live

Klein geluk in Amsterdam: Zo'n dag was het

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Zo'n dag was het

    Het was druk voor de etalage van de fossielenwinkel op de hoek van de Eerste Jacob van Campenstraat en de Ruysdaelkade. Er stonden maar liefst drie mensen met hun neus tegen de ruit en met mij erbij werden dat er vier.

    Nadat twee liefhebbers ­waren opgekrast, bleef ik achter in het gezelschap van een dame die haar fiets aan haar hand hield. “Wat mij altijd weer verbaast,” zei ik, “is dat fossielen zo goedkoop zijn. Zo’n zeeëgel is 100 miljoen jaar oud en hij kost maar twee tientjes.”

    “Maar skeletten zijn hartstikke duur,” zei de vrouw. “Ik heb eens een waterhoentje gekocht, nou, dat wil je niet weten.

    Maar laatst is er een merel tegen mijn raam gevlogen en die kost dus niks. Hij ligt nog op het balkon, maar hij is hele­maal schoon. Nu moet ik ­alleen nog het koppie van het lijf scheiden.”

    “Succes,” zei ik toen ze op haar fiets stapte. Ik liep de Jacob van Campenstraat in, waar me een man tegemoet kwam die drie lege lijsten over zijn schouder had hangen.

    Op de door Christo ingepakte Pont Neuf in Parijs heb ik een man zien lopen die een ingepakt schilderij onder zijn arm had. Dat is 32 jaar geleden, maar zoiets vergeet je niet.

    Vanuit de Frans Halsstraat kwam een wit busje aanrijden. Ik hield mijn pas in om het te laten passeren, maar het busje stopte voor me. De man achter het stuur rookte een shagje en gebaarde dat ik door kon lopen. Ik lachte en gebaarde iets vriendelijks terug.

    Zo’n dag was het, een dag voor Chet Baker en Art Pepper, een dansje van Anna Karina in een oude film van Godard, regen op een pleintje in De Pijp.

  2. Een paartje zevens

    ‘Poker?” zei Pat Poker graag, “is dat niet dat spel met vijf kaarten?” Het kan ook met zeven kaarten, maar als ik poker, poker ik als Pat. Ik poker graag, zolang het maar niet om geld gaat. Wie wil weten wat er mis kan gaan, kan te raden bij de ­Sopranos, waar ze als ze iemand te gronde willen richten vaak de ­pokertafel neerzetten.

    Opmerkelijk dat mensen als ze winnen, willen doorspelen omdat ze aan het winnen zijn, en als ze verliezen, willen doorspelen om het verloren geld terug te winnen.

    Beide mogelijkheden leiden tot verlies.

    In een eindeloze pokernacht heb ik eens twee vrienden geheel maar dan ook geheel uitgeschud. Toen we weer bij zinnen waren, heb ik ze alles teruggeven en het plechtige besluit genomen nooit meer om geld te spelen. En daar heb ik me aan gehouden. Maar zolang het om lucifers, schelpen of fiches gaat, poker ik graag.

    Op een dag viel er een uitnodiging in de bus van het Holland Casino Amsterdam. Of ik mee wilde doen aan hun pokertoernooi voor journalisten. Dat wilde ik, en ik was niet de enige zo bleek toen ik op een herfstige middag voor het eerst van mijn leven het Casino betrad.

    Een uurtje later waanden al die keurige journalisten zich Steve McQeen en de Cincinnati Kid. Je zag het aan de manier waarop we onze kaarten vasthielden, naar de dealer keken of de fiches over de groene tafel schoven. Net echt allemaal.

    Met een paartje zevens blufte ik een hele tafel af om vervolgens door te gaan naar de finale. Waarin ik genadeloos onderuit werd gehaald door de correspondent van het Schager Sufferdje. Het einde van een mooie droom.

  3. Gesuikerde citroenrasp

    Sinds 1971 rij ik met enige regelmaat de stad in of uit met de trein die me afhankelijk van in of uit richting Centraal Station voert of richting Zaanstreek.

    Ik heb het altijd een leuk ritje gevonden. Als ik in de stad inkom, zit ik bij voorkeur rechts in de coupé en verheug ik me op het moment dat ik de toren van de Westerkerk zal zien. Ook de prachtige dubbele rij bomen op het Westergasterrein mag zich in alle seizoenen op mijn belangstelling verheugen.

    Als ik de stad uit rij, zit ook aan de rechterkant. Vroeger keek ik dan vooral uit naar het welhaast ondeelbaar korte ogenblik dat je in een bocht de Hembrug zag liggen. Dat kan niet meer, maar ‘gesuikerde citroenrasp’ is er nog.

    Ter hoogte van het Prinseneiland schreeuwt van alles om aandacht, het elegante ophaalbruggetje over de Prinseneilandsgracht, de pakhuizen, de scheepswerfjes, de smalle straten, maar ik kijk uit naar de achterkant van een gebouw, waarvan ik de voorkant nooit gevonden heb, al was maar omdat ik er nooit naar heb ­gezocht.

    Op die achterkant, vlak onder de daklijst, staat met zwarte letters op een gele achtergrond: ‘GESUIKERDE CITROENRASP’.

    Van sommige woorden krijg je een smaak in je mond. ‘Citroenrasp’ is zo’n woord. Het smaakt zuur, naar citroen, maar er is meer, ‘rasp’ voegt er iets aan toe, maakt het zuurder op de een of andere manier.

    Maar terwijl de mond zich al in verrukking samentrekt, wordt alles bedorven door het ‘gesuikerde’ dat aan de ‘citroenrasp’ vooraf gaat.

    Als ik me goed herinner, stond er na ‘gesuikerde citroenrasp’ nog ‘citroensap’, maar dat kan je niet meer lezen, zoals ook ‘gesuikerde citroenrasp’ langzaam maar zeker aan het verdwijnen is.

  4. De poes komt er bekaaid af

    Het eerste wat me opviel op de expositie Kijk Amsterdam 1700-1800 in het Stadsarchief was dat het Amsterdam van 1700-1800 zoals hier te zien veel meer op het Amsterdam van nu lijkt dan het Amsterdam van mijn jonge jaren.

    Ga met Reinier Vinkeles op de Geldersekade staan en kijk in de richting van de Schreierstoren en je ziet dat je ziet wat hij zag. Hij zag het in 1762, tweehonderdvijfenvijftig jaar geleden.

    Vijfenveertig jaar geleden kwam ik vaak op de Geldersekade. Als de café’s dicht waren, bezochten we er klopcafés, cafés waar je alleen binnen kwam als je wist welk signaal je op de deur moest kloppen.

    Overdag bestonden die kroegen niet, maar ’s nachts was het er des te drukker. En buiten was het een zooitje, heel anders dan op de lieflijke prent van Vinkeles. Toch is er een ding dat de prent met de Geldersekade van de jaren zeventig verbindt.

    De man die tegen een boom staat te wateren. Er wordt veel wild geplast op deze schitterende expositie, in sloppen en stegen, tegen muurtjes en bomen, vrij openlijk, het was toen kennelijk niet zo’n schanddaad als nu.

    Opmerkelijk zijn ook de vele begrafenisstoeten die voorbij trekken, en als je er eenmaal een gezien hebt, zie je ook overal honden ronddartelen. Of er inderdaad ­zoveel honden in de stad rondliepen, waag ik overigens te betwijfelen. Ze lijken vaak aanwezig om wat vaart in de boel te brengen, want de mensen staan nogal eens stil.

    De poes komt er bekaaid af. Ik telde er maar een. Op een huiselijk tafereeltje van Jacob Cats ligt hij op een kussentje op een stoel naast het haardvuur heerlijk poes te wezen. En straks weer muizenvangen.

  5. Tom! Tommetje! Studio Sport!

    Lang geleden zat ik eens met Tom Egbers bij Wildschut. Het zal in 1995 zijn geweest, want we hadden het over De zwarte meteoor, het boek dat Egbers had geschreven over Steve Mokone, de uit Zuid-Afrika afkomstige voetballer met wie Heracles in 1959 kampioen werd. Van de tweede divisie, dat wel. De zwarte meteoor is het enige boek over een voetballer dat ik gelezen heb.

    Arie Rekelbast ken ik uit Arie Rekelbast: de mens, de Haarlemmer, de voetballer van Godfried Bomans, maar ondanks het feit dat Arie de 80 meter horden met horden sneller liep dan zonder, nog steeds een uitzonderlijke prestatie voor een voetballer, telt hij geloof ik niet mee, omdat hij naar het schijnt niet echt bestond, maar door Bomans is verzonnen. Piet Keizer is niet verzonnen en ik zou graag een boek over hem lezen, maar ik geloof niet dat het bestaat.

    In Wildschut zat ik met Egbers te praten over dat wonderbaarlijke Almelose seizoen van Mokone toen er voor het raam een nog veel wonderbaarlijker gestalte opdook. Een man van middelbare leeftijd had zich vlak voor de ruit op zijn hurken laten zakken en sprong stuiterend op en neer, terwijl hij met een uitgestrekte arm naar ­Egbers wees. “Tom!” brulde hij, “Tommetje! Studio Sport! Voeballen!”
    “Tja,” zei Egbers en hij nam nog een slokje van zijn koffie.

    Van de week zag ik Tom Egbers zitten bij Wildschut. Ik overwoog actie, maar zag er van af wegens oude knieën. Ik vervolgde mijn weg en dacht met groot plezier ­terug aan de talloze keren dat de uit Almelo afkomstige Egbers tijdens evenzovele uitzendingen van Studio Sport op haast achteloze wijze het woord ‘Heraclieden’ in zijn verslag heeft weten te verwerken.

  6. Een potje putten

    In zijn boek Amsterdam bij gaslicht, met illustraties van Fiep Westendorp, beschrijft Maurits Dekker (1896-1962) de spelletjes uit zijn jeugd en stelt anno 1950 vast dat ze allemaal verdwenen zijn.

    Het gekke is dat ik die spelletjes anno 1950 allemaal gespeeld heb. Of heb zien spelen. Er waren nu eenmaal meidenspelletjes, waaraan je als jezelf respecterende jongen niet kon meedoen. Kaatsebal ik vang je al bijvoorbeeld (‘in mijn ene hand/ in mijn andere hand/ van je klipperdeklap/ van je voetjesgetrap/ van rommeldebom/ van keer je maar om’), ja, kom een beetje, er zijn grenzen.

    Maar voor de rest herkende ik ­alles, van Schipper mag ik overvaren tot hoepelen, oorlogverklaren, landjepik, diefie-met-verlos en Spanjolen, een spel dat door Dekker overigens niet genoemd wordt.

    Als ik door een stille straat loop, neem ik nog wel eens de stoep-rand. Met gespreide armen als was ik een koorddanser zet ik mijn ene voet voor de andere op het blauwe steen. Haal ik de hoek, dan komt het goed. En als ik van de stoeprand val, dan telt het niet.

    Tegels zijn, zoals iedereen weet, voor dit spel, dat nog altijd druk gespeeld wordt, ook heel geschikt. Een naam heeft het niet bij mijn ­weten, maar het is kindermagie.

    Net als de putdeksel die ik ­onlangs aandeed en die nog steeds de putdeksel is die als doel diende als wij op het autoloze pleintje na het poten een potje putten. Met een niet al te grote, maar ook weer niet te kleine rubberen bal. Blauw-Wit tegen Ajax speelden we. Of Engeland tegen Hongarije. En wie er ook won, we wonnen altijd.

  7. Met de Galerij verdwenen

    En ineens ben je op weg naar huis. De hele middag lag de stad wijd open en kon je alle kanten op, naar de Diemerdijk of Jongensland, naar het Victorieplein, naar de oude Sloterweg of de Ringdijk, maar toen ik de Utrechtsestraat uit kwam en het Frederiksplein bereikte, wist ik dat het einde van de rit in zicht was.

    Door mezelf af te vragen waar de Galerij ook alweer stond, probeerde ik nog wat uitstel te kopen, maar erg lukken wou het niet. Ik heb geen scherpe herinneringen aan de Galerij.

    Ik ken de foto’s van Gerard Kornelis van het Reve en Willem Frederik Hermans die samen langs de gietijzeren hekken onder de gietijzeren overkapping lopen, ik weet dat Reve er met Hanny Michaelis heeft gewoond, maar mijn eigen wandelingen door de Galerij zijn in de mist verdwenen.

    Je zag er wel eens een kind op een grote bal lopen of op een eenwieler balanceren, maar het was er vooral stil, meen ik. Mijn herinneringen lijken met de Galerij verdwenen.

    Ik ben al bij de Govert Flinckstraat als ik voor de zoveelste keer bedenk dat ik eens moet kijken hoe het nou precies ziet met Van Woustraat 28, waar Hoyer woonde over wie Bavink tegen de journalist die hem, in Mene Tekel, komt interviewen zegt: ‘Gaat u maar naar meneer Hoyer die kan U alles kan vertellen wat U weten wil en die spreekt als een tijdschrift.’

    Eenmaal thuis had ik het, op de trap, met mijn bovenbuurman over Reve’s The Acrobat and other stories door Hanny Michaelis vertaald als Vier wintervertellingen.

    Zo slecht en onreviaans als de verhalen in The acrobat zijn, zo goed zijn dezelfde verhalen als Vier wintervertellingen. Haar Reve was toen beter dan Reve’s Reve, was de conclusie.

  8. Zijn negentigste verjaardag

    Alies uit Hengelo die als ze mijn haren knipt vaak zo gezellig met mij praat, had een oudere heer onder de kapmantel met wie ze meteen een gezellig gesprek ­begon.

    Hoe oud hij was, wilde ze weten. Een indiscrete vraag , maar als Alies hem stelt, ben je maar al te graag bereid haar te antwoorden. “Negentig,” zei de al wat oudere heer. “Negentig!” riep Alies. Dat had ze niet gedacht, ze had eerder gedacht dat hij tachtig was, begin tachtig, vierentachtig op zijn hoogst.

    “Lijkt me best moeilijk,” zei Alies, “om zo oud te worden.Iedereen om je heen gaat dood, je broers, je zusters, iedereen.” Maar de oudere heer vond dat niet zo’n probleem. Het hoorde erbij, vond hij.

    “Woont u nog op zichzelf?” wilde Alies weten. Dat deed de al wat oudere heer. Hij deed ook nog ­alles zelf, behalve koken. Zijn eten liet hij komen. “Negentig,” zei Alies enigszins bezorgd.

    “Nou ja,” zei de wat oudere heer, “ik zeg negentig, maar ik ben negenentachtig. Zondag word ik negentig.” “Hoe viert u het?” vroeg Alies. De oudere heer zei dat hij naar zijn zoons ging, en dan zag hij wel zag wat zij bekokstoofd hadden.

    “Leest u Het Parool?” vroeg Alies ineens. Ze vindt het best leuk dat ik met enige regelmaat over haar bericht, dus ik had een vaag vermoeden van wat komen ging. “Ik ben een Amsterdammer,” zei de oudere heer. “En leest u Klein geluk?” zei Alies.

    “Als je Het Parool leest,” zei de wat oudere heer, “lees je Klein geluk.” “De meneer die dat schrijft,” zei Alies, “zit daar.” “Dan ga ik hem meteen een hand brengen,” zei de heer die gisteren zijn negentigste verjaardag vierde.

    Nogmaals, van harte!

  9. Twee in één klap

    Het lijkt onvoorstelbaar, maar er zijn in de stad hele pleinen die zich een leven lang verborgen weten te houden. Ik was op zoek naar een beroemde zuurwinkel in de Vechtstraat en toen ik die niet vinden kon, reed ik een tijdje doelloos in de rondte, heerlijk.

    In de Lekstraat viel het me op dat hier overal GVB’ers liepen. Even later werd me duidelijk waarom. Want daar lag ineens de remise met zijn indrukwekkende uitruksporen, prachtig woord, in al zijn majesteit.

    Als kind ben ik eens in de remise geweest waar nu de Hallen zitten. Het rook er naar lak en oud ijzer. Een opa die nooit echt een opa worden wou, schilderde daar de tram. Blauw. Dat deed hij goed. Hij droeg, meen ik me te herinneren, een witte overall.

    Douwe was de derde man van mijn vaders moeder. Hij las de Waarheid en mijn vader had van kinds af aan een ­hekel aan hem gehad. Hij stierf aan keelkanker. Veel drinken was hem verboden, maar op een middag vroeg hij me of ik bij de kruidenier op de hoek van de Willem de Zwijgerlaan een paar flesjes bier voor hem wilde halen.

    “Koud,” zei hij erbij. Hij kon bijna niet meer praten. Het was een ­zomerse dag en door de hitte liep ik langzaam langs het Rijpgrachtje, de centen in mijn hand. Een paar dagen later was hij dood.

    Ik volgde de Kromme Mijdrechtstraat, stak de Vrijheidslaan over, keek even naar de Wolkenkrabber en belandde vervolgens op het Meerhuizenplein. En vandaar op het al even grote plein dat tussen Reggestraat, Berkelstraat en IJsselstraat zit ingeklemd.

    Twee in één klap, nog vijf en ik kon me ­meten met het snijdertje uit het sprookje.

  10. Waar Sally en Harry zaten

    Zoals iedere wereldstad kent New York een paar plaatsen waar je geweest moet zijn. Zo moet je het Empire State Building op, met de ferry naar Staten Island, naar de vijver van Central Park. Er zijn mensen die vinden dat je dit soort toeristische attracties dient te mijden, maar die mensen hebben het niet begrepen, want zo’n attractie is niet voor niets een attractie geworden.

    Als je als toerist in Amsterdam bent, pak je op Muiderpoort de 3 naar de Zoutkeetsgracht. Daarna eet je op het Haarlemmerplein een haring van Dok, want zo hoort het, en wat hoort, valt nooit tegen. Wie in New York is, gaat naar Katz’ Delicatessen op de hoek van East Houston en Ludlow in de Lower East Side van Manhattan.

    Toen onze taxi voorreed, stond er een ontmoedigend lange rij, maar sneller dan gedacht bereikten we de ingang, waar de rij zich in drie nieuwe rijen splitste, een voor afhalers, een voor zelfbedieners en een voor mensen zoals wij die een tafeltje met bediening wilden.

    Het spektakel was overweldigend, overal tafeltjes, overal mensen en overal voedsel. Een jongeman riep de namen af van de mensen die aan de beurt waren voor een tafel. “Lily!” riep hij, en toen Lily niet verscheen, klonk het “Lily once, Lily twice, next!” waarna het onze beurt bleek.

    De wanden zijn van boven tot onder bedekt met foto’s van ­beroemdheden die hier ooit aten, een bordje geeft aan waar Sally en Harry zaten, toen Sally haar fake orgasme ten gehore bracht. We ­bestellen de pastrami sandwich, zoals iedereen dat doet en als het broodje, wat eigenlijk geen broodje heten mag, voor me staat, weet ik dat ik met een gerust hart naar Amsterdam terug kan keren.