live

Klein geluk in Amsterdam: Een korte omweg

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Een korte omweg

    Op straat valt van alles te zien en te beleven. Je hoeft je huis waar nooit iets gebeurt, nou ja, je vindt wel eens een theelepeltje ­terug dat kwijt was, maar te verlaten en de dingen komen in beweging. Zouden de dingen stil staan als jij niet naar ze keek?

    Mijn geliefde is al eerder vertrokken. Ze is naar de kapper, maar als ze geknipt is, treffen we elkaar en daarom ga ik ook op weg.

    De klok lijkt een korte omweg toe te staan en zo beland ik in de passage van het Rijksmuseum, waar ik een man in een wit pak achterop rij die op zijn rug een enorme map meezeult.

    Er staan letters op, maar ondersteboven zodat ik ze niet zo snel kan lezen. Dus parkeer ik langs de stoeprand en laat de man die onder zijn last bijkans bezwijkt nog een keer passeren. ‘Small ­notebook’ lees ik.

    Bij Iris & Schrieck staat een enorme brandweerwagen in de etalage, zodat de man die naast me staat welhaast gek van begeerte wordt. Ik wil naar binnengaan als mijn telefoon gaat en mijn omweg drastisch inkort. ‘Rechtdoor/ naar school en kantoor’ is het nu.

    In de etalage van een Italiaans restaurant op de Elandsgracht, zie ik, staat een zeegroene Vespa en een eindje verderop, op een bankje voor een gesloten herenkapper, zit een vrouw de krant te lezen. “Ik herkende je niet,” zeg ik. “Naar de kapper geweest misschien?”

    Als we bij Libertine in de Wolvenstraat iets lekkers eten, zitten we tegenover een winkel die Closed heet, maar die wel degelijk open blijkt te zijn. En dat weet ik nog niet, maar op de gracht, om de hoek, staat een enorme zeegroene ijskast te wachten op ik weet niet wat.

  2. Marie schonk de glazen vol

    Marie ging, denk ik, elke dag even naar de kapper in de Lange Niezel. Op weg naar café Emmelot kwamen we elkaar vaak tegen, zij met een sjaaltje over haar vers gekapte haren. In het café zaten de vaste jongens te wachten.

    Zo herinner ik me Brabantse Willem die een sigarenwinkel dreef en altijd jarig was, de ­homoseksuele Zaandammer met een muts van imitatie astrakan op zijn kop, de voormalige legionair die tegen twaalven begon te exerceren om tegen enen in huilen uit te barsten, Lous die bij de Golden Crown werkte en Nelis natuurlijk die onder zijn betonnen vechtpet naast de jukebox stond.

    Als Nelis met de bouwvak ging, ging hij vissen in Djémèn. Ik voerde vaak lange gesprekken met hem zonder dat ik hem verstond. Wij kwamen een paar jaar bij Marie toen ze besloot dat er een nieuwe bar moest komen. Dat vonden wij niks. Van ons moest alles altijd hetzelfde blijven.

    Om het onheil af te wenden, richtten we de Marie Fan Club op. Wie lid werd, tekende automatisch de petitie ten behoud van de oude tapkast. Maar het mocht niet baten. Op een middag werd de bar vanaf de brug over de Voorburgwal feestelijk te water gelaten.

    Aan de nieuwe bar bleek het ook goed toeven. De dagen gleden er voorbij en niemand die ook maar een dag ouder werd.

    We zaten te ouwehoeren en Marie serveerde een balletje gehakt. Ze liet haar schaterlach horen en zette Dinah Washington op. We zaten te drinken en Marie schonk de glazen vol en vertelde dat ze op Zandvoort een caravan had gekocht. “Waarvoor?” wilden we weten. “Ach,“ zei ze, “je wilt wel eens wat anders.”

    In Memoriam Marie Louwerens (1931-2018).

  3. Maar Marie was anders

    Als café Emmelot op ­zaterdagavond vol zat, en met vol bedoel ik prop, stamp, afgeladen, als haringen en sardines zal ik maar zeggen, kwam onvermijdelijk het ogenblik dat Marie, die ­tamelijk gevuld was, en haar broodmagere zus Jos even verdwenen.

    Als ze terugkwamen droegen ze een bolhoed en Laurel en Hardy-maskers. Marie dat van Laurel en Jossie dat van Hardy. Na de staande ovatie klommen ze op de bar waar ze hun obscene dans uitvoerden die de menigte onherstelbaar uit zijn dak liet gaan.

    Wie het heeft meegemaakt, is nooit meer dezelfde geweest.

    Café Emmelot was zo’n café dat onder je huid kroop, en dat kwam niet door het café, want het was een café als andere, met een bar, een biljart, en een jukebox. Maar Marie was anders.

    Marie liet de Amerikaanse verlofgangers in dollars betalen om ons van het verschil te drinken te geven, Marie hield af en toe de jeneverfles hoog om de drank rechtstreeks in je mond te schenken tot ie overliep en als er stiltes vielen liet ze het dienblad vallen, waarna iedereen weer bij de les was.

    Intussen zat haar Piet op het dak bij zijn duiven, maar zodra het druk werd, kwam hij beneden om een oogje in het zeil te houden. Het was een kleine, donkere man die ik eens met het ondereind van een biljartkeu twee lastige reuzen de zaak heb zien uitmeppen.

    Marie hield van de Supremes en van Ray Charles, van Trini Lopez en Sam The Sham, van Tante Leen en Manke Nelis. Maar het meest hield ze van het singletje van Dinah Washington dat vele malen per dag te horen was: What A Difference A Day Makes (and the difference is you).

    (Wordt vervolgd)

  4. Wij hielden van Marie

    Wanneer ik café ­Emmelot betrad, hield ik me altijd aan de regels van een door mij zelf geschapen ritueel. Vlak achter de deur, in de hoek aan de kant van de Oudezijds stond een oude weegschaal, en hij staat er nog. De weegschaal was smal en hoog en had een gleuf waarin je twee centen gooien moest om gewogen te worden.

    Altijd als ik binnenkwam, ging ik op de schaal staan en gooide mijn twee centen, of waren het bij gebrek aan centen stuivers, in de gleuf, waarna er helemaal niets gebeurde. Want de weegschaal was sinds mensenheugenis kapot.

    Zoals ook de haan die boven de bar hing en die geflankeerd werd door de in tweeën gedeelde tekst ‘Als deze aan kraait, Piet// Geef ik krediet’ nooit kraaide. Niet dat Marie, de onlangs op 87 jarige leeftijd overleden uitbaatster van café Emmelot, nooit krediet gaf, het heette alleen niet zo. Het heette ‘ik schrijf het wel even op’.

    Vanaf het moment dat ik Marie voor het eerst zag, hield ik van haar, en dat gevoel is altijd gebleven, mijn Zeven Natte Jaren lang en ook in de jaren die volgden en ik nog maar incidenteel binnenviel om Marie vaak niet treffen.

    De vriend die ik al snel meetroonde naar Emmelot hield ook van haar. Wij hielden van Marie en Marie hield van ons. Als we aan de hoek van de bar, zij aan de ene kant en wij aan de andere, met zijn drieën zaten te drinken en te kletsen, kwam onvermijdelijk het heerlijke ogenblik dat Marie informeerde waar wij nu eigenlijk in studeerden.

    “In de beffologie zeker, hè?” En dan lachten we en schonk Marie de glazen nog eens vol en altijd van het huis.

    (Wordt vervolgd)

  5. Opgestoken parapluutje

    In de trein kwam er een meisje tegenover me zitten. Ze was een jaar of 6 en ze kon al een beetje lezen. Nog geen hele woorden, maar wel letters. “Kijk,” zei ze tegen haar moeder die naast me zat, “daar staat de M van Marlies.” Ze wilde weten welk woord er stond, maar haar moeder praatte er overheen, waarschijnlijk omdat er HOMO stond.

    Toen de conducteur de coupé betrad, zei de moeder: “Moest je de conducteur niet iets vragen?” “Waarom zijn er geen gordels?” zei Marlies tegen de conducteur. “Dat is een goede vraag,” zei de conducteur, met paniek in zijn ogen, want hij had geen idee.

    Ondanks dat begon hij een verhaal over mensen die vlug moesten kunnen uitstappen en dat dat niet kon als je een gordel om had, een slap betoog dat hij eindigde met de vraag: “En? Ben je tevreden met dit antwoord?”

    Marlies dacht heel even na en zei toen “nee”. Die liet zich niet met een kluitje in het riet sturen. Toen ik het station uitliep, bleek het te regenen, en niet zo’n beetje. “Akelig weer,” zei een man op de tramhalte. “De musea zullen wel vol zijn.” “Die zijn altijd vol,” zei ik. “Ja,” zei hij, “maar waarom heb ik nooit begrepen.”

    Tijdens de tramrit dacht ik na over zijn opmerking, maar ik kwam er niet uit. Op dat moment kwam er een jonge vrouw binnen met een opgestoken parapluutje, dat toen ze eenmaal binnen was een stuk groter leek te worden en nog veel groter werd toen ze het niet dicht bleek te krijgen. De hele tram bemoeide zich ermee, maar de paraplu weigerde.

    Die zou ik graag eens een strandstoel zien uitklappen, dacht ik toen ik uitstapte.

  6. Een groot dichter

    Toen ik het aan de Amstel gelegen café Hesp binnen ging, zag ik in een oogopslag dat alles bij het oude was gebleven en wist ik meteen weer waarom de journalisten uit de Wibautstraat hier zo graag zaten te drinken.

    Hesp is niet alleen een bruine kroeg, alles is er ook bruin of liever in tinten van bruin, van een beetje tot heel donker. De jongens van de bediening steken er wonderlijk licht bij af.

    Ik stond aan de bar met een vijfje in mijn hand om een borrel te ­kopen toen ik mijn naam hoorde roepen. Hij zat een eind weg, maar ik herkende hem aan zijn tatouaties, Henk Schiffmacher die ik, denk ik, net zolang niet had gezien als ik niet in Hesp geweest was, een jaar of vijfentwintig.

    Henk was in gezelschap van een reusachtige witte hond die onder tafel vredig lag te slapen en van zijn Louise die ik als ik haar eerder had ontmoet ook aan haar tatouaties had kunnen herkennen.

    Er kwam drank op tafel, er klonk ziejedienogweles en hoegaathetmetdie en op een gegeven moment vroeg Schiffmacher of ik Hendrik van Teylingen kende. “Jazeker,” zei ik, “een groot dichter.”

    Dat deed Louise plezier om te horen, want zij was zijn dochter. Vanaf dat moment hadden we het over haar vader die niet alleen een groot dichter was maar ook van Hare Krishna. “Mijn vader is heilig verklaard,” zei zijn dochter.

    Toen hij op sterven lag, is er een tape gemaakt, waarop je zijn discipelen hoort zingen en trommelen en om een broodje kaas hoort vragen. Nadat hij de laatste adem heeft uitgeblazen stopt de opname, maar de tape loopt door en brengt dan Jesus Christ Superstar ten gehoren.

    Hare Krishna, hare hare.

  7. Veel vaker heb ik geen doel

    Meestal tram, fiets of loop ik maar wat raak. Ik hoef van niemand niks en kan dus gaan en staan waar ik wil en wanneer ik dat wil.

    Soms zegt een vriend: “Zullen we naar Noord, naar het fabrieksterrein van de Fokker?” en dat doen we dan, maar veel vaker heb ik geen doel. In die zin vertonen mijn bezigheden een grote overeenkomst met het leven zelve.

    Maar vandaag had ik een doel. Een paar weken terug zag ik een paar kamelen over een viaduct wandelen en die kamelen die eigenlijk dromedarissen waren (één bult) wilde ik nog eens zien. Vandaar dat ik de Berlagebrug was overgestoken. Die vlak achter mij openging en zijn blauwe onderkant liet zien.

    Een matig soort blauw trouwens. Waarom schilderen zo’n onderkant niet Yves Klein Blue en als dat teveel gevraagd is, maak er dan een Mondriaan van of een Barnett Newman. Iedere ­Amstelbrug zijn eigen kunstwerk, wat een spektakel zou het zijn.

    De kamelen kon ik zo niet vinden, maar in plaats daarvan stuitte ik op een viaduct met daarop de woorden ‘DOE IETS’. Doorzichtige letters waren het die me aan Meccano deden denken en tevens aan het denken zetten. ‘Doe iets,’ ja, maar wat?

    Terug aan de Amstel zag ik een poort die ‘Hulp voor Onbehuisden Mannen’ beloofde. Achter de poort stond een groot gebouw dat ateliers herbergde. Voor het ­gebouw lag een moestuin met ­rabarber en wijnranken tegen een zorgvuldig afgesloten tuinhuisje. Op een rond voetstuk stond een papegaai in felle kleuren.

    Ik ga naar café Hesp, bedacht ik, niet omdat ik dorst heb, maar om iets te doen en om dit stukje te kunnen besluiten met de zin: ‘Daar zaten ze vroeger te zuipen, de mannen van het Parool.’

  8. Geur van rubber, sokken, voeten

    Vroeger was het altijd koud meen ik me te herinneren. Met de ijsheiligen, half mei of daaromtrent, vroor het dat het kraakte en daarna kwam de junival, en dat was ook niet best.

    Zoiets als zeevlam, maar dan erger. En het regende ook altijd. Als ik naar de tennisbaan fietste, begon het halverwege, zo ter hoogte van het Bellamypleintje te regenen. Eenmaal op het tennispark keek je naar de plassen op het gravel van de banen en je wist dat het uren zou duren voor er kon worden gespeeld.

    Tegenwoordig regent het niet meer en als het al regent wordt al het water door het gravel opgezogen. Het gravel verandert in pap, maar zelfs de grootste plas is in een kwartier verdwenen.

    Na anderhalf uur tennis in de regen fietste ik door de regen naar huis. Ik reed langs de Stadionkade en terwijl ik langzaam natter werd, keek ik naar de druppels in het water. De meisjes op hun fietsen hadden de paraplu opgestoken en hier daar zag ik, heel­ouderwets, een zwarte poncho.

    Toen ik een jongen was, droegen alle jongens kaplaarzen, zwarte kaplaarzen. In die kaplaarzen hing de enigszins muffe geur van rubber, sokken, voeten. Maar dat rook je alleen als je ze aantrok, na school, om kwart over vier, en als je ze uittrok, na het bovenkomen, om zes uur.

    Om tien over vijf ongeveer stond je in de blubber van een betrekkelijk ondiep meertje onder aan de dijk toen je plotseling voelde hoe je voeten werden vastgezogen in de modder en langzaam wegzakten, zodat het leek of het water steeds hoger kwam te staan.

    Totdat het de rand van de kaplaars bereikte en de kaplaars overstroomde. Er is geen jongen die zich niet herinnert hoe dat voelt.

  9. Zal ik wel of zal ik niet

    Op het moment dat ik de Beethovenstraat inreed, ­begon het zeuren in mijn kop, ‘zal ik wel of zal ik niet, zal ik of zal ik toch maar niet’, een haring meen ik. Eerst maar even naar de Mensenvriend, dacht ik, dan zien we daarna weer verder.

    Terwijl ik mijn fiets op slot zette, zag ik een jonge moeder met haar nog veel jongere zoontje de winkel uitkomen. Het jongetje droeg een gele fietshelm en onder zijn arm een sixpack closetpapier.

    Plotseling bleef hij staan, legde het pak op de grond om zich vervolgens op een bedje van Popla te slapen te leggen. Zijn moeder keek vertederd toe, ik keek vertederd toe en een al wat oudere dame leunend op haar stok deed hetzelfde.

    Ineens zag ik wie het was, Marjan Berk. "Ha Marjan,” zei ik. “Even kijken,” zei ze, en toen: “Ha Guus.” Ik vroeg of ze in de buurt woonde, maar nee, ze woonde in een hofje aan de gracht. “Maar ik heb hier wel gewoond,” zei ze.

    “In de Schubertstraat, tussen de muizen en de kakkerlakken.” “In zo’n chique straat?” zei ik. “Het is maar wat je chic noemt,” zei Marjan. Toen haar man haar verliet, was zij ook weggegaan. “Dat is lang geleden,” zei ik. “Ik was zestig,” zei ze. Inmiddels was ze 86.

    Na een blik op mijn fiets zei ze: “Fietsen mag ik niet meer, maar ik rijd nog wel auto. Mijn oude Saab staat verderop.” Marjan wilde haar weg vervolgen, maar die werd geblokkeerd door een busje.

    Uit het busje kwam een pontificaal in ­Volendams kostuum gestoken vrouw die bij de viswinkel naar binnen ging. Waarmee het pleit beslecht was. Ik volgde de Volendamse naar binnen en bestelde mijn haring.

  10. Gevonden op het Waterlooplein

    Net als Jan Six heb ik wel eens wat gevonden op het Waterlooplein. Vond Six geheel zoals het hoort een echte Rembrandt, ik vond een Foujita.

    Op weg naar een afspraak in Danzig, het café met het mooiste uitzicht van de stad en met als extraatje Fatima Elatik die op een troon troonde met een kring van Marokkaanse jongens aan haar voeten, een prachtig schouwspel, liep ik langs een kraam waar ik iets ingelijst zag staan dat de signatuur Foujita droeg.

    Ik was al tien kramen verder toenik dacht, Foujita? Op het Waterlooplein? De Japanse schilder Foujita (1886-1968) is in Frankrijk wereldberoemd, maar in Nederland kent vrijwel niemand hem, dus zou het zou zo maar kunnen dat er werk van zijn hand op het Waterlooplein was beland.

    Terug dus, es kijken en dan voorzichtig informeren naar de prijs. Het bleek een leuke aquarel met een schaap op wieltjes en een dame in rode kimono. De prijs viel ook mee, maar er was wel iets mee.

    Jan Six had het natuurlijk makkelijk, ten eerste is er niemand in de wereld die zoveel boeken over Rembrandt heeft gelezen als hij; ten tweede heeft hij zijn hele jeugd tegen dat portret van de Oude Six zitten aankijken wat ook heel leerzaam is en ten derde stond het met koeienletters op de achterkant, ‘REMBRANDT’, als je dan nog niet ziet dat het om een Rembrandt gaat.

    Maar op mijn Foujita had de schilder voor zijn Japanse signatuur wel bijzonder knullig uitgevoerde karakters gebruikt. Het bleek een vervalsing, dit in tegenstelling tot de Rembrandt van Six die hij, Six meen ik, nu voor honderd miljoen euro gaat verkopen aan de hoogste bieder. Ik heb mijn Foujita gehouden. Ik zou hem voor geen goud willen missen.