live

Klein geluk in Amsterdam: Dat kan zo niet langer

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Dat kan zo niet langer

    In de tram stond een oude vrouw met een rollator. Toen ik uitgestapt was, zag ik dat er vlak voor de tram een vel bladmuziek tussen de rails lag. Oprapen? Oprapen, maar pas na oogcontact met de bestuurder, want o wee als de tram ineens ­begint te rijden.

    De oude vrouw met de rollator was ook uitgestapt, zag ik, maar zonder rollator en voordat ik iets had kunnen ondernemen, was ze al in de volgende tram gestapt die knarsend het stoplicht haalde en in razende vaart over de brug verdween.

    Duivelseiland lag gevangen in een volle regenboog met al zijn kleuren. Duivelseiland, waar de jonge mensen wonen, ligt aan de andere kant van de straat. Frikkendorp, voor de oudjes, aan de onze.

    Duivelseiland, Frikkendorp, het Blauwe Zand, Bolo, Rosse Buurt en Vinkenbuurt, Asterdorp, Floradorp, Rode Dorp, Jeruzalem, Dubbeltjesbuurt en Pijp, die namen had ik al. Maar Moord en Brandbuurt was me tot voor kort ontgaan.

    Ze zullen het ernaar gemaakt hebben in de Spaarndammerbuurt, dat voorbeeld van verheffende architectuur, met zijn ramen die niet helemaal open kunnen om over de vensterbank hangend kletsen te voorkomen, zijn aan de vloer vastgeschroefde tafels en zijn schuurtjes met moestuingereedschap.

    Niets van dat al in de Indische Buurt, waar toch ook arbeiders woonden. Er staat daar een school die genoemd is naar Jan Pietersz. Coen. Dat kan zo niet langer. Eens. Maar waar je niemand over hoort, is dat ‘Indische Buurt’, terwijl ­Indië toch al lang bevrijd is van het koloniale juk, en Celebes en Ambon weer heten zoals ze heetten. Behalve in de Indische Buurt dan.

    Met u hoop ik dat die oude mevrouw haar rollator teruggevonden heeft. En de gevonden muziek bleek fijne marsmuziek, soms weet je niet waaraan je het verdient.

  2. Mij was het iets te gezellig

    Wie een boek schrijft, zal het ook corrigeren. Corrigeren is als spinazie wassen, er blijft zand uitkomen, en zo volgt na iedere correctieronde een nieuwe correctieronde, tot het boek naar de drukker moet en het wassen, zand of geen zand stopt.

    In mijn boek sterft de Rapenburgerstraat met zijn bewoners die huis na huis, trap na trap uit hun woningen worden gehaald om via Centraal Station en Westerbork naar Polen worden gedeporteerd om daar vermoord te worden.

    Toen iedereen weer dood was, borg ik het manuscript op en maakte me klaar om de deur uit te gaan voor boodschappen. De herinnering is het brood der doden, dacht ik terwijl ik de deur achter me dichttrok.

    Bij de opgezette dieren winkel stond de etalage vol flamingo’s, maar er was ook een giraffe bij.

    Vlak voor de Ceintuurbrug, zag ik, liep een smal in het gras uitgesleten pad in de richting van het benzinestation, hoe was het mogelijk dat ik het nooit eerder had gezien, het pad meen ik.

    De meisjes van de Ruijsdaelkade waren gesloten en in de Rustenburgerstraat vond ik in zo’n kastje Les Perles de la poésie française, een bloemlezing voor scholieren die mij lang geleden Spleen van Baudelaire schonk, plus al die avonden met urenlange discussies over de vraag wat het precies betekende, ‘spleen’.

    In het café stonden de vaste klanten iets te vieren. Mij was het iets te gezellig.

    Nadat ik het ­rumoer had binnen gesloten keek ik de lange straat af die aan beide zijden tot het water reikt. ‘Straten hebben ogen,’ zegt Meyer Sluyser in Er groeit gras in de Weesperstraat. Tijd voor de maan om boven de daken uit te komen.

  3. Associëren gaat vanzelf

    Een paar jongens uit de ­Esmoreitstraat, inmiddels allemaal oude ­mannen, zijn bezig een straatreünie te organiseren. Ze stuurden me een lijst met namen die ze hadden achterhaald.

    Zo kwam het dat ik terugdacht aan het eerste en ­tevens laatste kinderfeestje dat mijn moeder voor mijn verjaardag heeft gegeven. Meteen aan het begin van het feestje was het misgegaan, want buurjongen Bartje wilde zijn jas niet uittrekken, terwijl ik juist wilde dat hij dat wel deed. Waar een negenjarige zich al niet over opwindt.

    We liepen door de Haarlemmer­straat of op de Haarlemmerdijk, toen ik het verhaal aan mijn geliefde vertelde. Ze reageerde meteen met een verhaal waarin een deftige tante op een receptie tegen de man die haar deftige jas wilde aanpakken op hoge toon “Ik houd mijn jas altijd aan,” had gezegd.

    Ze was natuurlijk bang dat ie gestolen werd. “Gek,” voegde mijn geliefde er aan toe, “hoe het ene verhaal altijd het andere uithaalt.”

    Inderdaad, associëren gaat vanzelf, maar de weg terug is een stuk moeilijker. Laatst kwamen een vriend en ik via associatie op Franz Reichelt, de kleermaker die op 4 februari 1912 vanaf de Eiffeltoren weg zou vliegen om vervolgens als een baksteen naar beneden te vallen.

    Er schijnt een parachuteclub naar hem te zijn genoemd, maar dat terzijde. Waar het om gaat, is dat mijn vriend een verhaal vertelde dat ons op Reichelt bracht en dat we allebei vergeten zijn welk verhaal dat was.

    Het verhaal dat weer aan dat verhaal vooraf ging, herinner ik me wel. Dat ging over Bulletje en Bonestaak die op Manhattan wachten op de in rubberbanden verpakte man die na dertien dagen, zeven uur en tweeëntwintig minuten weer contact zal maken met de aarde om daarna nog hoger de ruimte in geslingerd te worden.

    Het bruggetje dat de overzijden van de twee verhalen tot buren maakte, lijkt voor altijd kwijt.

  4. Of er iets met hem was

    De krantenwinkel naast de kaas bleek gesloten. Er was geen brood in huis, maar door tijdgebrek moest er gekozen worden, tussen brood van een eind verderop of een krant van een eind terug. Brood of krant, krant of brood. Het werd de krant.

    Bij de zebra op weg naar Martyrium meende ik aan de overkant een dame te ontwaren met net zulk grijs haar als ik, met dat verschil dat haar haar vroeger platina was geweest en het mijne melkboerenhonden. Terwijl ik me iets voorover boog en een oog sloot om beter te kunnen zien, zag ik dat zij hetzelfde deed.

    Halverwege omhelsden we elkaar en zong ik ‘Nee, niet zoenen op het zebrapad’ voor ons, wat ze wel leuk leek te vinden. Het ging haar goed, maar oud worden, vond ze niet echt een feest. “Al die mensen die maar dood gaan.” Ik wist wat ze bedoelde.

    Even later betrad ik Martyrium, waar een grote Lucebertposter in de etalage hing. “Gisteren,” zei het meisje van de winkel, “waren er allemaal mensen die dachten dat we een feestelijke presentatie hadden.”

    “Ik was op een feestje,” zei ik, “waar iedereen Menno Wigman had gekend. Als drummer. En nu bleek hij plotseling de beste dichter van Nederland te zijn geweest.

    Toen ik iets over Lucebert zei, zie iemand ‘Lucewie’ en vroeg iemand anders of er iets met hem was.” “Ik heb het nog nooit meegemaakt,” zei het meisje, “dat een held uit mijn jeugd zo onderuit ging.” “Ik kan je verzekeren,” zei een al wat oudere dame die meeluisterde, “dat het niet mee valt.”

    “Het komt hard aan,” zei ik. “Het is niet zo dat ik zijn boeken uit de kast heb gehaald, maar er zit er een luchtje aan en bij ieder gedicht dat ik herlees, wordt die lucht sterker.”

  5. Toch is alles anders

    ‘Eigenlijk heb je nog best veel haar,” zei mijn kleindochter laatst tegen mij. Ik moest er aan denken toen ik bij de kapper binnenstapte waar Alies uit Akersloot die tijdens het knippen vaak zo gezellig met mij praat al op me stond te wachten.

    Tijdens mijn vorige knipbeurt had ze me verteld dat ze met het woord ­‘museumpoetser’ een gooi deed naar een plaatsje in de Van Dale, maar deze reis opteerde ze voor ‘truitje’. “Een truitje,” zei ze, “is ­gewoon een geitenwollen sok, maar dan de vrouwelijke variant. Truitje, klinkt goed, vindt u niet?”

    Ik heb een schaap gekend dat Truitje heette, maar dat weerhield me er niet van het eens te zijn met Alies die inmiddels alweer ergens anders was aangeland. Bij twee nichtjes die naar België waren verhuisd en op school zoveel plezier hadden omdat ze er op de poep ­zaten.

    “Poep is hier gewoon nummer 2,” zei Alies, “maar in België zitten ze er op,” waarna ze een verhaal begon over een Belgisch echtpaar waarmee ze het in de tram over het woord ‘patat’ had gehad. “Dat is friet,” had Alies gezegd. Maar de Belgen zeiden dat het een aardappel was. Als je naar het frietkot gaat en je vraagt om een patat, dan krijg je een aardappel.

    “Mijn nichtjes wonen zo vlakbij,” zei Alies, “maar toch is alles ­anders. Hebt u eigenlijk kleinkinderen?” “Jazeker,” zei ik. “Een kleindochter, van 13. We gaan straks naar haar toe.” “En wil ze nog met u te maken hebben? Mag u haar op straat nog een knuffel geven?” “Jazeker,” zei ik.

    Nadat ik mijn kleindochter begroet had, streek ze met haar hand over mijn gemillimeterde hoofd en zei: “Je hebt eigenlijk nog best veel haar, opa.”

  6. Gaan zoals de pijlen wijzen

    Wie tramt zit met zijn neus in de tramrails, wie loopt of fietst is zo vrij als een vogeltje. Ook als de bestemming vast ligt zijn er duizend ­manieren om er te komen. Neem ik de toeristische route? Een ­omweg?

    Zelfs als je de kortste weg neemt, zijn er vele mogelijkheden. Als een straat opgebroken is of ­afgesloten wegens weet ik veel is er altijd een sluipweg, meestal vlak langs de huizen. Er staan borden die met boetes dreigen en mannen met hesjes die driftig gebaren, maar het is geen Amsterdammer die zich daar wat van aantrekt.

    Bij de werkzaamheden rond het Weteringcircuit hebben ze het daarom anders aangepakt. Wat er gebeurt als je naar links gaat, heb ik nog niet uitgeprobeerd, maar ga je rechtsaf dan zit je gevangen tussen twee ijzeren tangen en heb je maar te gaan zoals de pijlen wijzen.

    Zo kwam ik terecht in de Den Texstraat waar ik heel lang niet geweest was en meteen een hoogst interessant poortje zag, waarvoor ik helaas geen tijd had.
    Via de ­Nicolaas Witsenstraat hervond ik de vrijheid.

    Ik stak over richting Reguliersgracht en zo schuin tegenover de Alhambra moest ik denken aan de nachten dat hier nog druk getippeld werd. Ik stond hier toen eens met een dame die daar geen weet van had.

    We wilden een taxi en toen ze een auto zag naderen, ontsnapte ze naar de trottoirband en stak haar hand op, waarna de auto prompt tot stilstand kwam en het portier openzwaaide. Ze boog voorover voor overleg en riep toen: “Kom, het is geen taxi maar deze vriendelijke meneer wil ons graag naar huis brengen.”

    Laatst zag ik dat er bij het Golden Tulip Hotel in Sloterdijk weer ouderwets getippeld wordt.

  7. Mijn Tweeduizend Loempia's

    Wie bij een Chinees eet, heeft het vaak een tijdje over eten bij de Chinees. We kwamen uit de Openbare Bibliotheek aan de Oosterdokskade en we wilden ergens een hapje gaan eten. Maar waar, was de vraag. Totdat iemand opmerkte dat er vlak voor onze neus een enorm Chinees restaurant in het water dreef. Gauw naar de loopplank dus en aan boord.

    Zonder dat we er om hadden gezeurd, werden we naar de mooiste tafel van het restaurant geleid, uitzicht op het water en de bootjes en op de huizen en de torens die ­boven de huizen uitstaken aan de overkant. “Wien, Wien, ja du allein,” zong ik met Nescio.

    Intussen waren de drankjes gebracht en was het verplichte uitwisselen van herinneringen aan Chinese restaurants begonnen. Eddy deed nostalgisch over tante Mia, een bamitent op de Oudezijds waar in de jaren vijftig heel artistiek Amsterdam goedkoop kwam eten. Ik vertelde over mijn Tweeduizend Loempia’s bij de Mandarijn, in de loop van de jaren genuttigd tijdens evenzovele redactievergaderingen.

    We bestelden, bestelden er bier bij en thee en mijn geliefde zei dat zij haar biertje pas wou als het eten op tafel stond. Toen het eten er stond, kwam de jongeman die ons vlekkeloos bediende, vragen hoe het ook alweer zat met dat biertje. “Het is eigenlijk een na-biertje,” zei ik. “Wij hebben alleen nu-biertjes,” zei hij. Toen we uitgegrinnikt waren, stond het op tafel.

    Op weg naar de uitgang van het zeepaleis bewonderden we de enorme uit hout gegutste adelaar die met gespreide vleugels in de hal staat. “Kunt u mij zeggen,” vroeg Henriëtte aan de Chinese dame die de deur in de gaten hield, “van wat voor hout hij is gemaakt?” “Boom,” zei de dame.

  8. Oude man valt in herhalingen

    In de lege winkelruimte in de Roelof Hartstraat stond een ronde tafel met daaromheen negen stoelen. Op de tafel lag een schedel, van een paard zo te zien, en er stond een beeld van een grote witte hond met zwarte vlekken. Op een van de negen stoelen zat een man op zijn telefoon te kijken.

    Bij de Ceintuurbrug lag een ­gestroomlijnd jacht afgemeerd, vernoemd naar een society­verslaggever uit lang vervlogen tijden. “Wat een prachtig schip,” zei ik tegen de man met de kapiteins­pet die in de stuurhut stond. “Weet je van wie het was?” zei hij. Ik wist het niet. “Van Freddy Heineken.”

    “En die heeft het vernoemd naar Stan Huygens van het Freddy Heineken Journaal?” De kapitein lachte. “Klopt,” zei hij, “en nu is het een rondvaartboot.” Van luxe jacht tot rondvaartboot, wat een teloorgang, dacht ik terwijl we onze weg vervolgden.

    Nadat we bij Marqt van die lekkere viskoekjes hadden gekocht, zochten we Sarphati op voor een drankje. Het meisje dat ons een borrel bracht, hield er een in elke hand en liep stapje voor stapje om niet te morsen. “Je kan de glazen ook aan tafel volschenken,” zei ik, “is misschien makkelijker.” Het leek haar een goed idee.

    “Weet je waarom dit een roomse borrel heet?” zei ik. “Jazeker,” zei ze, “dat hebt u me verteld.” Oei! Oude man valt in herhalingen. “Maar,” zei ik, “weet je hoe het ook genoemd wordt? Een overhetij­kijkertje.” Had ik van een lezer, maar dat zei ik er niet bij.

    Een paar dagen later schonk ik in de keuken een borrel in en liep er voorzichtig mee naar de huiskamer. Nadat ik de glaasjes op tafel had gezet, dacht ik, hé, ik had ook aan tafel kunnen inschenken.

  9. Hoofdbureau van Politie

    Leo van der Noort, fotograaf van Amsterdam en de Amsterdammers, vertelde me dat hij de Admiraal de Ruijterweg zo’n saaie straat vindt. ”Dan sta ik op de Krommert en om thuis te komen moet ik dan die eindeloze straat uit. Niks te zien en er gebeurt nooit wat.”

    Zijn het mijn herinneringen die de Admiraal de Ruijterweg tot zo’n opwindende straat maken? Sinds een tijdje zijn ze bezig het voormalige politiebureau te verbouwen tot appartementen. Ik volg het met argusogen.

    In de vroege morgen van zaterdag 5 juni 1956 liep ik met Frans de Bruyn over het landje achter de Glazen School. Het was luilak. We hadden Hanepen geplaagd, we hadden luilakbollen gegeten en nu liepen we hier zo’n beetje, toen als uit het niets een man verscheen die ons bij de lurven greep.

    “Daar heb ik jullie, schoftentuig!” riep hij en hij sleurde ons mee naar het politiebureau, waar we werden opgesloten, ieder in een cel. We hadden een winkelruit ingegooid en we konden maar beter bekennen, want anders gingen we naar het tuchthuis.

    Een paar weken later, op woensdag 30 juni, stond ik met mijn moeder voor het Hoofdbureau van Politie, waar ik om twee uur precies verhoord zou worden. Maar om twee uur was ook de zonsverduistering en die ging voor.

    Het werd stil op straat. Schaduwen verdwenen, de gebouwen stonden in het bleke licht alsof het uit karton geknipte decorstukken waren.

    “De jongens is tien,” zei mijn moeder even later tegen de rechercheur van dienst, “schamen jullie je niet om zo’n kind op te sluiten en te verhoren.” “Uw zoon heeft al meerdere malen op het bureau moeten komen,” zei de rechercheur.

    “Die jongen houdt van voetballen,” zei mijn moeder.

    “Het mocht wat.”

  10. Hoe jong we vroeger waren

    In januari 1963 ging Jan Donkers, en o wat zal ie het koud hebben gehad, met een fles jenever naar Gerard Kornelis van het Reve om hem te vragen of hij beschermheer wilde worden van het jongemannengezelschap Baart. Dat wilde Gerard wel. Later verklaarde Donkers: “Ze zeggen dat het een flikker is, maar ik heb zo mijn twijfels.”

    Als officiële oprichtingsdatum van Baart staat 8 februari 1963 te boek en vandaar dat we vorige week donderdag ons elfde lustrum vierden. Met een knalfuif, filmpjes waarop je kon zien hoe jong we vroeger waren, toespraken, een etentje en een boek, Het dispuut Baart, hoe 16 Amsterdamse jongens wel even de media zouden veroveren.

    Frits en ik hebben het er niet over gehad, maar zoals altijd als ik hem zie, gingen mijn gedachten terug naar de middag van de voetbalwedstrijd tegen de Haagse Post, toen ik na een keiharde tackle van Ischa Meijer jodelend van pijn tegen de grasmat ging.

    Iedereen riep meteen om dokter Frits, die nog wel geen dokter was maar ervoor leerde, wat min of meer hetzelfde is. Dokter Frits kwam, keek en zei: “ Volgens mij is het een blessure.” Het bleken gevleugelde woorden.

    Een paar weken later hielp ik Frits verhuizen. Om het geld dat we niet hadden uit te sparen, had hij een bakfiets gehuurd. Ik zat in de bak tussen huisraad, stoelen en een bed.

    Frits trapte en ondertussen bespraken we de komische sketch die we schrijven gingen voor Johnny en Rijk. Frits zag het daarom niet, het bestelautootje dat de Tweede Jacob van Campen uitkwam. Daarbij kwam dat hij dacht dat je remde door de rem omlaag te duwen of omhoog, daar wil ik van af wezen, maar het resultaat was hetzelfde.