op een dag was al mijn mail verdwenen. Maar de foto van de jonge Human Alert drummer op zijn boze zwarte kistjes is er nog. Net als zijn poezie.

  10. Als er maar geen klontjes in zaten

    De kennissen bij wie ik op bezoek ging, bleken in een dependance van het Rijksmuseum te wonen. Dezelfde architect, dezelfde baksteen, hetzelfde glas in lood en een monumentale trap die een monument is bovendien.

    Met ­uitzicht op het Vondelpark, dat er roerloos bij lag, kregen we het over lammetjespap. Dat komt, ik ben Emma van Jane Austen aan het herlezen, maar deze keer in vertaling, van Annelies Roeleveld en Margret Stevens. Zo kwam ik er achter dat de ‘gruel’, waarop ­meneer Woodhouse, Emma’s ­vader, zo gesteld is geen watergruwel is zoals ik altijd heb gedacht, maar lammetjespap.

    De lammetjespap is ‘aanleiding tot veel commentaar’. Zo blijkt dat men er zeer stellig over was ‘hoe gezond lammetjespap was voor ieder gestel’ en dat het nog best moeilijk is ‘een kom mooie, gladde, dunne lammetjespap, dun, maar niet te dun’ te fabrieken.

    “At jij wel eens lammetjespap?” vroeg ik aan de vrouw des huizes. Dat had ze als kind wel gedaan, maar lekker had ze het niet gevonden. “Ik wel,” zei ik. “Maar ik kreeg het alleen als de havermout op was.” De havermout was van Quaker, wat je uitsprak als Kwaker, en op het pak stond een man met lang haar die een zwart pak droeg.

    Ik hield van havermout, maar lammetjespap vond ik lekkerder. De gladgestreken pap als een de volmaakte cirkel op je bord, het klontje boter precies in het midden. Heerlijk. Als er maar geen klontjes in zaten.

    En zo was de lammetjespap van meneer Wodehouse 202 jaar na verschijnen opnieuw aanleiding tot veel commentaar. Toen ik de monumentale trap was afgedaald en het pand wilde verlaten, zat er een eekhoorn voor de deur die ­nadat ik hem had binnengelaten voor de tussendeur ging zitten ­miauwen.