live

Klein geluk in Amsterdam: Zodra we op weg zijn

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Zodra we op weg zijn

    In het bushokje stond ik ­samen met een vrouw van gevorderde middelbare leeftijd op de bus te wachten toen een voorbijrijdende vrachtwagen zijn toeter liet horen, een ouderwets geluid. “Wat denkt zo’n gozer wel,” zei de vrouw. “Dat ik bij hem instap? Ik heb een goede man en twee kinderen, ik heb hem nergens voor nodig.”

    Er meldde zich een tweede vrouw die de eerste bleek te kennen. “Alles goed?” informeerde nummer een, nadat de begroeting achter de rug was. “Ja hoor,” zei nummer twee. “Zijn gangetje?” zei nummer een. “Ja-a,” zei twee enigszins nadenkend. “Alleen, mijn dochter is dood.”

    ‘Zodra we op weg zijn,’ schreef een beroemde Franse schrijver, ‘is het of we al zijn aangekomen.’ Geen opwekkende gedachte, maar als de bus eenmaal rijdt en ik naar buiten kijk, vergeet ik ‘dat de landing al geruime tijd is ingezet’, ­zoals een vriend het eens formuleerde, en denk aan aangenamer zaken.

    Op een pleintje zie ik een vrouw met een hondje aan de lijn. Ze staat te bellen en draagt gouden instapschoenen met extreem ­hoge hakken die tegelijk doorzichtig zijn. Aan haar voeten ligt een voetbal. Gaat ze de bal een trap ­geven? Ik zal het nooit weten, want de bus is de hoek al om.

    Op het eindpunt staan vier ­geüniformeerde GVB’ers, twee mannen en twee vrouwen, door elkaar heen te praten. “Een echte Surinamer…” zegt een van de mannen, maar niemand luistert. “Een echte Surinamer…” herhaalt hij, maar niemand luistert. Bij zijn vierde poging bemoei ik me ermee. “Een echte Surinamer,” zegt hij nu terwijl we allemaal luisteren, “geeft op zijn verjaardag altijd het feest van zijn leven. Wist u dat?” “Nee,” zeg ik, “maar ik zal er zijn.”

  2. Een paar uitbundige danspassen

    Wat me in de verbazingwekkende serie over kunstwerken in de stad die de krant deze zomer publiceerde het meest opviel, was hoe goed kunstwerken zich vaak weten te verstoppen.

    Bloem op de Maurits­kade, Abramovic in de Beethovenstraat, Van Elk voor het Stedelijk, ze waren alle drie aan mijn aandacht ontsnapt.

    First things first en dus begaf ik mij naar het Stedelijk om daar op zoek te gaan naar Replacement Piece, een foto van een paar verwijderde tegels die de verwijderde tegels in kwestie vervangt. Langzaam fietsend volgde ik onder de rand van de Badkuip de rand waar de ene tegelsoort van het voorplein overgaat in een andere.

    De langzame fietser trok het nodige bekijks, maar dat was niets vergeleken met wat er gebeurde toen ik de tegel had gevonden en afgestapt was om hem van nabij te bestuderen. Wie kijkt naar iets wat niet te zien is, moet wel van Lotje zijn. Buiten het museum wel te verstaan.

    Want toen wij een paar jaar terug in het Stedelijk op zoek gingen naar De goed gewreven vloersculptuur, ook van Van Elk, keek niemand daar raar van op. Mijn kleindochter die toen nog klein was, vond de driehoek als eerste en markeerde hem met een paar uitbundige danspassen die in de vorm van een foto op mijn werktafel staan.

    De goed gewreven vloersculptuur is weer weg geloof ik. Net als de Mars door Amsterdam van Wim T. Schippers die op vrijdag 6 december 1963 zes mannen vanaf het Centraal Station via Martelaarsgracht, Nieuwendijk, Dam, Kalverstraat en Reguliersbreestraat naar het Rembrandtplein voerde. De wandeling duurde zeventien minuten. Er is een filmpje van, maar dat is niet hetzelfde.

  3. De imker moest zijn huis uit

    Op het Haarlemmerplein stond een krul die er eerder niet was. Of vergiste ik me, en was ie er wel, maar had ik hem niet opgemerkt. Of was ik hem vergeten. Een krul niet opmerken, lijkt me goed mogelijk, maar een krul vergeten? Ik weet het niet.

    Het was woensdag en dus hield de gezondheidsindustrie markt met biologische worst van vergeten diersoorten, ambachtelijke karnkaasjes en baarden achter de kramen.

    Ik liep de Haarlemmer­straat in en probeerde me te herinneren hoe het was toen hier de tram reed. De Haarlemmerstraat hoorde toen nog bij de Jordaan en was vervallen, maar gezellig. De ellende kwam pas later.

    De drugs en verkrotting uit de dagen van ellende hebben ze eens proberen tegen te gaan door de buurt uit te roepen tot Zeevaart Kwartier. Vandaar dat je op de straathoeken nog altijd scheepsschroeven, ankers, brulboeien, schoorstenen en hele reddings­boten kunt aantreffen van wie geen mens meer weet wat ze hier doen.

    Je hoort dat het ten gevolge van de toeristen met hun rolkoffertjes niet goed gaat met de Haarlemmerstraat, maar ik loop er graag.

    Toen ik binnenkwam bij Jan van Egidius, of is het Egidius van Jan, zag ik tussen de kunst en de kunstboeken tot mijn verbazing een dienblad met potjes honing staan. “Gaat het wel goed met je?” zei ik.

    Jan grinnikte. “Het is wel Haarlemmerstraathoning,” zei hij, “en dat niet alleen, het is de laatste Haarlemmerstraathoning. We hadden altijd honing van de kastanjes op de Herenmarkt. Toen werd het honing van de linden op de Noordermarkt en nu is het ­afgelopen. De imker moest zijn huis uit en hij heeft zijn bijen meegenomen.”

    Toen ik wegging kreeg een potje honing mee. Lekker met een bijsmaak.

  4. Zo zijn we niet getrouwd

    Met het treinbaantje mee fietste ik in de richting van het Haarlemmermeerstation. De tuintjes langs de Schinkel lagen er paradijselijk bij. De appelen aan de appelbomen kleurden en de helianten stonden roerloos in het zonnetje. Een klein bootje tufte door het water.

    Als mijn vader en moeder en ik met het treintje naar Aalsmeer gingen, kwamen wij van de andere kant. Hun fietsen zetten mijn ­ouders dan in de stalling tegenover de Gé van Génis.

    Op een dag zag ik achter de tralies de schim van een man. Plotseling drong het tot me door dat hij daar gevangen zat, dat hij niet weg kon.

    De ­gedachte maakte mij ernstig van streek. Mijn moeder probeerde me gerust te stellen door te zeggen dat het niet kon, dat ik een man ­gezien had. Maar toch was het zo.

    De gevangenis is geen gevangenis meer, maar van de gedachte aan iemand die opgesloten zit, raak ik nog altijd overstuur.

    Omdat ik het volmaakte eierrekje waarover ik enige tijd geleden berichtte nog een keer wou zien, streek ik neer op het terras van ­café Bos op de hoek van de Vaartstraat.

    Voor de deur ligt een klein stukje rails. zag ik, en de klok van de Sint Agneskerk staat nog steeds op kwart voor drie. Toen ik naar binnenging om het eierrekje te bekijken, bleken de eieren in een rieten mandje te liggen.

    Na mijn Klein gelukje waren de klanten plotseling aandacht aan het rekje gaan schenken. Ze tilden het op en bekeken de onderkant. En op een dag was het weg, pleite, verdwenen, kwijt.

    Maar zo zijn we niet getrouwd. Breng dat eierrekje terug, eierrekjesdief, en wel nu, want anders ben je er gloeiend bij en ga je naar de Gé van Génis.

  5. De mop van het potje vaseline

    Als de grote pauze kwam, gingen wij niet zoals de andere leerlingen van het Spinoza naar de kantine, maar liepen we naar het ­water waar we onze boterhammen aan de meeuwen voerden.

    Als dat karwei geklaard was, staken we het betonnen bruggetje over en liepen de Achillesstraat in tot de Tuyll van Serooskerkenweg. Daar, op de hoek met de Agamemnonstraat, zat de sigarenwinkel waar we ons halve pakje Golden Fiction kochten.

    De sigarenboer vertelde iedere dag een mop. In ons portiek een eindje verderop staken we op en begonnen aan ons eindeloze gesprek over niets.

    We waren altijd met zijn drieën, mijn vriend en ik en Hannie die er eigenlijk niet bij hoorde, maar er wel bij was. Af en toe zei een van ons: “Hannie, vertel nog eens de mop van het potje vaseline,” en dat deed hij dan.

    Het wonderlijke is dat ik me precies herinner hoe Hannie die ik me nauwelijks herinner de mop vertelde. Zoals ik me ook herinner hoe Eva die al zo lang dood is de mop van de drie saxofonisten vertelde.

    Dat was in een al lang verdwenen pijpenla van een café aan het Damrak, waar zij, toen al, bekend stond als ‘colaatje pils’. Ik meen dat het café Andries heette en ­tevens slijterij was.

    Vreemd hoe een mop het verleden terug kan brengen. In hetzelfde café vertelde Eva, die als gids op een rondvaartboot werkte, hoe ze aan het einde van de reis de toeristen de fooi uit de zak klopte.

    “If you’re ­satisfied,” zei ze, terwijl ze en gulden liet zien, “you give a guilder.” Waarna ze een rijksdaalder toonde met de woorden: “And if you’re very satisfied, you give a big guilder.”

  6. Iedereen blij, ik ook

    Terwijl ik over de Ruysdaelkade langs de meisjes liep, moest ik denken aan de vriend die hier lang geleden met zijn zevenjarige kleindochter voorbij fietste. “Hé,” zei zij ineens, “daar staat een blote mevrouw.”

    Mijn vriend probeerde nog mooi weer, maar kleindochter liet zich niet in het riet sturen en wilde van haar grootvader weten wat die blote mevrouw daar deed.

    Zijn antwoord verdient een hoge notering op de daden-van- goed-grootouderschap top tien. “Er zijn mannen,” zei hij, “die geen vrouw hebben. Maar mannen die alleen zijn willen ook wel eens geknuffeld worden. En dan gaan ze naar zo’n mevrouw, om zich te laten knuffelen.” Iedereen blij, ik ook.

    Bij de kapper had Alies uit Emmeloord die onder het knippen vaak zo gezellig met mij praat een hooggeleerde kennis onder haar blauwe lakentje. Ze was bezig hem een verhaal te vertellen over een Surinamer die op nieuwe schoenen in vijf dagen de Vierdaagse had gelopen, waarbij ze regelmatig een imitatie van de Surinamer in kwestie ten gehore bracht.

    Oei, dacht ik. Ze had kennelijk gehoord wat ik dacht, want ik zat nog niet in de stoel of ze vertelde dat haar vader Surinamer was en dat ze het zich daarom kon veroorloven Surinamers te imiteren.

    Vervolgens begon ze over een verhaal over de kippen van de buren. Haar vader had vaak aangeboden de kippen te kortwieken, maar dat wilde de buurvrouw niet. Met als gevolg dat de kippen voortdurend in hun tuin zaten, en daar ook eieren legden.

    Eieren die de buurvrouw bij de moeder van Alies kwam opeisen. “Als ze door mijn tuin vliegen en in mijn tuin schijten, mag ik hun eieren in mijn pan gooien,” zei haar moeder dan.

  7. Een opmerkelijke transformatie

    Ik had eens een keer een ­afspraak met Maarten ­Asscher van de Athenaeum Boekhandel. Toen ik op de hoek van de Brouwersgracht op hem stond te wachten, zag ik hem al van verre de Keizersgracht afkomen. “Ik herkende je aan je tasje,” zei ik na onze begroeting. En zo was het.

    De man die geheel in zichzelf besloten voor mij uit over de Prinsengracht liep, had O-benen die maar aan een persoon konden toebehoren. “Ik herkende je aan je O-benen,” zei ik terwijl ik in mijn remmen kneep.

    De BN’er in de man probeerde nog even achter zijn zonnebril te verdwijnen, maar veranderde toen hij me herkende in zichzelf, een opmerkelijke transformatie. We namen plaats op het dichtstbijzijnde terras en hadden het over de dingen waarover je het zoal hebt als je elkaar een tijd niet hebt gesproken.

    Een paar jaar terug ben ik een paar keer te gast geweest in DWDD, maar daar moet Matthijs op de foto met zijn fans en heeft hij geen tijd voor praatjes.

    We haalden herinneringen op aan de aan de avond in Zaal Tamboer waar ik De Glazen School had voorgelezen, een lang gedicht over de kinderen met wie ik in de zesde klas van de lagere school heb gezeten, en aan het bezoek aan mijn geboortehuis in de ­Esmoreitstraat dat erop gevolgd was.

    Daarna ging het gewoon over de dood. Over Martin Bril die de laatste keer dat Matthijs hem zag een witte baard had gehad. “Dat was drie dagen voor zijn dood,” zei Matthijs.

    Die drie laatste dagen stonden Brils stukjes op de voorpagina van de Volkskrant. Als de koortsdromen van een stervende. Even ­ondoorgrondelijk als betekenisvol.

  8. Allemaal fris gewassen

    Overal in de stad zie ik weer grote samenscholingen van kinderen, vooral bij schoolgebouwen, bij het Amsterdams, bij het Spinoza, het Montessori, het Fons Vitae, Gerrit van der Veen. De kinderen zien er allemaal fris gewassen en gestreken uit en ze kwetteren er vrolijk op los.

    “Waar ga je heen vandaag?” zei mijn geliefde toen ik de deur uitging. “Waar mijn fiets mij brengen zal,” had ik plechtig geantwoord en nu stond ik op een fietspad bij de Johannes Vermeerstraat te kijken naar de eindeloze stoet scholieren die voorbij kwam. Het waren er zoveel dat het ganse raderwerk ontwricht leek te worden.

    Zal ik ze achterna fietsen, dacht ik, maar bij de Jan Luijken besloot ik toch rechtsaf te gaan. Over de Prinsengracht ging het naar de Magere Brug en de Nieuwe Kerkstraat in. En zo bracht mijn fiets me naar het Roeterseiland, waar het overal Nieuwe Achtergracht bleek te heten. Moest je daar vroeger niet heen om doorgelicht te worden?

    Het was een drukte van belang op het eiland. Overal fietsen en scooters en studenten. Geen volwassene te zien. Het is het eiland van de jeugd. Bij het Crea Café stond een jongen in een hesje het verkeer te regelen, het terras aan het water zat vol, een meisje viel van haar fiets en ik zweefde van brug naar brug over het water, tot ik ineens op de Plantage Muidergracht stond.

    Het geroezemoes dat van het eiland kwam, dreef door de straat, maar verder was het doodstil. De dichter Adriaan Morriën woonde hier indertijd. Mijn eerste stukjes voor de krant moest ik bij hem thuis inleveren. Zou ik het huis nog herkennen, vroeg ik me af? Langzaam fietste ik richting Hortus.

  9. Het zonlicht trok al strepen

    In de stad gebeurt altijd van alles, behalve als er niks ­gebeurt. Is het erg als er niks gebeurt? Nee, dat is niet erg. Het was een lome zomerse dag en het zonlicht trok al strepen.

    In het Oosterpark zaten de jongelui in kringen in het gras met elkaar te praten en kwam mij over een van de paden een piepklein meisje tegemoet dat een piepklein gazen rokje droeg en met haar kleine voetjes reuzenstappen maakte.

    Twee donkere jongens zaten op een bankje bier te drinken uit een fles. Verder gebeurde er niets.

    Ik liet het park achter me, stak de Linnaeusstraat over en reed de Eerste van Swindenstraat in. Lekker roezige straat. Door de overloop van de Dappermarkt, denk ik. In de Javastraat is het meteen een stuk rustiger.

    Wegens honger en dorst streek ik neer op het terras van Bar Basquiat, schuin tegenover Lale Kasabi, een slager met een groentenwinkel voor de deur. Basquiat beloofde ‘Vietnamese streetfoot’ en ‘Pho’, maar daarvoor was ik een half uur te vroeg en dus werden het vega loempiaatjes, ook lekker.

    Na de loempiaatjes fietste ik over de J.M. van der Meijlaan waar te midden van niets een grote gele snackkar stond. Aan een tafeltje onder een parasol at een man een ijsje.

    Op de Zeeburgerkade reed ik langs het haventje aan de ene kant en langs de gietijzeren overkapping, waarvan de delen de namen van de dagen van de week dragen aan de andere.

    Het blauwe pontje aan het Azartplein was net weg. Voor Loods 6 lieten twee meisjes zich langs een laddertje in het IJ zakken. Af en toe kwamen ze het water uit om op hun telefoon te kijken, maar verder gebeurde er niets.

  10. Door mensenvoeten gemaakt

    Een van de mooiste wandelpaden van de stad loopt over de Nassau­kade langs de Singelgracht. Ik zie er zelden iemand lopen en toch is het pad door mensenvoeten gemaakt.

    Als ik met mijn grootmoeder die op de Rozengracht boven de brandweer woonde naar oom Cees en tante Fietje ging die tegenover een jachthaventje op de Marnixkade woonden, gingen we bij de Nassaukade rechtsaf. Het pad was daar maar een paar decimeter breed, en dat is nog steeds zo.

    Je loopt vlak langs het water en onder de bomen. Door het water gaan bootjes, eenden, zwanen. In de verte staat de Westertoren. Het pad loopt helemaal tot aan de Willemsbrug, maar wij verlieten het ter hoogte van het Marnixplein.

    Daar aangekomen, zei mijn grootmoeder: “Hier hebben we voor de oorlog nog gewoond, in een huis met centrale verwarming, maar je grootvader ging er dood. Hij moest terug naar de Rozengracht.”

    De vader van mijn grootvader was 97 toen hij in verband met een verbouwinkje een week zijn huis aan de Ringvaart uit moest. “Dan ga ik dood,” zei hij, en dat deed hij ook. Het is wonderlijk hoe mensen kunnen vergroeien met het huis waarin ze wonen.

    Voor mijn grootvader was zijn woning aan de ­Rozengracht de beste plaats op aarde. Hij kon hele blocnotes vullen met zijn zwierig geschreven naam en zijn adres daaronder: C.J. Wesselius/ Rozengracht 432’’’/ Amsterdam (C).

    Maar toen hij het huis moest verlaten omdat hij de trap niet meer op kon, ging hij niet dood, maar verhuisden mijn oma en hij naar een huisje in de Louis Bouwmeesterstraat in Nieuw-West, waar hij het nog jaren druk had met het scherp opvouwen van de kranten.