live

Klein geluk in Amsterdam: Zondags een kadetje

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Zondags een kadetje

    Ik zat met mijn rolkoffertje in de tram en stond op het punt uit te stappen toen de man die tegenover mij zat, vroeg of ik kwam of dat ik vertrok. De vraag trof me als een vuistslag.

    Wij zijn nog niet aangekomen of we maken ons al klaar voor het vertrek, maar in dit geval wist ik het niet precies. Ik kwam van huis en was bijna thuis, dus ging ik nu of kwam ik? “Ik weet het niet,” zei ik, niet geheel opzettelijk Nijhoff citerend.

    Eenmaal op de halte besloot ik tot een kroket. “Zonder broodje?” zei de banketbakster. De vraag deed me naar adem happen. Zonder broodje? Zonder broodje, ja, en zonder Onze Vader (‘Geef ons heden ons dagelijks brood en zondags een kadetje’), zonder gezongen hoogmis, zonder vrijdaggebed en zonder laag overtrekkende wolkenvelden met hier en daar een bui.

    Zonder broodje? Dat deed me denken aan de manier waarop mensen die ergens in geloven mensen die dat niet geloven als ongelovigen wegzetten. Ieder houtje houdt er zijn eigen ongelovigen op na en ik val altijd in de prijzen.

    Maar, maakt het mij tot een ongelovige, dat ik niet aan iemands houtje doe? Ik dacht het niet. Ik ben niet ongelovig, zij zijn gelovig en dat is niet hetzelfde. Als mensen me vragen wat ik ben, zeg ik altijd ‘niks’, maar een erg bevredigend antwoord is dat niet.

    François de Waal heeft nu het woord ‘apathist’ gemunt: ‘Een ­agnost weet niet of God bestaat, de atheïst zegt dat God niet bestaat en voor de apathist doet het er niet toe.’

    Mijn kroket was inmiddels klaar. “Met mosterd?” zei de banketbakster. “Fout,” zei ik, “je moet zeggen, ‘Zonder mosterd?’ en dan zeg ik: ‘Doe maar met.’”

  2. Eerder was het ook al erg

    Het ergste dat mannen van mijn generatie is overkomen, is een ­zekere voetbalwedstrijd op een zekere dag in juli 1974, de dag die bekend staat als De Dag Waarover Niet Gesproken Wordt. De stad huilde en zijn bewoners lieten zich niet zien, als katten die hun dood voelen naderen, hadden we ons verscholen en toen we weer tevoorschijn kwamen, likten we onze wonden.

    Toen het een jaar later een beetje beter leek te gaan, haalde ik een krop andijvie uit een krant van maandag 8 juli 1974 en begon alles weer opnieuw.

    Eerder was het ook al erg. In 1954, toen ik 10 was, in de dagen dat Nederland nog probleemloos van Finland, Luxemburg en Saarland verloor, was daar als uit het niets het Hongaarse Wonder Elftal. Iedere jongen kon de namen van de Wonderspelers opnoemen, 64 jaar later kom ik niet verder dan Puskás, Kocsis, Hidegkuti en Grosics, de doelman.

    Net als Nederland twintig jaar later ging Hongarije wereldkampioen worden en net als twintig jaar later werd het Duitsland, door een misselijk doelpunt van Helmut Rahn. Terwijl mijn vader meewarig toekeek, zat ik huilend voor de radio. Ik wist dat het nooit meer goed zou komen, en dat is aardig uitgekomen.

    Wel ik heb de Hongaren nog eens zien spelen. In het Olympisch Stadion, tegen een vertegenwoordigend elftal van Amsterdammers, met Jossie Vonhoff in de gelederen als ik me niet vergis.

    De Hongaarse voetbaltovenaars bakten er weinig van, vonden wij kenners in de bovenste ring van het stadion, maar dat was voordat ze even gas gaven en in een paar minuten tijd drie doelpunten maakten.

    Nederland had inmiddels een vriendschappelijke interland van Duitsland gewonnen, dus eigenlijk waren wij nu wereldkampioen, met de Hongaren als goede tweede.

  3. Naar vis rook het niet meer

    De man die bij de visboer aan de beurt was terwijl ik mijn haring van het vlaggetje hapte, zei: “En doe er ook nog maar twee zure bommen bij.”

    “Gaan die ook op de barbecue?” zei de visboer.

    De man lachte. “Wie weet is het heel lekker,” zei ik.

    “Een gat in de markt,” zei de visboer.

    “Haring van de barbecue is wel heel lekker,” zei de man.

    “Zoute haring? Of zure?” zei de visboer. En zo ging dat dus nog even door.

    De volgende morgen ging ik op weg naar de Gasthuismolensteeg, waar een teruggevonden vriend een geschilderd zeegedicht voor me klaar had staan.

    Omdat ik er niet aan gedacht had dat de halte Dam zich tegenwoordig ter hoogte van het Centraal Station bevindt, moest ik heel eind teruglopen. Ik pakte de Beurs Passage, waar het wemelde van de selfiesmakers, maar waar bitter weinig te doen valt, en vandaar nam ik de stegen die me op de Torensluis brachten.

    Die enge kop van Multatuli staat er nog, maar de haringkar op de hoek van Singel en Raadhuisstraat die al een tijd dicht was, is definitief verdwenen.

    Je kan precies zien waar hij heeft gestaan, de ­tegen de brug aanleunende rechthoek is nog heel herkenbaar. Maar de plaatsen waar elektra en water uit de grond kwamen, zijn al onvindbaar geworden, en naar vis rook het niet meer.

    Haringkarrenarcheologie, een droevige bezigheid eigenlijk maar ik kan het niet laten en zoek soms naar overblijfselen op bruggen en hoeken van straten.

    De zeegedichtenschilder vertelde dat toen hij een keer zes haringen op de hoek van het Singel had gekocht de ­haringboer aan hem had gevraagd wat hij er mee van plan was, waarop hij zei: “Ik ga ze zingen leren.”

  4. Een beker karnemelk

    Het mooiste zomer­geluid klinkt, denk ik, wanneer je, bij voorkeur aan het einde van een warme dag, twee ijsklontjes in een glas koude rosé laat vallen.

    Alsof na de lange winter het ijs breekt in de Neva. Het ijs kraakt, knapt, schommelt nog even na en begint dan op te gaan in de wijn. Alvorens het drankje op tafel te zetten, neem ik meestal een klein slokje als om te controleren of het waar is.

    Het tinkelen van de ijsblokjes in het glas op weg naar zijn tafeltje mag er ook zijn. Welhaast zo goed als het brommend zingen van de hommel die een bloem is binnengevlogen, een roos, het klokje van het vingerhoedskruid, een fluweelrode stokroos.

    Op stille zomermiddagen, als de stad is uitgestorven omdat iedereen op Zandvoort zit, laat zich wel eens een klein sportvliegtuigje horen dat hoog in de lucht met zijn verre geronk de stilte versterkt.

    Als wij jongens zo’n vliegtuigje hoorden, hielden we het scherp in de gaten, want het kon zomaar gebeuren dat het ineens een rare bocht draaide, waarna het in de lucht een rookspoor trok dat, terwijl het vliegtuigje zwenkte en keerde langzaam maar zeker een wollig witte letter vormde, de R.

    Wat zal de luchtschrijver schrijven deze keer? “Rabarber,” zei een grapjas, en nadat het vliegtuigje achter de R een A heeft geschreven, lijkt dat nog steeds tot de mogelijkheden te behoren. Maar wat het ook aan de hemel schreef, binnen enkele minuten zou het, wind of geen wind, verwaaien.

    Ook heel zomers was de streperig-witte snor die zich boven je ­bovenlip afzette als je te diep in je beker karnemelk had gekeken. Een beker karnemelk en een ­boterham met komkommer of ­tomaat op een zomerse dag, lekkerder wordt het niet.

  5. Pennen en schriften

    Op het terras van café Marktzicht op de hoek van de 2e Hugo de Grootstraat en de Gilles van Ledenberchstraat zat ik me te verbazen over de hoeveelheid ­reminiscenties die zo’n op het oog toch tamelijk onopvallende plek met zich mee kan brengen.

    Zo heeft mijn vader als jongen met zijn moeder en zijn broer in de 3e Hugo de Grootstraat gewoond. Als hij daarover sprak, klonk hij bitter. Hun huis was eigendom van de Lutherse kerk die zich als weldoende huisbaas meende zich overal mee te mogen bemoeien.

    Over de vernederingen die ze moesten ondergaan, sprak mijn vader niet graag, maar nadat ze er vertrokken waren, wilde zijn moeder niets meer met de kerk te maken hebben. “Het was een akelige kamer,” zei mijn vader, “met een WC op de gang en ouderlingen die in en uitliepen.”

    Mijn herinneringen aan dit deel van de buurt zijn een stuk aangenamer, als is het er eigenlijk maar een. Het zal in de vierde klas van de lagere school zijn geweest, de huidige groep drie als ik me niet vergis, toen de meester zei dat er iemand naar het depot in de Van Reigerbergenstraat moest om daar pennen en schriften te halen.

    De hele klas zat op slag in de kies-mij-meester-stand en o het geluk, toen ik werd verkozen. Ik kreeg een briefje mee en daar ging ik, helemaal alleen, de Erasmusgracht af tot de Joos Banckersweg en zo naar de Jan van Galen.

    Terwijl de andere kinderen aan het rekenen waren of taalles kregen, liep ik over straat en zag de karren die ratelend van de Markthallen kwamen, hoorde ik het bellen van de Beltbrug en zag ik schepen varen door de Kostverlorenvaart.

    De school leek heel ver weg.

  6. Op die koude wintermorgen

    Over het jaagpad langs de Kostverlorenvaart liepen we naar de Beltbrug. Tussen de flats aan het water bloeiden de rozen, in een tuintje was een vrouw onkruid aan het trekken en op het scherp geschoren gras lagen een jongen en een meisje ieder de helft van een krant te lezen.

    De dukdalven langs het pad zijn opgevrolijkt met waterkunst en op de kade zat een aalscholver na te denken. ‘En de scholvers scholven aal,’ dacht ik, maar van wie de regel was, wilde me niet te binnen schieten. Keest Stip? Daan Zonderland? John ‘O Mill.

    Op de Beltbrug keken we naar het heerlijke bruggetje over het Marktkanaal en naar De Otter die er een beetje verweesd bij leek te staan. Het brugwachtershuisje was goddank nog niet bewoond.

    Op het terras van café Marktzicht op de hoek van de 2e Hugo de Grootstraat en de Gilles van Ledenberchstraat was nog een tafeltje vrij, een aanbod dat we niet konden weigeren. We zaten nog niet of mijn geliefde zei: “De tachtig.” En inderdaad, het was de 80, de bus waarmee ik toen ik nog werkte naar mijn werk ging.

    De bus stopte bij de bushalte en toen hij weggereden was, zei ik: “De laatste keer dat mijn moeder bij ons is geweest en ik haar naar Lisse heb teruggebracht, hebben we op deze halte de 80 genomen.”

    Ik zag ons staan op die koude wintermorgen. Mijn moeder klein in haar jas die haar veel te groot geworden was, met schrikogen, voortdurend half in paniek, terwijl ik tijd vullende kletspraatjes verkocht, misschien wel net zo erg in paniek als zij.

    De jongen die op het terras bediende, bracht bier en Vlaamse friet en vroeg of we uit Amsterdam kwamen. “Geboren,” zei ik, “en getogen.”

  7. Haar eerste halve haring

    Ik denk niet dat ik wel eens eerder naar het Bilderdijkparkje ben gegaan. Ik ben er vaak geweest natuurlijk, maar dan kwam ik er terecht.

    Meestal met kleinkind, via het ­nabij gelegen IJscuypje met dat lekkere ijs en die grappige smalle banken voor de deur. Maar deze keer had ik om de een of andere reden zin om naar het Bilderdijkpark te gaan.

    Toen we bij het park aankwamen, zag ik dat buurtcafé De Nieuwe Arend definitief verdwenen was en had plaatsgemaakt voor De Binnenvisser, een uitspanning met terras aan de rand van het park.

    Bij de ingang van het park werd ik aangesproken door een man die Peter de Leeuwe bleek te zijn, de beeldhouwer die een beeld van Johan van Hulst wil maken en die me daarover enige tijd geleden een mail had gestuurd. “Toeval bestaat niet,” zei hij. “Of juist wel” zei ik.

    Van Leeuwe, die vergezeld ging van zijn zoon en een kleindochter, een prachtige baby van een jaar of een, bleek van 1942 wat hem in mijn ogen die van 1943 zijn tot een oude lul maakte, had net als ik in het Kleuter Verzet gezeten, ik in Amsterdam, hij in Den Haag.

    Toen ook nog eens bleek dat zijn kleindochter even eerder bij Jan de haringman haar eerste halve haring had gegeten, stelden we vast dat het zo moest zijn en werd besloten de bijeenkomst op een ander tijdstip voort te zetten.

    Door het park liepen we naar de Kattenrug, het bruggetje waar Bilderdijkgracht, Kostverlorenvaart en Hugo de Grootgracht samenkomen. Wat een water, en wat een uitzicht. Aan de ene kant op de Westertoren, aan de andere kant op de Piramides van Jut, de dukdalven als evenzovele sfinxen in de vaart.

  8. Hij ligt daar maar te slapen

    Terwijl de kinderen ’s nachts over straat slierten, ligt hun vader in diepe slaap verzonken en houdt zijn vrouw de wacht. Twee uur thuis, hebben ze gezegd en het is nu kwart over twee en nog geen spoor.

    Een half uur later is het kwart voor drie en hij ligt daar maar te slapen alsof er niks aan de hand is, terwijl ze toch iets moeten ondernemen, de ouders van haar vrienden opbellen, de binnenstad inrijden om haar te zoeken. Zal ze hem wakker maken? Maar nee, ze weet wat ie zeggen zal, dus houdt zij de wacht, totdat ze, het is bij vieren de deur hoort opengaan en er voetstappen zijn op de trap.

    Zo was het toen ik 16 was, zo was het toen onze dochter 15 was en zo zal het zijn als kleinkind 14 is geworden.

    In tweespraak met haar moeder vertelde een jeugdige bezoekster dat ze ’s nachts wel eens vergat haar moeder te appen om te zeggen dat het wat later werd of dat ze niet thuiskwam. Dat had er bij haar moeder een keer toe geleid dat ze daadwerkelijk de politie belde.

    En die hadden er wel zin an, zeker toen ze hoorden dat de Verloren Dochter zich waarschijnlijk in een chic pand in de P.C. bevond. Ze had daar inderdaad in bed gelegen toen ze plotseling via een ­megafoon haar naam door de nacht hoorde schallen. Naar buiten komen, moest ze en mee, naar het bureau.

    Tegenwoordig ging haar moeder ’s nachts wel eens ’s de hort op. “En als ik dan wakker word,” zei dochter, “en mamma is niet thuis, en ze beantwoordt ook mijn appjes niet, dan gaat de deur op slot en komt ze er niet meer in.”

  9. Hem dank ik de jazz

    Als je niet beter wist, zou je denken dat aan het ­tafeltje in het café drie oude mensen koffie ­zaten te drinken, niks bijzonders dus. Maar ik wist beter, voor mij was er meer aan de hand.

    De andere man aan het tafeltje was de jongen met wie ik van 1956 tot 1959 op de Ir. C. Lely HBS had gezeten en met de dame deelde ik toen zij een meisje was van 1959 tot 1962 de schoolbanken op het Spinoza Lyceum.

    “Waarom ben jij eigenlijk van het Lely naar het Spinoza gegaan?” zei Dorine, want die was het die aan het tafeltje zat.

    “Ik heb Guus jaren geleden eens een briefje geschreven,” zei Ton, “en hij schreef toen terug, dat hij aan die periode van zijn leven liever niet herinnerd wilde worden.” Waarna het ophalen van herinneringen kon beginnen.

    Bij HanTak, ook bekend als Tak of Takkie, bleef ik haken. Tak was een apart figuur volgens Ton. Zo bracht hij zijn beer mee naar school, die hij dan op de bank liet zitten, of hij had een fototoestel bij zich waarmee hij juffrouw Brandenburg, die Engels gaf, wilde­­ ­fotograferen.

    Ik kon me Tak goed herinneren. Hem dank ik de jazz. Tot Tak dacht ik dat jazz hetzelfde was als de Dutch Swing College Band. Want dat zeiden ze op de radio: “En nu ons jazzuurtje met de Dutch Swing College Band onder leiding van Peter Schilperoort.”

    Ik had niks met die muziek, maar met Art Blakey, Gerry Mulligan, Thelonious Monk, Horace Silver, Dizzy Gillespie, en Charlie Parker niet te vergeten, was het liefde op eerste gezicht.

    Waar Tak gebleven is, weet ik niet, maar de muziek die hij me gaf, is nog altijd bij me.

  10. Bij tientallen tegelijk

    Het loopt tegen het einde van de middag als ik na de boodschappen neerstrijk op het terras van Gambrinus op de hoek van de Ferdinand Bol en de Rustenburgerstraat, om de hoek van uitvinderswinkel You think it we make it, zal ik maar zeggen. Het regent niet, maar er vallen druppels.

    De jongen en het meisje die me even eerder voor de ingang van AH nog iets probeerden te slijten wat ik niet hebben wil, bezetten een tafeltje en delen een high five. Een klein meisje in een tweedelig badpakje stept zingend voorbij en vanuit de Rustenburgerstraat komen almaar mooie meisjes langs gefietst.

    Eentje heeft een rieten mandje aan haar stuur waarvan het deksel als ze over de drempel fietst bij wijze van groet even open wipt.

    Aan de andere kant van de Ferdinand Bol zitten gierzwaluwen in de lucht. Veel zijn het er niet, maar het zijn er net genoeg om niet al te verontrust te zijn over de gierzwaluwstand boven Amsterdam. ‘Ze komen met zijn tweeën en ze gaan weg met zijn achten’, schreef iemand me die er zowaar in geslaagd is gierzwaluwen haar nestkastje in te lokken.

    De volgende morgen fietste ik vanaf het Olympiaplein de Herculesstraat in. Een straatje van niks en uitgestorven, maar vlak voor het poortje naar de Marathonweg kwamen de gierzwaluwen van alle kanten tegelijk.

    Vanuit hun tegen de dakkapelletjes gemetselde nesten doken ze omlaag, omhoog en scheerden ze naar de overkant, en weer terug naar het nest, bij tientallen tegelijk. Hun kreet stuiterde tegen de muren en ik stond daar maar, helemaal alleen en helemaal gelukkig.

    Een paar dagen later schreef een vriend die in Sellingen (Gr) woont dat de zwaluwen door zijn huis vliegen. Toch weer iets om jaloers op te zijn.