live

Klein geluk in Amsterdam: De stad is vol dwanggedachten

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. De stad is vol dwanggedachten

    Als je van de Olympiaweg het Olympiaplein op gaat in de richting van de Apollolaan kom je langs een rijtje huizen met een tuin ervoor en in iedere tuin een boompje. Tot voor kort dacht ik dat het knotwilgen waren, maar dat is niet zo. Wat het wel zijn, weet ik niet.

    Altijd als ik langs die huizen kom, denk ik aan Elke van Splunter, een meisje dat hier woonde in de jaren zestig van de vorige eeuw. En altijd als ik aan Elke van Splunter denk, vraag ik me af waar ze gebleven is en neem ik me voor dat uit te zoeken.

    Een eindje verderop, bij het Van Heutsz-monument denk ik aan Paula Box, met wie ik in het najaar van 1959, na een klasseavond bij Bart Wuite in de Harmoniehof, op de trappen van het Van Heutsz-monument heb staan, heb zitten zoenen.

    De stad is vol dwanggedachten. Nader ik station Sloterdijk, dan verdringen ze elkaar en buitelen over elkaar heen in hun poging mijn aandacht te trekken.

    Op mooie dagen in voorjaar en zomer kwamen wij met onze paraplu’s, in onze afgeknipte regenjassen en onder onze naar voren gekamde haren naar de Haarlemmerweg om naar Zandvoort te liften.

    Soms waren we wel met zijn dertigen, en hoe het kan, weet ik niet, maar we kwamen altijd weg.

    Een paar jaar eerder, toen we nog op de lagere school zaten, gingen we naar de Coca Cola-fabriek om naar de lopende band te kijken,waarop de flesjes gevuld en gedopt werden. Het verhaal ging dat er wel eens een man naar buiten kwam van wie je dan een flesje Cola kreeg. Maar meegemaakt heb ik dat niet.

  2. Duistere krachten

    Zoals bekend is de smartphone voor de al wat ­oudere medemens een van de grote mysteriën van het leven. Wat vroeger God was, is nu de telefoon. Mensen zijn er de Godganse dag mee in de weer, maar met wat ze precies uitvoeren, daar kom je niet achter.

    Ik probeer weleens informatie in te winnen, maar je wordt afgescheept met vage verhalen, over geheimzinnige instituten die bezocht dienen te worden, berichten die op ondoorgrondelijke wijze verzonden worden en die dan tot tegenberichten leiden, een en ­ander vaak in groepsverband. ­Onzichtbare krachten zijn het, heel duister allemaal, net als de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen.

    Maar hoe zit het omgekeerd, vroeg ik me laatst af. Vraagt de smartphonegebruiker die tegenover mij zit te duimen zich af wat ik met mijn lege handen te niksen zit? Het moet heel raar voor hem zijn iemand te zien die naar de ­wereld kijkt zonder die wereld meteen vast te willen leggen op een schermpje.

    Intussen zit hij op zijn telefoon en vraag ik mij af welk snedig antwoord Nelly Frijda gaf toen Alies uit Ermelo die mijn haar knipt en met wie ik altijd zo gezellig praat, haar vroeg of ze Nelly Frijda was. Alies heeft het me verteld, maar ik weet het niet meer, ik ben het vergeten.

    Maar dankzij Jack Spijkerman weet ik wel wat Gerard Cox zei toen de benzinepomphouder bij wie hij net getankt had, tegen hem zei: “U doet me aan iemand denken. U komt me bekend voor.” “Ik ben Gerard Cox,” zei Gerard Cox.

    Waarop de man antwoordde: “Dat kan wel zijn, maar toch doet u me aan iemand denken.”

  3. Een theelepeltje komt altijd van pas

    Op de Jozef Israëlskade deed het zonlicht pijn aan je ogen, maar vanuit de schaduw op de Amstelkade zag het er zomers uit. Ik was lekker langzaam aan het fietsen, tevreden met alles en ­iedereen.

    Met de mannen die aan hun bootjes klusten, met de twee vrouwen die voor een open deur met elkaar stonden te praten, de ene met in haar armen een enorme hortensia die rood in bloei stond, met het vooruitzicht van het uitzicht over de plas water dat zich zo dadelijk aan mij ging openbaren.

    Aan de tafel aan het water zaten twee mannen koffie te drinken. We groetten elkaar als waren we dorpelingen. Om de hoek, waar het Muzenplein overgaat in de Churchillaanlaan, staat een zes meter hoog marmeren beeld, Verschuivingen van Ben Guntenaar.

    Op dat beeld staat, zoals wij van Het Parool allemaal weten, sinds een paar maanden King Kong met een speelvliegtuig te zwaaien. Tot voor kort kreeg ik hier altijd heimwee naar de zonnewijzer, maar van King Kong is Verschuivingen enorm opgeknapt, stelde ik vast. Kong staat precies goed, alsof hij er altijd al geweest is.

    En op dat moment zag ik een theelepeltje liggen. Een theelepeltje, dacht ik. Mijn eerste impuls was afstappen om het theelepeltje op te rapen en in mijn zak te steken, want een theelepeltje, zeg nou zelf, komt altijd van pas en van theelepeltjes kan je er nooit genoeg hebben.

    Maar gelukkig wist ik me te ­beheersen, want ik weet hoe het gaat, het begint met een theelepeltje, maar binnen de kortste keren sleep je aan een touwtje een magneet achter je aan en heb je een karretje achter je fiets hangen om de gevonden voorwerpen op te slaan.

  4. Blikseminslag van een eerste zin

    In oktober 1975 gingen wij voor een korte vakantie naar Malmédy. Aan de vooravond van ons vertrek begaf ik mij naar het Rokin om bij Allert de Lange een boek te kopen.

    Het werd Pride and Prejudice van Jane Austen in een Penguin uitgave met Henry Raeburns portret van Lady Colville op de cover. In Malmédy sloeg ik het boek open en ik las: ‘It is a truth universally acknowledged, that a single man in possession of good fortune, must be in want of a wife.’

    Na deze bliksem­inslag van een eerste zin wist ik dat ik alles maar dan ook alles van Jane Austen lezen zou, romans, brieven, dagboeken, jeugdwerk, versjes, de hele mikmak. En ik maakte mijn begin met Pride and Prejudice, waarin Elizabeth Bennet de hoofden voor altijd op hol brengt. Wat een heldin, wat een boek, wat een schrijver.

    Op 16 december 1975 werd gevierd dat het tweehonderd jaar geleden was dat Jane Austen was geboren. Ik dacht aan de schrijfster als baby en vanaf dat moment heb ik haar altijd in de buurt ­gehouden, als kind, als meisje, als jonge vrouw, als schrijver. Eenenveertig jaar lang, van haar geboorte tot haar sterven op 18 juli 1817, vandaag tweehonderd jaar geleden.

    Wie nu naar de Portrait Gallery in Londen gaat om het door haar zuster Cassandra getekende portret te bekijken, betreedt een donkere kamer, waar hij heel even een lichtje mag laten schijnen.

    Toen ik in 1976 enig misbaar maakte ­omdat ik het portret voor de tweede keer niet trof, zei de suppoost ‘een ogenblikje’, om tien minuten het portret in mijn ontroerde handen te drukken. “Mag ik haar meenemen?” zei ik nog, maar dat mocht niet.

  5. Die andere Keith Haring

    Ik kende al iemand die een Nana van Niki de Saint Phalle stuk had laten vallen en nu blijk ik ook nog iemand te kennen die een Keith Haring heeft kwijtgemaakt. In de tram laten staan.

    Zelf heb ik eens een vijftienliter bonbonnetje wijn uit de Roussillon in de 13 laten staan. We hadden het meegebracht voor Dikke Willem, een schimmige belastingadviseur die zijn diensten graag in producten kreeg uitbetaald. Dat zou niet lukken deze keer, want dat bonbonnetje was weg en kwam niet terug natuurlijk.

    Maar zie, toen ik ’s avonds de 13 terug nam, stond op het achterbalkon mijn bonbonnetje op me te wachten.

    Alle reden dus om thuis onder het motto ‘aan een boom zo vol geladen’ een glaasje in te tappen. Na dat ene glaasje volgden er meer en het einde van het liedje was dat toen Dikke Willem aankondigde dat hij zijn bonbonnetje kwam halen, het bonbonnetje in kwestie leeg was.

    Goede raad was duur en dus begaven we ons naar de Hema waar we twintig flessen goedkope wijn kochten die we vervolgens, o schande, in het bonbonnetje overgoten.

    “Je proeft het verschil,” zei Dikke Willem opgetogen, terwijl hij nog eens bijschonk.

    Maar die Keith Haring was weg en bleef weg. Dit in tegenstelling tot die andere Keith Haring die weg is, want die is wel weg, maar hij is er wel. Het is een giraffe en Haring schilderde hem op een doosvormig gebouw dat op het terrein van de Markthallen staat.

    Ik ging vaak naar de Willem de Zwijgerlaan om ernaar te kijken, en ineens was hij weg. Verdwenen onder een betimmering.

    Als het stil is op de Willem de Zwijgerlaan kun je de giraffe horen zuchten. “Laat me eruit,” zucht hij, “laat me eruit.”

  6. De eersten moesten vertrekken

    ‘En toen,’ schreef Presser in Ondergang, ‘was het ogenblik daar, waarop de eersten moesten vertrekken. De ­Engelsen zouden het Centraal Station in elkaar gooien. Zij kwamen niet. De spoorwegarbeiders zouden staken. Zij staakten niet. De invasie zou net op het laatste moment plaats hebben. Zij had niet plaats. De communisten zouden iedereen ontvoeren, die toch opkwam. Zij ontvoerden niemand.’

    Het eerste ‘Jodentransport’ naar Westerbork vertrok, 75 jaar geleden, in de vroege morgen van woensdag 15 juli 1942 vanuit het Centraal Station naar Hooghalen. ‘We moesten lopen naar Westerbork,’ verklaarde Jozef Hony na de oorlog.

    ‘In Westerbork zijn wij maar een uur gebleven. We zijn wel geregistreerd en zijn toen doorgegaan met bestemming Auschwitz. Ons transport was zeer groot.’ Er werden die ochtend 1135 mensen naar Auschwitz gedeporteerd, van wie 217 kinderen.

    Na de oorlog werden acht overlevenden geregistreerd. Je zou denken dat de hele stad in rep en roer was door de gebeurtenissen, maar niets is minder waar. Het leven ging zijn gang alsof er niets aan de hand was.

    Heel opmerkelijk in dit verband is wat Hanny Michaelis schrijft in De Wereld Waar Ik Buiten Sta, het tweede deel van haar oorlogsdagboek: ‘Woensdagavond toen ik thuiskwam, vroegen pappie en mammie me direct of ik erg in angst had gezeten. Ik begreep niet wat ze bedoelden, en toen bleek, dat er een begin was gemaakt met het deporteren van Hollandse en Duitse Joden tussen 16 en 40 jaar.’

    Een week later, op donderdag 23 juli 1942 werd Hanny Michaelis opgeroepen zich te melden voor transport naar Polen. Wie iets wil begrijpen van de gang van zaken rond oproep, deportatie, onderduik en de emoties die dit met zich meebracht, leze haar dagboek.

  7. Al geschommeld op het dak?

    Ik ken iemand die al meer dan dertig jaar ieder oneven jaar een paar weken naar ­Venetië gaat. De laatste keer dat zijn vliegtuig vlak voor de landing over de stad vloog, keek de man de naast hem zat enige tijd naar beneden en formuleerde het toen zo: “Dat is in twee dagen wel bekeken.”

    Zelf ging ik enige jaren geleden naar Tassos, een eiland dat je bereikt door in Kavalla de ferry te nemen. Ik herinner me dat ik op de voorplecht stond en de hoofdstad van het eiland snel dichterbij zag komen. Het leek of het stadje steeds kleiner werd. Acht dagen in zo’n dorp was misschien wat lang, bedacht ik, maar eenmaal ter plekke begon het stadje snel uit te dijen.

    Een wandeling hier, een baaitje daar, een opgraving, aardbeien en kersen van de kar, het ­archeologisch museum, een pleintje met een restaurant waar ze de heerlijkste aubergie kroketjes verkochten, het kon niet op. Waar we allemaal niet geweest ­waren toen we weggingen.

    Hoe beter je een stad kent, hoe groter hij wordt en hoe meer er te doen en te zien is. Voor ons ­Amsterdammers is Amsterdam de grootste stad van de wereld, de stad waar we nooit uitgekeken zullen raken. Al geschommeld op het dak van de A’DAM Toren? De Nieuwegang wel eens in gelopen? Biertje gedronken in de Wacht-­kamer 3e klasse in het Centraal Station? Zo’n elektrisch bootje ­gepakt om de Amstel af te varen? King Kong bekeken? Ik niet.

    Wel was ik nog niet zo lang geleden voor het eerst van mijn leven in de Sint Nicolaaskerk. Vlak naast de basiliek bleek zich café Batavia te bevinden.

  8. Geen mens te bekennen

    Het was een zomerse dag, zo’n stralende dag van zon, van wolken en een windje. Ik stond voor de Stadsboekhandel en wilde naar l’Affiche, café op de hoek van Jacob van Lennepstraat en Da Costakade, maar welke route ik moest nemen, stond me niet ­helder voor de geest.

    Welke kant ik op moest was duidelijk en dus reed ik de Keizersgracht op en de Nieuwe Spiegelstraat uit tot de Spiegelgracht. Daar begon ik er zin aan te krijgen, want de Spiegelgracht heeft een heerlijke stille kant (met een leuke speelgoedwinkel) die bovendien uitkomt op een van mijn favoriete grachtjes, de Zieseniskade.

    Er is een liedje over bomen die dromen hoog boven verkeer en bootjes die over het water gaan, net als weleer, volgens mij is dat hier. Overal om je heen heerst ­hedendaagse chaos, maar op de Zieseniskade is geen mens te bekennen.

    Het is of we niet weten dat de kade bestaat.

    Vlak voor de City blijk ik ineens op een voetgangerspad te rijden, maar bij de kruising met de Leidsestraat ben ik weer waar ik hoor te zijn.

    In de Marnixstraat draai ik langs het huis met Emily Dickinsons To Make a Prairie (it takes a clover and one bee,/ One clover and a bee,/ And revery./ The revery alone will do,/If bees are few.) de Leidsekade op, L’Affiche heb ik nu in het vizier en ik weet dat ik bezig ben een prachtig nieuw ritje op de kaart te zetten.

    Koekjesbrug over, stukje Nassaukade en dan de Jacob van Lennepkade op. Om de hoek wacht het terras van l’Affiche met zijn brug voor de deur en al dat water en in de verte, een brug verderop, als ­extraatje, de heerlijke schoorsteen van Tetterode.

  9. Mooi van lelijkheid

    Drummend kunstenaar Han Bennink (het is omgekeerd, maar dat gaat niet) vertelde me eens dat zijn broer en hij de ­zomers van hun jeugd altijd doorbrachten in de badplaats waar wij zo graag komen, omdat alles er is als vanouds alsmede mooi van ­lelijkheid.

    Toen hun moeder was overleden besloten de broers haar as vanaf een van de strekdammen in zee te verstrooien. “Toen ik de urn omkeerde,” zei Bennink, “was er net een windvlaag en alle as woei over mijn schoenen. Nou, je weet hoe ik met mijn schoenen ben. Ik poets ze vaker dan mijn tanden.”

    Bij de opening van ons seizoen, op het terras van ons favoriete strandpaviljoen, zei ik: “Er gaat zoveel water in de zee, zei de chimpansee,” zoals ik dat altijd doe bij de opening van het seizoen. Waarop de uitbaatster van het paviljoen aan ons tafeltje verscheen om te vertellen hoe blij ze was dat we er weer waren. Ze bleef nog even dralen. Om haar verhaal te vertellen, bleek.

    Over een middelbaar echtpaar dat haar had verteld dat ze waren gekomen om de as van zijn moeder in zee te verstrooien. “Toen ze weg waren, zag ik dat ze een plastic tas hadden laten staan. Ik keek wat er in zat en ja hoor, moeder. Maar het verhaal is nog niet af, want twintig minuten later kwam iemand een kruisje brengen dat hij op het strand gevonden had. Een kruisje met twee jaartallen er op, verder niks. Ik heb het in de keuken gehangen.”

    “Dan weet je,” zei ik, “waar je als het zover is mijn kruisje hangen mag.”

  10. Een wereldbol in blauw

    Helemaal aan het begin van de Schilderskade, daar waar de Amstel de stad in stroomt, staan op de brug twee huisjes. Ze zien eruit als de Turkse badhuisjes die je bij Turkse dorpen wel aantreft. Op het huisje aan de kant van de Jozef Israëlskade stond dat er hoogspanning in zat, op het andere huisje stond niets.

    Ik had mijn weg al vervolgd toen ik nieuwsgierig werd. Terug dus. Ik trof een man die voor zijn huis op een bankje naar het water zat te kijken. Of hij wist wat voor het huisjes het waren, wilde ik weten. Dat wist hij niet, maar hij wist wel dat in het huisje aan de Amstel-­kadekant een theatertje zat waar een buurtbewoner af en toe voorstellingen voor kinderen organiseerde en met Kerstmis een kerstverhaal voorlas.

    “Wat leuk,” zei ik.

    Op dat moment zag ik dat er in de deuropening van het huis twee kleine kinderen achter een tafeltje zaten met wat spulletjes erop. “Hebben jullie een winkeltje?” zei ik. “Ze hebben een tattooshop,” zei hun vader.

    Bleek dat Aike (6) en Anne (4) die middag een tattooshop hadden geopend, waar je tegen betaling een stempel op je arm kon laten zetten. “Hoeveel kost het?” zei ik.

    “Twintig cent,” zei Aike, “maar geen briefjes.” Ik koos een wereldbol in blauw.

    “Het is een spannende dag vandaag,” zei de vader van de tattoo-shophouders. “Er staat al de hele dag een blote man op de kade, hij hangt als een hagedis tegen de muur. En kleren pakt hij wel aan, maar ze aantrekken doet hij niet.”

    De buurman en zijn zoontje stapten van de fiets. “Stempels?” zei de buurman toen hij het deurwinkeltje zag. “Nee, nee,” zei ik, “een tattooshop.”