live

Klein geluk in Amsterdam: De poes komt er bekaaid af

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. De poes komt er bekaaid af

    Het eerste wat me opviel op de expositie Kijk Amsterdam 1700-1800 in het Stadsarchief was dat het Amsterdam van 1700-1800 zoals hier te zien veel meer op het Amsterdam van nu lijkt dan het Amsterdam van mijn jonge jaren.

    Ga met Reinier Vinkeles op de Geldersekade staan en kijk in de richting van de Schreierstoren en je ziet dat je ziet wat hij zag. Hij zag het in 1762, tweehonderdvijfenvijftig jaar geleden.

    Vijfenveertig jaar geleden kwam ik vaak op de Geldersekade. Als de café’s dicht waren, bezochten we er klopcafés, cafés waar je alleen binnen kwam als je wist welk signaal je op de deur moest kloppen.

    Overdag bestonden die kroegen niet, maar ’s nachts was het er des te drukker. En buiten was het een zooitje, heel anders dan op de lieflijke prent van Vinkeles. Toch is er een ding dat de prent met de Geldersekade van de jaren zeventig verbindt.

    De man die tegen een boom staat te wateren. Er wordt veel wild geplast op deze schitterende expositie, in sloppen en stegen, tegen muurtjes en bomen, vrij openlijk, het was toen kennelijk niet zo’n schanddaad als nu.

    Opmerkelijk zijn ook de vele begrafenisstoeten die voorbij trekken, en als je er eenmaal een gezien hebt, zie je ook overal honden ronddartelen. Of er inderdaad ­zoveel honden in de stad rondliepen, waag ik overigens te betwijfelen. Ze lijken vaak aanwezig om wat vaart in de boel te brengen, want de mensen staan nogal eens stil.

    De poes komt er bekaaid af. Ik telde er maar een. Op een huiselijk tafereeltje van Jacob Cats ligt hij op een kussentje op een stoel naast het haardvuur heerlijk poes te wezen. En straks weer muizenvangen.

  2. Tom! Tommetje! Studio Sport!

    Lang geleden zat ik eens met Tom Egbers bij Wildschut. Het zal in 1995 zijn geweest, want we hadden het over De zwarte meteoor, het boek dat Egbers had geschreven over Steve Mokone, de uit Zuid-Afrika afkomstige voetballer met wie Heracles in 1959 kampioen werd. Van de tweede divisie, dat wel. De zwarte meteoor is het enige boek over een voetballer dat ik gelezen heb.

    Arie Rekelbast ken ik uit Arie Rekelbast: de mens, de Haarlemmer, de voetballer van Godfried Bomans, maar ondanks het feit dat Arie de 80 meter horden met horden sneller liep dan zonder, nog steeds een uitzonderlijke prestatie voor een voetballer, telt hij geloof ik niet mee, omdat hij naar het schijnt niet echt bestond, maar door Bomans is verzonnen. Piet Keizer is niet verzonnen en ik zou graag een boek over hem lezen, maar ik geloof niet dat het bestaat.

    In Wildschut zat ik met Egbers te praten over dat wonderbaarlijke Almelose seizoen van Mokone toen er voor het raam een nog veel wonderbaarlijker gestalte opdook. Een man van middelbare leeftijd had zich vlak voor de ruit op zijn hurken laten zakken en sprong stuiterend op en neer, terwijl hij met een uitgestrekte arm naar ­Egbers wees. “Tom!” brulde hij, “Tommetje! Studio Sport! Voeballen!”
    “Tja,” zei Egbers en hij nam nog een slokje van zijn koffie.

    Van de week zag ik Tom Egbers zitten bij Wildschut. Ik overwoog actie, maar zag er van af wegens oude knieën. Ik vervolgde mijn weg en dacht met groot plezier ­terug aan de talloze keren dat de uit Almelo afkomstige Egbers tijdens evenzovele uitzendingen van Studio Sport op haast achteloze wijze het woord ‘Heraclieden’ in zijn verslag heeft weten te verwerken.

  3. Een potje putten

    In zijn boek Amsterdam bij gaslicht, met illustraties van Fiep Westendorp, beschrijft Maurits Dekker (1896-1962) de spelletjes uit zijn jeugd en stelt anno 1950 vast dat ze allemaal verdwenen zijn.

    Het gekke is dat ik die spelletjes anno 1950 allemaal gespeeld heb. Of heb zien spelen. Er waren nu eenmaal meidenspelletjes, waaraan je als jezelf respecterende jongen niet kon meedoen. Kaatsebal ik vang je al bijvoorbeeld (‘in mijn ene hand/ in mijn andere hand/ van je klipperdeklap/ van je voetjesgetrap/ van rommeldebom/ van keer je maar om’), ja, kom een beetje, er zijn grenzen.

    Maar voor de rest herkende ik ­alles, van Schipper mag ik overvaren tot hoepelen, oorlogverklaren, landjepik, diefie-met-verlos en Spanjolen, een spel dat door Dekker overigens niet genoemd wordt.

    Als ik door een stille straat loop, neem ik nog wel eens de stoep-rand. Met gespreide armen als was ik een koorddanser zet ik mijn ene voet voor de andere op het blauwe steen. Haal ik de hoek, dan komt het goed. En als ik van de stoeprand val, dan telt het niet.

    Tegels zijn, zoals iedereen weet, voor dit spel, dat nog altijd druk gespeeld wordt, ook heel geschikt. Een naam heeft het niet bij mijn ­weten, maar het is kindermagie.

    Net als de putdeksel die ik ­onlangs aandeed en die nog steeds de putdeksel is die als doel diende als wij op het autoloze pleintje na het poten een potje putten. Met een niet al te grote, maar ook weer niet te kleine rubberen bal. Blauw-Wit tegen Ajax speelden we. Of Engeland tegen Hongarije. En wie er ook won, we wonnen altijd.

  4. Met de Galerij verdwenen

    En ineens ben je op weg naar huis. De hele middag lag de stad wijd open en kon je alle kanten op, naar de Diemerdijk of Jongensland, naar het Victorieplein, naar de oude Sloterweg of de Ringdijk, maar toen ik de Utrechtsestraat uit kwam en het Frederiksplein bereikte, wist ik dat het einde van de rit in zicht was.

    Door mezelf af te vragen waar de Galerij ook alweer stond, probeerde ik nog wat uitstel te kopen, maar erg lukken wou het niet. Ik heb geen scherpe herinneringen aan de Galerij.

    Ik ken de foto’s van Gerard Kornelis van het Reve en Willem Frederik Hermans die samen langs de gietijzeren hekken onder de gietijzeren overkapping lopen, ik weet dat Reve er met Hanny Michaelis heeft gewoond, maar mijn eigen wandelingen door de Galerij zijn in de mist verdwenen.

    Je zag er wel eens een kind op een grote bal lopen of op een eenwieler balanceren, maar het was er vooral stil, meen ik. Mijn herinneringen lijken met de Galerij verdwenen.

    Ik ben al bij de Govert Flinckstraat als ik voor de zoveelste keer bedenk dat ik eens moet kijken hoe het nou precies ziet met Van Woustraat 28, waar Hoyer woonde over wie Bavink tegen de journalist die hem, in Mene Tekel, komt interviewen zegt: ‘Gaat u maar naar meneer Hoyer die kan U alles kan vertellen wat U weten wil en die spreekt als een tijdschrift.’

    Eenmaal thuis had ik het, op de trap, met mijn bovenbuurman over Reve’s The Acrobat and other stories door Hanny Michaelis vertaald als Vier wintervertellingen.

    Zo slecht en onreviaans als de verhalen in The acrobat zijn, zo goed zijn dezelfde verhalen als Vier wintervertellingen. Haar Reve was toen beter dan Reve’s Reve, was de conclusie.

  5. Zijn negentigste verjaardag

    Alies uit Hengelo die als ze mijn haren knipt vaak zo gezellig met mij praat, had een oudere heer onder de kapmantel met wie ze meteen een gezellig gesprek ­begon.

    Hoe oud hij was, wilde ze weten. Een indiscrete vraag , maar als Alies hem stelt, ben je maar al te graag bereid haar te antwoorden. “Negentig,” zei de al wat oudere heer. “Negentig!” riep Alies. Dat had ze niet gedacht, ze had eerder gedacht dat hij tachtig was, begin tachtig, vierentachtig op zijn hoogst.

    “Lijkt me best moeilijk,” zei Alies, “om zo oud te worden.Iedereen om je heen gaat dood, je broers, je zusters, iedereen.” Maar de oudere heer vond dat niet zo’n probleem. Het hoorde erbij, vond hij.

    “Woont u nog op zichzelf?” wilde Alies weten. Dat deed de al wat oudere heer. Hij deed ook nog ­alles zelf, behalve koken. Zijn eten liet hij komen. “Negentig,” zei Alies enigszins bezorgd.

    “Nou ja,” zei de wat oudere heer, “ik zeg negentig, maar ik ben negenentachtig. Zondag word ik negentig.” “Hoe viert u het?” vroeg Alies. De oudere heer zei dat hij naar zijn zoons ging, en dan zag hij wel zag wat zij bekokstoofd hadden.

    “Leest u Het Parool?” vroeg Alies ineens. Ze vindt het best leuk dat ik met enige regelmaat over haar bericht, dus ik had een vaag vermoeden van wat komen ging. “Ik ben een Amsterdammer,” zei de oudere heer. “En leest u Klein geluk?” zei Alies.

    “Als je Het Parool leest,” zei de wat oudere heer, “lees je Klein geluk.” “De meneer die dat schrijft,” zei Alies, “zit daar.” “Dan ga ik hem meteen een hand brengen,” zei de heer die gisteren zijn negentigste verjaardag vierde.

    Nogmaals, van harte!

  6. Twee in één klap

    Het lijkt onvoorstelbaar, maar er zijn in de stad hele pleinen die zich een leven lang verborgen weten te houden. Ik was op zoek naar een beroemde zuurwinkel in de Vechtstraat en toen ik die niet vinden kon, reed ik een tijdje doelloos in de rondte, heerlijk.

    In de Lekstraat viel het me op dat hier overal GVB’ers liepen. Even later werd me duidelijk waarom. Want daar lag ineens de remise met zijn indrukwekkende uitruksporen, prachtig woord, in al zijn majesteit.

    Als kind ben ik eens in de remise geweest waar nu de Hallen zitten. Het rook er naar lak en oud ijzer. Een opa die nooit echt een opa worden wou, schilderde daar de tram. Blauw. Dat deed hij goed. Hij droeg, meen ik me te herinneren, een witte overall.

    Douwe was de derde man van mijn vaders moeder. Hij las de Waarheid en mijn vader had van kinds af aan een ­hekel aan hem gehad. Hij stierf aan keelkanker. Veel drinken was hem verboden, maar op een middag vroeg hij me of ik bij de kruidenier op de hoek van de Willem de Zwijgerlaan een paar flesjes bier voor hem wilde halen.

    “Koud,” zei hij erbij. Hij kon bijna niet meer praten. Het was een ­zomerse dag en door de hitte liep ik langzaam langs het Rijpgrachtje, de centen in mijn hand. Een paar dagen later was hij dood.

    Ik volgde de Kromme Mijdrechtstraat, stak de Vrijheidslaan over, keek even naar de Wolkenkrabber en belandde vervolgens op het Meerhuizenplein. En vandaar op het al even grote plein dat tussen Reggestraat, Berkelstraat en IJsselstraat zit ingeklemd.

    Twee in één klap, nog vijf en ik kon me ­meten met het snijdertje uit het sprookje.

  7. Waar Sally en Harry zaten

    Zoals iedere wereldstad kent New York een paar plaatsen waar je geweest moet zijn. Zo moet je het Empire State Building op, met de ferry naar Staten Island, naar de vijver van Central Park. Er zijn mensen die vinden dat je dit soort toeristische attracties dient te mijden, maar die mensen hebben het niet begrepen, want zo’n attractie is niet voor niets een attractie geworden.

    Als je als toerist in Amsterdam bent, pak je op Muiderpoort de 3 naar de Zoutkeetsgracht. Daarna eet je op het Haarlemmerplein een haring van Dok, want zo hoort het, en wat hoort, valt nooit tegen. Wie in New York is, gaat naar Katz’ Delicatessen op de hoek van East Houston en Ludlow in de Lower East Side van Manhattan.

    Toen onze taxi voorreed, stond er een ontmoedigend lange rij, maar sneller dan gedacht bereikten we de ingang, waar de rij zich in drie nieuwe rijen splitste, een voor afhalers, een voor zelfbedieners en een voor mensen zoals wij die een tafeltje met bediening wilden.

    Het spektakel was overweldigend, overal tafeltjes, overal mensen en overal voedsel. Een jongeman riep de namen af van de mensen die aan de beurt waren voor een tafel. “Lily!” riep hij, en toen Lily niet verscheen, klonk het “Lily once, Lily twice, next!” waarna het onze beurt bleek.

    De wanden zijn van boven tot onder bedekt met foto’s van ­beroemdheden die hier ooit aten, een bordje geeft aan waar Sally en Harry zaten, toen Sally haar fake orgasme ten gehore bracht. We ­bestellen de pastrami sandwich, zoals iedereen dat doet en als het broodje, wat eigenlijk geen broodje heten mag, voor me staat, weet ik dat ik met een gerust hart naar Amsterdam terug kan keren.

  8. Op de hoek met Bleecker

    Met mijn strohoed, mijn wandelstok en mijn drollenvanger was ik op Knickerbocker Avenue al snel een geziene figuur. Heerlijke straat, waar van alles te beleven valt.

    Op de hoek met Bleecker, onder de bovengrondse ondergrondse, waar mijn dagelijkse wandeling begon, verkopen ze voortreffelijk geroosterde kippen, goed om te weten, zou ik zeggen en als je de hoek om slaat, strekt de Avenue zich in al zijn charme voor je uit.

    Als je maar lang genoeg doorloopt, kom je vanzelf aan de Pacific.

    Maar eerst is het tijd voor mijn praatje met de kleine Peruaan aan zijn karretje die ervoor zorgen kan dat het tamelijk onpersoonlijke armbandje dat je ooit hebt laten vlechten helemaal het jouwe wordt.

    Er is nog niet veel te doen, laat hij weten, maar vanavond wordt dat anders, let maar op! “Daar houd ik je aan,” zeg ik, waarna ik me tussen de mensen begeef die de brede trottoirs bevolken.

    Toen ik klein was, was ik heel groot, maar naarmate ik groter werd, werd ik kleiner. Vandaag de dag waan ik me in Amsterdam vaak tussen reuzen. Hier toren ik ineens boven iedereen uit, wat het uitzicht ingrijpend verandert.

    Over de mensen heen kijk ik naar binnen bij beddenpaleis en bazaar, zie ik het ijscokarretje op de hoek met Hartman en de tacoverkoper een blok verderop.

    In Stanhope Street leg ik aan bij Las Lunitas, Restaurant, Diner & Bakery, voor een Brooklyn Lager op het tweetafeltjesterras. Af en toe loopt er iemand voorbij met een skelet onder zijn arm en de boom waar ik op uitkijk zit vol heksen en spinnenwebben.

    Het was bijna Halloween en dat wilden ze weten.

  9. Alles is anders in Manhattan

    ‘En hoe was het op de pont?” vroeg ik ­gewoontegetrouw aan mijn kleindochter. We zaten op de pont te wachten, niet aan het IJ deze keer, maar aan de East River in Brooklyn. We zaten met zijn vieren op een bankje, onder drie paraplu’s, want het regende.

    Terwijl mijn kleindochter over haar pontje vertelde, stonden de wolkenkrabbers aan de overkant van het water de skyline van Manhattan te wezen.

    Een vriendin, vertelde kleindochter, zei dat ze heel goed een kip kon nadoen en dat had ze toen ook gedaan, waarna iemand anders een goed schaap in huis bleek te hebben en weer iemand anders een haan, zodat het op de pont een hele boerderij was geworden, wat uiteraard voor de nodige hilariteit had gezorgd.

    Onze ferry was inmiddels in aantocht. Door de stromende regen ging het onder de bruggen door, Williamsburg Bridge, Manhattan Bridge, Brooklyn Bridge, het kon niet op. Ter hoogte van de Brooklyn Bridge kwamen we aan dek. Onder hun paraplu’s waren de ­dames net de tweeling uit Les Demoiselles de Rochefort, maar dan met zijn drieën.

    En niet voor lang, want de kapitein liet weten dat de paraplu’s dicht moesten. In verband met zijn achteruitzicht, concluderen we na enig nadenken.

    Bij Pier 11 meerden we af. Door smalle straten met hoge huizen liepen we richting Ground Zero. Wie van het Centrum naar ­Amsterdam Noord gaat, komt in een andere wereld, en zo is het ook hier.

    Alles is anders in Manhattan. Het lied dat de twee meisjes van een jaar of dertien met vlechten op West Street te zingen liepen bijvoorbeeld, zou je bij ons in Brooklyn niet gauw horen. “My neck,” zongen ze, de schatjes, “my back, lick my pussy and my crack (bis).”

  10. Richting Ria Valk

    Het stond in alle kranten. Johnny Kraaykamp had een platenzaak geopend, op de Parnassusweg. Dat was vlak bij het Spinoza Lyceum waar wij school gingen dus allicht dat we tussen de middag een kijkje namen. Johnny Kraaykamp tussen de ­singletjes en de lp’s, Johnny Kraaykamp achter de kassa, dat werd lachen.

    Maar in plaats van Johnny Kraaykamp stond er een jongeman in een driedelig kostuum achter de toonbank. Mag je niet zeggen, ‘kostuum’, zoals je ook geen ‘stropdas’ mag zeggen, of ‘toilet’, maar in dit geval was er toch echt sprake van een kostuum. “Waar is Johnny Kraaykamp?” zei mijn vriend. “Hoe bedoel je?” zei de winkelbediende. “Dit is toch de platenzaak van Johnny Kraaykamp?” zei ik. “Dus waar is ie?” zei mijn vriend.

    Hoe vaak we terug zijn gegaan om naar Johnny Kraaykamp te vragen, weet ik niet, maar vaak.

    ‘In 1970,’ las ik, ‘liep Stanley Brouwn honderd stappen op de Amsterdamse Kinkerstraat, tussen de Nassaukade en de Bilderdijkstraat, en daarmee liep hij precies in de richting van La Paz, de hoofdstad van Bolivia.’

    Ik heb die honderd stappen ook vaak gelopen, maar in plaats van richting La Paz ging ik richting Ria Valk die in de Kinkerstraat een schoenenwinkel dreef en daar volgens de berichten heel vaak was. Ik wou haar zo graag eens tussen de schoenen zien, dat ik vaak ben wezen kijken. Misschien stond ze wel te zingen van het fabriekje met leverpastei, maar nee, het mocht niet zo zijn. Willeke Alberti op het August Allebéplein was er ook nooit.

    Nee, dan Frits Flinkevleugel, de genadeloze rechtsback van DWS die in de Kinkerstraat een sigarenwinkel had. Iedere maandagmorgen was hij op zijn post. “Klote wedstrijd gisteren, Fritsie.” “Je wordt bedankt, gozer.”