live

Klein geluk in Amsterdam: Geen erg pretttige vacantie

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Geen erg pretttige vacantie

    Drie jaar achter elkaar ging ik naar de vakantiekolonie van de speeltuinvereniging Amsterdam-Zuid in Valkeveen, maar de derde keer was de rek eruit.

    Op 23 juli 1954 stuurde ik een briefkaart naar mijn vader en moeder die in de Cercle Hollandais in Antibes verbleven.

    ‘Het weer,’ schreef ik, ‘is hier niet al te best maar vandaag ging het nog wel. De stemming is hier niet al te best, dus heb ik geen erge pretttige vacantie, en dus nooit meer, volgend jaar ga ik maar liever mee Uw weet zeker wel dat Wagtmans zins Dinsdag de trui kwijt is en 5de staat. En Nolten staat 7de. Het is wel jammer maar de postzegel heb ik al. De groeten van Guus.’

    Wout Wagtmans had vier dagen in het geel gereden toen hij in de 12de etappe van Pau naar Luchon de doodsteek kreeg. Hij verloor twintig minuten en zou later opgeven. Louison Bobet won de Tour, Jan Nolte werd 14de. Tot zover de statistieken.

    Ik ging weer naar school, naar de vijfde klas, waar ik vanaf dag een verwikkeld raakte in een loopgraven oorlog met de nieuwe onderwijzer. Thuis wachtte ik de berichten af van het vakantiefront.

    “Je wilt echt niet meer naar Valkeveen?” zei mijn moeder hoopvol. Nee, en ook niet naar mijn opa en oma, ik wilde met mijn vader en moeder op vakantie, punt uit.

    Ergens in het voorjaar kwam het goede nieuws, we gingen naar Italië, met de auto. Het slechte nieuws was, dat de verschrikkelijke tante Mies en haar man en hun slome zoontje en zijn oppas ook meegingen, maar evenzogoed, we gingen naar Italië, waar ze ook een Rivièra hadden, we gingen naar Ventimiglia.

  2. Een oase met kinderstemmen

    Wat is de Jan Luijkenstraat toch een heerlijke straat. Een langgerekte oase van stilte die de altijd drukke Stadhouderskade met de Van Baerlestraat verbindt. Een oase met kinderstemmen bovendien, en dat is nog beter, want mooier dan kinderstemmen in de stilte is er niet.

    Ik loop door de straat en geniet van zijn prachtige acacia’s aan weerszijden. Wie mij hier ziet gaan, zal allicht denken dat ik ­zomaar wat aan het flaneren ben en dat is ook zo, maar niet helemaal. Voor de Rijkspostspaarbank pak ik een tram die ik twee haltes later weer verlaat. Even later sta ik in de kar van Jan de Haringman, waar ik bij mevrouw Jan vier ­haringen bestel die Jan dan voor me gaat schoonmaken.

    Voor de toonbank zit een al wat oudere man met een plastic vorkje iets te eten uit een plastic bakje. “Dit is toch gezond wat ik nu eet,” zegt hij op licht verongelijkte toon. “Vis is gezond, want vis is licht verteerbaar.”

    Er komt een vrouw binnen die een broodje haring bestelt. Ze kijkt in de vitrine en zegt: “Maar jullie hebben wel gebakken vis. Ik dacht dat jullie dat niet verkochten. Ik zal het straks in de flat meteen vertellen.” “Woont u in een nieuwe flat?” zeg ik. “Nee,” zegt ze, “maar ik kom hier pas sinds onze visboer ermee opgehouden is.”

    “Zwarthoed?” zeg ik. “Zwarthoed,” bevestigt de vrouw.

    “Er blijft geen visboer meer over,” zegt de verongelijkte man, “terwijl vis hartstikke gezond is.”

    Als mijn haringen schoon en ­ingepakt zijn, vervolg ik mijn weg die me ten slotte in een straat brengt met aan weerskanten acacia’s, net als in de Jan Luijkenstraat. Zo worden twee straten tot een lange allee.

  3. Annie brengt me nog een biertje

    Het terras van de Cotton Club is als het terras van alle cafés rond de Nieuwmarkt. Je zit lekker in de ruimte, je kijkt uit op Waag en Geldersekade, op de drukte van het plein en het leuke Brederodebeeld, waarop zijn Spaanschen Brabander een dame van lichte zeden probeert te kussen. Een lekker biertje erbij en mij kan niks gebeuren.

    Maar na dat biertje wil ik toch naar binnen, naar de Cotton Club zoals hij was en nog altijd is, met een bar die geen einde lijkt te ­nemen, de spiegels en tafeltjes langs de wand, de pooltafel ­achterin en de plafondschilde-ringen niet te vergeten. Ik heb ­altijd gedacht dat ze uit de Cobratijd stammen en dat denk ik nog steeds.

    Als ik omhoog kijk naar de bloedrode zon die daar schijnt, glip ik het verleden binnen en zie ik aan het einde van de bar Ome Frits zitten die alles in de gaten houdt. Er wordt gegokt en gerookt en uit de jukebox komt pikzwarte soul.

    Het loopt tegen tienen als de sterke man binnenkomt. Hij is blind en wordt geleid door zijn zoontje, dat een jaar of dertien is. Hij heeft het bovenlijf ontbloot en laat zien wat sterke mannen zoal kunnen met een spanveer.

    Nadat de jongen met de pet is rond ­gegaan, wordt aan de bar uitbundig muziek gemaakt met allerlei ­raspen en trommels. En Annie brengt me nog een biertje.

    Juffrouw Annie, zoals ik haar noemde, was voor mij de Cotton Club, vijftig jaar lang. Ze overleed op haar tachtigste. Op de avond voor de begrafenis lag Annie opgebaard in een zaaltje achter het ­café. Ik zat aan de bar en wist ­nergens van.

  4. Een aardig woordje Omkeer

    Af en toe riep mijn moeder uit de keuken: “Dato katoffato atos klator!” Maar vaker zei ze: ­“Gatosjato gatot nator batodjato tato.”

    Het schoot me te binnen toen ik Dik Trom en zijn dorpsgenoten las. Dik Trom en zijn dorpsgenoten las ik omdat ik eerder op de dag Uit het leven van Dik Trom had gelezen. Wat me ernstig ­tegenviel, terwijl ik me Dik Trom en zijn dorpsgenoten herinnerde als een meesterwerk.

    Misschien heeft u het niet ­paraat, maar in Dorpsgenoten draait het om Nelly, Diks buurmeisje dat blind is en daarom niet kan zien. Al in het tweede hoofdstuk raakt Dik ons in de ziel door ongezien zijn worst, waar hij zo dol op is, op het bord van het arme meisje te schuiven.

    Later zorgt hij ervoor dat ze mee mag op schoolreisje naar Wijk aan Zee. Aldaar wordt Dik gewezen op professor Donders uit Utrecht van wie Dik weet dat hij blinden vaak weer ziende maken kan. Dik neemt Nelly bij de hand en mee naar de beroemde geleerde tot wie hij de volgende woorden richt: “M’sr’r-profester, dit meisje is blind. Wilt u haar ook beter maken?”

    Huilen!

    Maar daar gaat het nu niet om, het gaat om de keer dat Dik de straat opgaat en dan ‘het eigenaardige geschreeuw (hoort) dat jongens soms met een hoge stem doen horen, als zij alleen over straat lopen’.

    “Halloïo!” hoort Dik, “Diktrommio! Gajeméïo.” Het is zijn vriend Pitio van Drillio die hem roept. Dorpsgenoten is uit 1920, maar als Tim en ik elkaar zien, klinkt het “Timmio”!” en “Guussio!”

    Mijn moeder sprak niet alleen dieventaal, maar ook een aardig woordje Omkeer. Als meisje geleerd, zoals alle jongens en meisjes vroeger dat deden.

  5. Deze expeditie kan lang duren

    Voor je het weet, kan het niet meer, ik doe het dus voor het te laat is. Maar eerst de nodige voorbereidingen, want deze expeditie kan even duren. Flesje water? Check. Boterham? Check. Potje met goede humeur? Check. Flesje met spraakwater, ja, ja, ja, nou, goede prijs dan!

    Te voet begeef ik mij door het Vondelpark naar het beginpunt van de reis, de halte van lijn 1 richting stad op de hoek van Overtoom en Jan Pieter Heije. De tram moet van heel ver komen, het einde van de wereld zo ongeveer, dus dat ik een tijdje op de halte sta, verbaast me niet. Maar daar is ie, lijn 1 naar het Leidseplein, met die lekkere bocht bij het Leidse Bosje.

    Op het Leideseplein stap ik over op lijn 2 richting Nieuw Sloten. Op naar het Rijks, het Van Gogh en het Stedelijk waar ik, niet vergeten uit te checken, uitstap en naar de halte van de 3 loop. Die er meteen aankomt. Ik heb dit altijd al eens willen doen, en ik moet zeggen, het valt niet tegen. Waar het plezier precies in zit, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval rij ik heel anders door de stad dan ik ooit gedaan heb.

    Bij de Van Wou, u raadt het, is het weer overstappen geblazen, voor een lekker lang ritje met de 4, helemaal naar het Centraal Station. Ik ben nu twee uur onderweg en ik zou, overweeg ik als ik op de halte van de 5 sta, er snel een kunnen kopen, bij de Ster bijvoorbeeld, of de Flying Dutchman aan de overkant, waar ik nog nooit geweest ben. Maar gelukkig, daar is de 5 en ik weet waar die mij brengen zal.

  6. En dansen konden ze ook niet

    Ik fietste door de Gerrit van der Veenstraatstraat toen ik werd ingehaald door een zwarte auto die zo’n 150 kilometer per uur leek te rijden. Hij was me nog niet voorbij of hij maakte voor het torentje van het Gerrit van der Veen College een draai naar de linker weghelft en stoof toen plankgas achteruit om in te parkeren. De jongen die de auto bestuurde, deed dat door met de palm van zijn hand in een cirkelbeweging over het hart van het stuur te draaien. Jongens van een zekere leeftijd kunnen dat.

    Een paar auto’s verderop stond een bankje met drie meisjes, van wie er een opgestoken haar droeg en een gelukzalige glimlach had. De jongen in de auto is haar vriendje, dacht ik en omdat ik wilde weten of dat inderdaad zo was, stapte ik af en wendde voor de rozen in het perkje te bewonderen.

    De jongen in de auto was haar vriendje. Alles bij het oude dus, al kwamen wij indertijd op de fiets om onze vriendinnen op te halen. Tien jaar eerder, in het begin van de jaren vijftig, stonden er geen jongens voor school en als er een feestje was en het was de bedoeling dat er gedanst werd, werden de jongens van Zeevaartschool in Den Helder uitgenodigd. “Want daar hadden ze weer geen meisjes,”schreef Esther Huisman me onlangs, “en dansen konden ze ook niet.”

    Dat was voor mijn tijd, maar ik heb nog wel meegemaakt dat je om met een meisje naar een feest van de Breitner MMS te kunnen eerst een soort fatsoensexamen afleggen moest bij de directrice van de school. Ik slaagde, maar had na die ondervraging geen zin meer in het feestje, wat me door Elsbeth zeer kwalijk werd genomen.

  7. Binnenkort komen ze hier niet meer

    Op het Azartplein, waar zoals iedereen weet Amphitrite op haar hippocampus uit een ­vijver oprijst terwijl zoonlief niet onverdienstelijk de hoorn bespeelt, keek ik naar het Lloyd Hotel.

    Onlangs werd café Helmers in de Bilderdijkstraat gesloten en het aardige is dat het heropend weer café Helmers heet, met dezelfde letters op de ruit, maar anders van binnen. Zo heet het Lloyd Hotel nog altijd Lloyd Hotel, maar nu omdat het een hotel is en vroeger omdat het een gevangenis was en daarvoor een hotel.

    Een eindje verderop, langs de Veemkade, ligt een cruiseschip afgemeerd. Goed kijken, Guus, maan ik mezelf, want binnenkort komen ze hier niet meer. Ik vond die cruiseschepen altijd aardige dingen, met die spuitende slepertjes voor en achter als ze de haven binnenvoeren, maar het schijnt dat er duizenden passagiers op zitten die de binnenstad onveilig maken. De schepen worden nu naar het westelijk havengebied verbannen, waar de passagiers gaan passagieren op de Transformatorweg, waarmee dat probleem ook weer is opgelost.

    Op de Levantkade heeft de storm van vannacht een ware slachting onder de stokrozen aangericht. Twee meter hoge bloemen liggen geknakt voorover, sommige met wortel en tak tussen de tegels vandaan gerukt. Bij Ode Uitvaart staat een mobile in de zaak waaraan duizend vaantje hangen met de namen van 1000 mensen ‘waarvan Ode de uitvaart heeft begeleid,’ Harm, Jet. Tjeerd, Theo, Ronald, Corry, zie ze zweven.

    Tim vertelt me dat er een programma is dat gesproken taal omzet in geschreven woorden. “Ik zit hier met Guus in het café,” zegt hij tegen zijn telefoon, “Hij drinkt bier en ik drink thee.” Dan laat hij me het scherm zien en ja hoor, daar staat het: ‘Ik zit hier met Guus in het café, hij drinkt bier en ik 3D.’

  8. Heimwee naar Caïro

    ‘Ik wou dat ik een stoel was in een dameskapsalon,” zingt Gwanazanger Amazigh Kateb. Desgevraagd zei Joséphine Baker toen haar schip vanuit New York vertrok, dat ze naar Europa ging in de hoop daar de ‘volmaakte pik’ te vinden. Sidney Bechet die ook aan boord was, zei later: “La nuit est une sorcière”, wat zich niet gemakkelijk vertalen laat.

    Ik had eens een leuke vriendin met wie ik graag Lollipop zong, bij voorkeur op de fiets: “Lollipop, lollipop/ O lolli, lolli, lolli, lollipop,/ lollipop, o lolli, lolli, lolli, lollipop,” heerlijk lied waar we die zomer tussen het zoenen door maar geen genoeg van konden krijgen.

    In de herfst van dat jaar, 1958 denk ik, een herfst die ook de herfst van onze liefde zou blijken, had ik twee kaartjes bemachtigd voor een concert van Art Blakey en de Jazz Messengers, dat plaats vond in een uitverkocht Concertgebouw.

    Maar mijn vriendin wou niet mee, want diezelfde avond trad Sidney Bechet op in Carré en daar wilde ze met alle geweld naartoe omdat ze Sidney Bechet zijn handtekening wilde vragen. ­Bespottelijk, Sidney Bechet, van dat weeë Petite fleur, kon het ­erger?

    Voor straf nodigde ik haar leuke moeder mee die het prachtig vond met mij een jazzconcert te bezoeken. Toen zij overleed, vertelde ik mijn vriendin van toen over die avond met haar moeder. Daar wist ze niets van, of was ze het vergeten? in ieder geval was ze blij met een mooie herinnering aan haar moeder. En, o ja, het was geen concert van Sidney Bechet ­geweest waar ze naartoe ging, maar van Benny Goodman.

    Soms heb ik heimwee naar Caïro waar ik lang geleden nooit naartoe ging om Oum Kalsoum te horen zingen.

  9. Het mag niet meer zoals zoveel niet

    Amsterdamse jongens pissen nooit alleen. Als je in het café aankondigde dat je ging pissen, ging er altijd iemand mee. Als er buiten werd gepist wegens file bij de wc, stond je vaak met zijn zessen langs de gracht bruisende gaten te prikken in het donkere ­water.

    Er werden daar lacherige gesprekken gevoerd, vaak over het vrouwelijk schoon in het café en uitgeplast had iedereen weer dorst gekregen. Dus gauw naar binnen toe en kijken hoe het verder ging.

    Het had wel wat, maar het mag niet meer zoals zoveel niet. Wel is er een monument voor de Onbekende Wildplasser verrezen. Het staat aan de sloot langs de sportvelden van Arsenal aan het IJsbaanpad, het beeld van een morsige oude man die het vanuit de geopende broek dag en nacht laat klateren.

    Hij staat met zijn rug naar het sportveld toe en plast de voorbijganger recht in het gezicht, een onaangenaam schouwspel, temeer daar al dat plassen voor grote vieze vlekken rond de gulp heeft gezorgd.

    Liever dan deze vieze oude man is mij het vier, misschien vijf jaar oude jongetje dat ik in de Cliostraat onder het wakend oog van zijn moeder in een geveltuintje zag wateren, de korte broek op zijn enkels, de billen bloot. Maar het mooiste plasje behoort toch mijn geliefde.

    Ze deed het in Porto, boven aan een hoge stenen trap met uitzicht op de stad en de Atlantische Oceaan, in de schaduw van een kathedraal. Nadat we de afdaling hadden ingezet, zag ik na enkele treden hoe het plasje ons inhaalde en vervolgens met ons mee liep, tree na tree na tree, gleed het langzaam met ons mee. Tot helemaal benee.

  10. Scherp geschoren en geknipt

    Aan het pleintje dat ­Coöperatiehof heet, staat een elegant ­gebouw met aan de ­gevel een bord met de woorden ‘Welcome to Selmore, from a proud past to a promising future.’

    In de tufstenen gevelversiering lees ik van ­boven naar beneden ‘leeszaal’.

    De tijden veranderen. Midden in het plantsoentje staat op een stervormig voetstuk een enorme stenen bol. Wie om de bol heenloopt krijgt vier teksten te zien: ‘Van Buuren/ Amsterd. pionier volkshuisvesting/ Voorz. Verbouwmij Eigen woningen/ aangeboden door de leden Dec. 1936.’

    De ­Amsterdamse School heerst in ­deze buurt met harde hand, de stenen golven als de golven van de zee van rimpelingen naar machtige brekers, je zou er duizelig van worden.

    Ik fiets onder de poort van de ­Carillonstraat door en beland in de glinstering van edelstenen, ­saffier, granaat, topaas, robijn, smaragd, om tenslotte te parkeren bij een broodjeswinkel op de hoek van de Van Wou en de Lutmastraat.

    Op het smalle terras zitten vier Marokkaans-Nederlandse jongens aan de koffie verkeerd en de smoothies met een broodje erbij. Ze zijn alle vier net zo scherp ­geschoren en geknipt als de vijfde jongen die naast mij plaatsneemt met de woorden ‘Ik kom naast u zitten’, een prima plan.

    Een van de jongens vertelt een verhaal, dat hij met een uitbundige pantomime illustreert. De jongen spreekt prima Nederlands, ik versta hem woord voor woord, maar wat hij zegt begrijp ik niet merkwaardig genoeg, het is of ik de voorwaarden van een verzekeringspolis zit te lezen.

    De andere jongens lachen, waarop het hele toneelstuk nog een keer wordt ­opgevoerd. Deze keer lach ik mee.