live

Klein geluk in Amsterdam: Dan moet u daar wezen

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Dan moet u daar wezen

    Ik sta op een tramhalte op de tram te wachten als een man die samen met zijn vrouw op dezelfde halte staat naar me toekomt en vraagt of de trams vanaf deze halte naar het Centraal Station gaan. “Nee, nee, nee,” zeg ik, “dan moet u daar wezen,” en ik wijs, zo’n beetje de bocht om naar een halte die je hiervandaan niet zien kunt.

    Terwijl hij terugloopt naar zijn vrouw komt mijn tram eraan en ik stap in. Als ik naar buiten kijk, zie ik dat het echtpaar nog steeds op de halte staat. Dat bevalt me niks. Ze hadden al lang op weg moeten zijn naar de halte die ik ze heb gewezen. Je vraagt tenslotte niet voor niets de weg. Of heeft de man die de weg vroeg mijn antwoord niet begrepen en gaan ze zo dadelijk straal de verkeerde kant op, wat dan mijn schuld is.

    U herinnert zich natuurlijk de passage in Dwaallicht als Laarmans zijn zwarte broeder onder de drie rijstekakkers de weg heeft ­gewezen naar de Kloosterstraat en Maria van Dam en vanuit de tram de zwartjes ziet twijfelen of ze wel de goede kant op gaan.

    Laarmans voelt zich verantwoordelijk voor zijn drie koelies en stapt uit om hen op de tocht te begeleiden. Hij voelde dezelfde verantwoordelijkheid die ik nu voel, maar voor mij is het te laat om uit te stappen.

    Maar het kan uiteraard nog ­erger. Zo werd mijn geliefde dit voorjaar, op het Leidseplein meen ik, aangesproken door een stel rugzakdragers die op het Zandpad moesten zijn. Waarna ze de rugzakdragers met grote precisie en voorzien van een heldere schets naar het Schapenburgerpad dirigeerde.

    Maanden geleden, maar ze voelt zich nog steeds schuldig.

  2. Een enorme pan vol

    In mijn opsomming van verdwenen geuren, koffie en ­caçao, versgebakken brood, roestig ijzer, geschaafd hout, menie, drop en pepermunt, vergat ik de geur of liever de stank te noemen die zich aankondigde met hondengeblaf.

    Want de verse waar-kar die zich eens in de zoveel weken meldde, ging altijd vergezeld van een roedel straathonden. Het waren dezelfde honden die als ze de kans kregen tegen je op ­begonnen te rijen en die op de een of andere manier altijd aan elkaar vast leken te zitten.

    Wanhopig draaiden ze dan in een korte cirkel om elkaar heen, totdat er iemand naar buiten kwam met een emmer water om die over de honden te legen, waarna ze blaffend uiteen stoven om niet veel later opnieuw te beginnen.

    Als mijn moeder het geblaf hoorde, sloot ze ramen en deuren, want de verse waar-kar verspreidde een even doordringende als smerige lucht die lang bleef hangen bovendien. De verse waar zelf zag er ook hoogst smerig uit, met griezelige schubben en tentakels op de uitgestalde magen, pensen, darmen. Je rilde als je het zag.

    Groot was dan ook mijn schrik toen ik als vijftienjarige op bezoek bij vrienden in Toulouse op een avond verse waar kreeg voorgezet. Een enorme pan vol, tripes, een delicatesse. Ik had op eetgebied al het een en ander meegemaakt, oesters, knoflook, drinken bij het eten, stinkkaas toe en dat was me allemaal uitstekend bevallen, maar verse waar.

    En het ergste was, ik wist dat het in de loop van de maand nog een paar keer op het menu zou verschijnen. Het was als in het vers van Dèr Mouw: ‘en dankbaar was ik dan met heel mijn hart/dat we zo prettig bij elkander zaten;/behalve ’s maandags, als we zuurkool aten.’

  3. De rol van de fiets

    We kwamen het restaurant uit en hadden maar één fiets. Dus nam ik mijn geliefde achterop. Romantisch! Maar ter hoogte van het Frederiksplein werd het al minder, en, Mon Dieu, als ik het niet verhinder, hoe zal het dan op het Hugo de Grootplein zijn? Zij wordt niet zwaarder, en ik wel ouder.

    De rol van de fiets in het liefdesleven van de Amsterdammer is mijn inziens altijd onderbelicht gebleven. Volgens mij kunnen we in deze twee categorieën onderscheiden: a) de fiets staat stil; b) de fiets wordt voortbewogen.

    Onder categorie a) valt het naast elkaar ieder op je eigen fiets zitten, soms op het zadel, soms op de bagagedrager, en elkaar smartelijk kussen, meestal ten afscheid, maar lang niet altijd. In categorie b sub 1) zit je geliefde bij jou achterop en heeft voorzichtig een arm om je heen geslagen.

    Die arm gaat onder jouw arm door en haar hand zoekt een plekje op je borst. Intieme handeling, die nog intiemer wordt als de tweede hand zich bij de eerste voegt, zodat je tussen haar armen gevangen zit, waarbij zij haar hoofd tegen je rug laat leunen.

    Jij kunt natuurlijk ook bij haar achterop zitten en de zojuist geschetste handelingen verrichtten, maar om onduidelijke redenen waren meisjes daarvan vaak niet gediend.

    In geval b sub 2) heb je haar voorop genomen, dat wil zeggen, op de stang, jouw lippen in haar haar en hals. Hoogst ongemakkelijk, vooral voor de stangzitster in kwestie, maar ademloos van Slotervaart naar Buitenveldert. En als het even kon terug. Ja, dat mag liefde heten.

    Ten slotte heb je b sub 3): kussen terwijl je allebei op je eigen fiets fietst. Dit valt af te raden, echt ­levensgevaarlijk, want ik zeg je, als je valt dan leg je.

  4. En zulks geschiedde

    In de tijd dat mensen nog brieven aan elkaar stuurden waar ze eerst postzegels op plakten, ontvingen wij de brief die ik als de mooiste brief ­beschouw die ik ooit heb ontvangen.

    Hij kwam van het zoontje van een vriendin en hij schreef: ‘Ik spaar pozegels. Jij ook?’ Deze op het oog zo simpele mededeling bevat vele lagen.

    De negenjarige is in de postzegelleeftijd beland, zoveel is duidelijk. Hij is te beleefd om het te vragen, maar wat hij wil, is dat jij als de bliksem aan de slag gaat om sigarenkistjes en oude ­enveloppen te doorzoeken op postzegels, en dat je vanaf nu alle binnenkomende post van de zegels ontdoet en die naar hem opstuurt, zoals hij ook hoopt dat je nog ergens een oud ­album hebt liggen ‘wat je toch nooit inkijkt’ en daarom aan hem cadeau gaat doen.

    En zulks geschiedde.

    Zelfs de brieven die W.F. Hermans me in die dagen stuurde, zijn van hun postzegels ontdaan. Toen de negenjarige mij naar pozegels vroeg, was ik zo oud als hij nu zijn zal en ik spaar ik al zo’n vijfenzestig jaar geen postzegels meer.

    Maar als ik op woensdagmiddag met de tram over de Nieuwezijds rijd, kijk ik naar het plein-tje waar de postzegelmarkt werd gehouden. Als je je daar als jongen vertoonde, kwam er meteen een man naar je toe, die vroeg of hij je boekje t zienmoch. Oei. Want je wist waar hij op uit was.

    Op die ene waardevolle zegel, waarvan jij niet wist, dat hij zo waardevol was en die je zomaar voor een dubbeltje verkocht, terwijl hij misschien wel een rijksdaalder waard was.

    Op de postzegelmarkt staat nu slechts een enkele oude man. Geen jongen die zich zien laat.

  5. Op de terrassen van Saigon

    Vlak voor ik de deur uitging, had Dumoulin op tv iets tussen zijn spaken gekregen. Zijn voet? Een fietspomp? Een paard en wagen? Het stond er niet bij, maar in ieder geval moest hij van zijn fiets af. “Dit speelt Dumoulin niet in de kaart,” hoorde ik de verslaggever zeggen.

    “Integendeel,” voegde hij er aan toe. Toen ik de deur achter me dicht trok, zat ik vol onrust, want was Tom nu wel of juist niet in de kaart gespeeld? Ik was al in de Ferdinand Bolstraat toen ik er nog niet uit was.

    Omdat ik ter hoogte van het ­Marie Heinekenplein een lichte trek ontwaarde, ging ik een Aziatisch restaurant binnen, waar ik de enige klant was. Ik ging aan een tafeltje bij het raam zitten en bestudeerde het schoolbord voor de deur.

    ‘Fresh ingredients,’ las ik, en ‘pho/ noodles/ beef/ shrimps/ pork/ Food 12.00-22.00/ All day long’. Uit de luidsprekers klonk jazz uit lang vervlogen tijden, Paul Desmond, schatte ik, maar zonder Dave Bruback.

    Op het Marie Heinekenplein renden de kinderen door de waterstralen en waren de terrassen afgeladen.

    Op het fietspad reden de fietsers twee rijen dik vlak achter elkaar, zodat ik me achter mijn springroll even in Saigon kon wanen, waar de motorfietsjes twaaf rijen dik rijden, met op iedere motor een middelgroot gezin, een tafeltje met twee stoelen, een hak en een koelbox, plus een paar aan hun poten bij elkaar gebonden kippen, en een eend in een rieten kooitje.

    Op de terrassen van Saigon zit je op lage stoeltjes en iedereen bemoeit zich met iedereen, zeker als je zoals ik een keer deed een broodje worst bestelt, waarvan de worst in mijn mond ontplofte en in de vorm van een rookpluim naar buiten kwam.

  6. Sprakeloos in het zand

    Kamperen is oorlog, zo leerde ik al snel tijdens onze kampeervakantie op het kampeerterrein in Hyères, een stadje dat je nooit te zien kreeg, omdat het bezet was door de tegenpartij die een onbegrijpelijke taal sprak en er rare ­gewoontes op nahield.

    De kampeur wordt van alle kanten tegelijk aangevallen, door de beheerder van de kampwinkel die een tientje rekent voor een over­leden krop sla, door miljoenen kwaadaardige bromvliegen, door de levensgevaarlijke scheerlijnen van de tenten van de andere kampeurs, door watergebrek, kolereherrie en een totaal gebrek aan privacy. Kakken, neuken, ruziën, alles geschiedt er in het openbaar.

    Onze ruzie brak uit toen mijn tante Mies mij verbood langer met mijn twee uit Algerije gevluchte Joodse vriendjes om te gaan. “Je bent hier op vakantie met Petertje,” zei ze, “er is dus geen enkele reden om met andere jongens ik weet niet wat uit te spoken.”

    Mijn tegenzet mocht er wezen. Ik hield op met spreken. Als we moesten kaarten, kaartte ik zwijgend, moesten we badmintonnen, dan badmintonde ik zonder woorden en op het strand zat ik sprakeloos in het zand.

    “Wees nou toch eens beetje ­aardig,” zei mijn lieve moeder. Maar aan dat aardig had ik geen boodschap.

    “Wat wil je nou, verdomme,” zei mijn vader, maar ik gaf niet thuis. De toestand was ondraaglijk en duurde tot het einde van de vakantie, toen mijn vader onze Volkswagen in twee dagen woedend naar huis reed, ik op de achterbank met de Toureditie van Het Vrije Volk.

    Tijdens de vakantie, zo herinner ik mij, kochten wij iedere dag een kistje perziken die door mijn ­vader en mij in de loop van de dag een voor een met huid en haar werden opgegeten. Lekkerder ­perziken heb ik nooit gegeten.

  7. Gehaktbal uit blik

    Behalve rulle zandpaden, vliegen en de weeë lucht van latrines bood de camping in Hyères ook strand en zee. Als ik ’s morgens mijn boterham met enge chocoladevlokken opgegeten had, probeerde ik alleen weg te komen, maar mijn tante Mies hield me scherp in de gaten. Petertje moest mee, ik zou eens verdwalen.

    Zijn aanwezigheid werd pas goed vervelend toen er op het strand een blonde schone verscheen die een rieten schietschijf in het zand zette en er met een boog pijlen op af begon te schieten. Of ik het ook eens wilde proberen, vroeg ze, wat ik maar al te graag wou.

    We probeerden met elkaar te praten, maar dat viel niet mee, een jaar middelbare school Frans reikt niet ver. Petertje, die op de etaleurschool zat, had nooit Frans geleerd, maar, zei tante Mies, als hij het had geleerd, had hij het vast vloeiend gesproken, heel wat beter dan ik in elk geval.

    Net toen het tussen Diana en mij spannend dreigde te worden, was ze verdwenen. Haar plaats werd ingenomen door twee Joodse jongens die met hun ouders uit Algerije waren gevlucht.

    Ze woonden in een uit wrakhout opgetrokken hutje op het strand. Hun vader was iedere dag op zoek naar werk, en hun moeder bakte de vis die wij in de loop van de dag vingen met behulp van twee onderwaterpistolen.

    Als zij de olie in de vispan goot, keerde ik terug naar ons tentendorp voor de dagelijkse doppers met wortelen en een gehaktbal uit blik. Om de dag kwam er mannen van de gemeente Hyères die met een gifspuit enorme wolken DDT over de camping legden, maar ondanks dat zagen doppers, wortelen en gehaktbal altijd zwart van de vliegen.

  8. Stokken, haringen, scheerlijnen en al

    Op de eerste dag van ons verblijf op een camping in Hyères bleek dat het opzetten van een combitent op de Veluwe anders was dan het opzetten van dezelfde combitent onder de verschroeiende Zuid-Franse zon.

    Zo was de grond niet vlak en zaten er om de een of andere reden stenen in verborgen, terwijl ook dennenbomen over wortels bleken te beschikken.

    De stokken waren vaak in de war en binnententen wilden niet naar binnen, maar na een uur of twee hing alles tussen de scheerlijnen, gereed voor inspectie door mijn tante Mies en mijn moeder, die de tentenbouw vanuit twee klapstoelen in de schaduw hadden gade­geslagen.

    “Je ziet helemaal zwart,” zei mijn moeder. “Van de vliegen,” zei ik. “Die zijn straks weer weg,” zei tante Mies. “Tja, ik weet niet,” zei ze daarna, als tegen zichzelf.

    “Corrie, wat vind jij? Maar ik denk dat de tent daar (ze wees naar een hobbelig veldje een tiental meter verderop) toch beter staat.” En dus werd de hele bliksemse boel afgebroken om nog een keer opgebouwd te worden, stokken, haringen, scheerlijnen en al.

    “Ik zou wel een boterham lusten,” zei mijn vader toen hij zat. Ik werd naar de kampwinkel gestuurd om zo’n raar brood te halen.

    Eenmaal terug draaide mijn moeder een blik boter open, zodat we konden zien hoe de boter meteen overdekt werd door vliegen. Om de boterham op te eten, moest mijn vader hem onder zijn hand houden.

    Inmiddels hadden we dorst gekregen, maar de waterzak, die aan een tentpaal hing, bleek leeg, zodat Petertje en ik naar de waterput moesten om water te putten. Er waren dertien wachtenden voor ons. “Kon je niet een beetje voortmaken,” zei mijn tante Mies tegen me terwijl Petertje de volle zak weer aan de paal hing.

  9. Over de Route Nationale

    In onze zomervakantie gingen we kamperen op een camping in Hyères waar een collega van mijn vader een prachtig kampeerterrein wist.

    Wij gingen met de Volkswagen en Oom Frans, tante Mies en Petertje met hun Fiat 1100, wat in tegensteling tot een Volkswagen een echte auto was. Zei tante Mies. Die ook besloten had dat in Frankrijk op voedselgebied helemaal niets te koop was.

    Het vlees werd er niet uitgebeend, de melk was altijd geschift en van boter hadden ze nog nooit gehoord.

    Dus kochten we bij haar zuster die in de Albert Cuypstraat een ­comestibleswinkel dreef van alles in blik, van rookvlees en kornet bief tot appelmoes en worteltjes met doperwten. Alleen de blikken boter kocht mijn moeder bij onze melkboer, wat nog tot stevige ­ruzie leidde.

    In konvooi reden we naar het Zuiden, over de Route Nationale die bij elk dorp het dorpje Toutes directions aankondigde, gek werden we ervan.

    In de ochtend van de derde dag bereikten we de camping, waar we ontvangen werden door de campingbeheerder die een in de kampwinkel gevestigd kantoortje bemande.

    “Meneer Luiée,” zei mijn tante Mies, “aangenaam kennis te maken.” “Eensgelijks,” zei de man die me met zijn baard en zijn korte broek een enorme oetlul leek. “Maar,” voegde hij er aan toe, “zegt u maar gewoon Luier, als in een volle Hollandse luier,” waarna ik hem iets sympatieker vond.

    Toen de formaliteiten achter de rug waren gingen we tussen de dennen en rulle zandpaden op zoek naar een plekje om onze tenten neer te zetten. “Er bromt hier iets,” zei mijn moeder. “Vliegen,” zei ik. “Die zijn straks weer weg,” zei tante Mies. De zon stond in het zenit toen we de ideale kampeerplek gevonden hadden.

  10. Kamperen bleek met stokken

    Een jaar eerder waren we in Ventimiglia zo leuk op vakantie geweest, dat werd besloten dit jaar in pension te gaan, lekker dicht bij huis. Het werd pension Margriet in Hilversum, vlak bij de Loosdrechtse Plassen, waar we af en toe een zeilboot gingen huren, leuk.

    Verder gingen we uitstapjes maken in de omgeving, naar de ­piramide van Austerlitz bijvoorbeeld, of naar de echoput waar je ‘hoe heet de burgemeester van Wesel’ in de put kon roepen die dan antwoordde met ‘ezel, ezel’.

    Omdat het regende, kon dat van die zeilboot niet door gaan, maar tussen de middag was er wel warm eten in het pension. Aardappelsoep vooraf en dan bloemkool en een puddinkje toe. Als de pensioneigenaar de soep bracht, hing zijn das erin.

    “Dat doen we niet meer,” zei mijn moeder toen de twee weken voorbij waren.

    Besloten werd een tent te kopen. Na overleg met mijn tante Mies en mijn oom Frans werd het een combitent, twee reusachtige tenten met een luifel in het midden. Ons deel van de tent werd betaald van de studieverzekering die mijn ouders voor mij hadden afgesloten.

    Met Pasen van het nieuwe jaar gingen we proefkamperen. Kamperen bleek met stokken. Die in ­elkaar moesten, dan uit elkaar en vervolgens weer in elkaar, maar dan anders. Ook had je scheerlijnen en waren er haringen.

    Zo erg als in pension kan het niet zijn, dacht de kleine optimist in mij voordat het daadwerkelijke kamperen begon, maar het bleek erger. Je at met raar bestek van rare borden die op een klaptafeltje stonden. Het eten was ook namaak en omdat het regende, was alles koud en klam.

    Toen het voorbij was, konden we niet zomaar weg, maar moest alles eerst afgebroken en ingepakt.