live

Klein geluk in Amsterdam: Het moment dat

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Het moment dat

    Bij Opsmuk, de Indianentooienwinkel van Saar en Peet in de Roelof Hartstraat die komende zomer helaas gaat sluiten, hadden we het, wegens omstandigheden, over begrafenisondernemers.

    “Toen mijn moeder was overleden,” zei Peet, “kwam me er toch een zeikerd binnen, niet te geloven, met zo’n uitgestreken smoel, maar zo ruig als een kokosmat en het eerste wat hij zei was dat de ­rekening voor maandag betaald moest zijn. Want hij had nogal eens last van wanbetalers.”

    Toen we uitgelachen waren, vertelde hij over zijn grootvader van moeders kant, Piet, een boom van een kerel. Peet was op school toen hij over de dood van zijn groot­vader vernam en nam meteen een taxi naar Zaandam.

    “Hij lag opgebaard op de keukentafel, en hij had maat 48 schoen, dus het enige wat je zag, waren de twee voeten die omhoog staken.” De begrafenisondernemer had zonder iets te zeggen vier plankjes neergelegd, iepen, vuren, grenen, eiken.

    “Mijn moeder,” zei ik, “is de nacht van zaterdag op zondag overleden in een heel gereformeerd dorp. Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman. Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had. En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van. Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten.”

    Maar Peet, die als keurige jongen uit een rood gezin van de blauwe knoop is, wilde het wel weten en dus vertelde ik van de Grote Kerst Kater Die Vijf Dagen Duurde, verschrikkelijk. “Het gekke is,” besloot ik, “op het moment dat de kater wijkt, ben je hem vergeten en denk je, ik zou best een lekker biertje lusten.”

  2. Mijn handdoek in het zand

    In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang. De kool- en pimpelmezen hingen aan de pinda’s, de papegaaien vlogen krijsend van boom naar boom en de grote bonte specht die zich niet zien liet, hamerde er stevig op los.

    Ik zat aan tafel en schreef een brief aan een vriendin die ik heb leren kennen in de zomer van 1959. De vakantieliefde van vorig jaar, voor wie ik naar Canet-Plage gekomen was, was voorbij en ik was in mijn dooie eentje naar het strand gegaan.

    Nadat ik mijn handdoek in het zand had gelegd, zag ik dat er een eindje verderop onder een grote parasol drie meisjes zaten. Eentje in een blauw badpak, eentje met een zwarte strooien hoed op en een met hagelwitte tanden.

    Wat een leuke meisjes, dacht ik, maar zij zaten daar en ik stond hier en hoe ik hier in daar moest veranderen, wist ik niet. Daarom liep ik naar zee en dook in de golven.

    Toen ik weer opgedoken was en naar mijn handdoek liep, was hij verdwenen. Het was het meisje in het blauwe badpak dat met mijn handdoek naar mij zwaaide als met een zakdoek naar een vertrekkend schip.

    In mijn jaarlijkse brief aan haar haalde ik herinneringen op aan haar vader, die Gauloises rookte in maispapier, aan de pingpongtafel in de tuin voor hun huis aan zee, aan Capri, de hond en aan de ­Canigou natuurlijk, die altijd toekeek.

    Toen de brief in zijn enveloppe zat en ik die wilde adresseren, kon ik het adres niet vinden. Maar plotseling schoot me de agenda uit 1959 te binnen die ik altijd bewaard heb, en daar stond het, in mijn jongenshandschrift, Hortensiastraat 15.

  3. In de etalage van Eichholtz

    De Leidsestraat was vroeger een sjieke winkelstraat met deftige herenmodezaken, boekenwinkels, theesalons, een tapijtenhandel, een platenzaak waar je op maandagmorgen moeders in de rij kon zien staan om voor hun zonen een kaartje te kopen voor het nachtconcert van Gerry Mulligan, juweliers, diverse schoenenwinkels, restaurant Bali en twee delicatessenwinkels.

    Als ik op zaterdagmiddag door de Leidsestraat liep, dacht ik altijd dat er van alles ging gebeuren, maar er gebeurde nooit niks.

    Bij de sigarenwinkel vlak voorbij het KLM gebouw kocht ik een pakje sigaretten.

    “Opsteken? ” zei de man van de sigarenwinkel. Als je ja zei, sneed hij met een pennenmesje het pakje open en tikte ­tegen de onderkant tot de sigaret naar buiten kwam, die ik tussen mijn lippen nam om me vervolgens voorover te buigen naar het gasvlammetje dat brandde op de toonbank.

    Als ik met de tram door de Leidsestraat rijd, kijk ik naar het verleden, maar ik zie het niet, behalve het korte ogenblik dat ik in de etalage van Eichholtz het Drostemannetje zie staan.

    “Iedereen wil het kopen,” zegt mevrouw Eichholtz, die Karin heet en hier 36 jaar werkt. “Maar het kost 1000 gulden, en we ver­kopen het niet hoor.” Een hele gerust­stelling.

    Eichholtz verkoopt alles in verpakking, de 69 varianten van Heinz, allerlei soorten tabasco, garlic pepper, pepper, green pepper, habanero, sweet & spicy, maar ook Marmite en knoflookkaas. “Gvina shum,” zegt Karin, in het Hebreeuws, want ze spreekt alle talen, wat haar klanten duidelijk leuk vinden.

    Toen mijn moeder haar blikjes Delmonte nog bij Eichholtz kocht, reden we een keer over een bergpas in Zwitserland, de Gotthard of de Brenner of zoiets. Helemaal boven stond voor een ijswinkel een bord met de woorden ‘Wij spreken alle spraken’.

    Altijd onthouden.

  4. Wat niet mocht, was opscheppen

    Ik zette mijn fiets in de fietsennis van het Stadsarchief en zag dat er aan de andere kant van de ruit zo’n vijftig kinderen zaten die al mijn bewegingen nauwkeurig volgden. Ik lachte en ze lachten terug, ik zwaaide en zij zwaaiden terug.

    Toen ik door de draaideur naar binnenging, bedacht ik dat ik het pasje dat toegang geeft tot de studieruimte vergeten was.

    Ik meldde me dus bij de balie. “Wat is je geboortedatum?” zei de altijd vriendelijke en behulpzame dame die daar zetelt. “Weet je die niet?” zei ik. “Je denkt toch niet dat ik iedereen zijn geboortedatum kan onthouden?” zei ze. “Nee,” zei ik, “maar de mijne toch wel?”

    In de derde klas van de lagere school, de Erasmusschool, had ik mevrouw Besier, ‘de schrik van de school en door mij nog altijd beschouwd als de leukste leraar uit mijn schoolcarrière’, zoals ik eerder schreef.

    Alles was spannend dat jaar en alles mocht, samen met een vriendje schrift na schrift vol tekenen met eitjes die uit een paaseierenfabriek kwamen bijvoorbeeld, of een boek van huis meebrengen en daar tijdens de leesles in lezen.

    Wat niet mocht, was opscheppen. Ik had een vriendje waar ze thuis een poes hadden die op de wc ging. Dat vertelde hij een keer, maar mevrouw Besier was het daar niet mee eens, dat vond ze een vorm van opschepperij. Ik denk daar nog vaak aan.

    Ze was al dik in de tachtig toen ik haar een keer aan de telefoon kreeg. “Ben jij van de week niet­ jarig, Guusje?” zei ze. “Dat u dat nog weet,” zei ik. “Van sommige kinderen onthoud je meer dan van anderen,” zei ze.

    Ik weet wat ze ervan had gevonden, dat ik dit nu opgeschreven heb.

  5. Zo ging dat vroeger

    Zoals ik af en toe doe, zat ik De reis om de wereld in 80 dagen te lezen. Zoals altijd ging Phileas Fogg zijn beroemde weddenschap aan, waarna hij zich ­samen met zijn kersverse bediende Passepartout naar Charing-Cross Station spoedt.

    Zoals altijd geeft Fogg de twintig guineas die hij zojuist aan de whisttafel heeft gewonnen aan een behoeftige waarop hij samen met Passepartout naar de wachtkamer gaat. En daar lezen we: ‘Fogg liet Passepartout twee kaartjes eerste klas naar Parijs nemen.’

    Een acute aanval van heimwee maakte zich van me meester, want ja, zo ging dat vroeger. Iemand zei, “Zullen we naar Parijs?” en op het station kocht je dan een kaartje, liet je je nog even scheren door de stationskapper en een uurtje later zat je comfortabel in de eerste klas op het gerammel van het wagentje van de restauratie te wachten.

    Heimwee. Ik voel wel eens heimwee naar het gasvlammetje op de toonbank van de sigarenwinkel of naar het geluid van een tennisbal geslagen door een houten racket, maar bovenal heb ik heimwee naar de steile wand, naar het geluid van de motoren die je op de kermis al van verre hoorde, naar de mannen op de motoren die eerst een voorzichtig rondje reden en dan, als ze iets harder gingen, hun motor tegen de steile wand op stuurden, steeds sneller en steeds hoger, tot ze vlak onder de rand ­reden en je ze zo zou kunnen aanraken.

    Met losse handen reden ze hun rondjes, achterstevoren op hun motoren gezeten, met gevaar voor eigen leven, onverzekerd bovendien. Want dat werd er aan het slot van de voorstelling altijd bij ­gezegd, waarna het muntjes ­regende in de piste.

  6. Een gebroken ribbetje

    Op ons viermaandelijkse kopje thee, in Wildschut deze keer, dronken we koffie verkeerd en cappuccino, een en ander ­gebracht door een vermakelijk meisje dat ons toen we heel erg te lachen zaten, kwam vertellen dat ze iets in onze thee had gedaan.

    Mijn vriend is van mijn leeftijd, maar dan iets ouder en ons theedrinken eindigt altijd met de ­mededeling dat hij het qua fietsen nu echt iets rustiger aan gaat doen. Aan het begin van het gesprek heeft hij dan verteld dat hij tijdens een tocht om het IJsselmeer ter hoogte van Stavoren met een snelheid van 70 in het uur een stevige smak heeft gemaakt.

    Stavoren lag deze keer in Amsterdam-Noord, in een bos bij het Noordhollands kanaal. “De mensen liepen allemaal naast hun fiets,” zei hij, wegens glad, maar volgens hem was dat nergens voor nodig, met als gevolg een gebroken ribbetje (‘hup met dat kribbetje!’). Mijn vriend is blij dat hij nog dingen doet waardoor je in het ziekenhuis kan belanden, dus eigenlijk was dat ribbetje een tegenvaller.

    “Ik viel laatst ook van mijn fiets,” zei ik. “In het Bosplan.” Tim begon te lachen, en vertelde toen dat hij het nog altijd over ‘de Nieuwe RAI’ had als hij de RAI bedoelde.

    We kregen het over straatnamen. Was ik al eens in de Internetstraat geweest, of op de Disketteweg? Kende ik het Orgeldraaierspad, en hoe was ik met de Snelfietsweg? “En de Krommert,” zei ik, “altijd gedacht dat de Krommert zo heette omdat ie zo krom is, maar er is een meneer Krommert.” “Zoals het Vliegenbos niks met vliegen te maken heeft.” “En het Grote Gartmanplantsoen niet bestaat.”

    Waarop twee uitbundig lachende mannen bij een vermakelijk meisje nog een kopje thee bestelden.

  7. Buurt van kroegen en bordelen

    ‘Wat het huis verliest, brengt het huis terug,” zei mijn moeder graag. Maar soms was ze zo ongeduldig dat ze tot toverspreuken overging om het huis een handje te helpen. “Sint Antonius,” psalmodiërde ze dan, “goede vriend, maak dat ik mijn vingerhoedje vindt.”

    Waar mijn moeder, keurig opgevoed in een rood gezin en nooit een kerk van binnen gezien, Sint Antonius vandaan had, mag onze Lieve Heer weten. Ze heeft het me nooit verteld, maar ik geloof dat ze erin geloofde.

    Ik zou het ook graag doen, maar ik heb zoveel spullen om me heen verzameld, dat zelfs Sint Antonius er geen wijs uit weet. Maar wat het huis verliest, brengt het huis terug, soms zelfs dingen waarvan je niet wist dat je ze had.

    Gisteren was het een boekje van Siegfried van Praag met de titel De Eeuwige Plantage, zijn in 1982 geschreven herinneringen aan de Plantage waar hij zijn jeugd doorbracht. Hij vertelt daarin, nooit geweten, dat de Plantage aan het einde van de negentiende eeuw een buurt was van kroegen en bordelen. Een achterneef van hem ging daar wel uit wandelen met zijn ‘ome Levie’ die omdat zijn familie naar Engeland was vertrokken ‘Sir Lewis’ werd genoemd.

    Sir Lewis was een man ‘met een bolhoed op zijn doodshoofd en een dikke sigaar met zware kauwfranje’ tussen zijn lippen. ‘Een echte Mager Hein,’ schrijft Van Praag, ‘maar toch…’

    Want tijdens zo’n wandeling vroeg oom zijn neefje vaak even te wachten. ‘Hij ging zo’n bordeeltje binnen en, na zijn sexuele besogne verricht te hebben, kwam hij weer naar buiten en nam vaderlijk de hand van het neefje om gemoedelijk verder te kuieren.’ Goede schrijver, de schrijver van Jeruzalem van het Westen, jammer dat hij zo vergeten is.

  8. Mij hebben ze niet meer

    In de tijd dat we in de Bosboom Toussaintstraat woonden, ging ik op werkdagen om kwart voor negen de deur uit om naar mijn werk te gaan. Nadat ik de eindeloze trap was afgedaald, liep ik de straat in, waarna ik de Alberdingk Thijmstraat kon nemen om dan de Van Lennepkade af te lopen.

    Ik kon ook de De Genestetstraat ­nemen om vervolgens dezelfde kade af te lopen. De derde mogelijkheid was helemaal doorlopen naar het einde van de straat en dan meteen de Nassaukade op.

    Onderweg groette ik kapper Cor, die al vrolijk te knippen stond, zwaaide ik naar de bereden polities die mij koutend tegemoet kwamen en maakte ik vaak een praatje met Martin Bril, die er altijd vroeg bij was. Het was een plezierig wandelingetje naar bus 80.

    Op een gegeven ogenblik begon het me op te vallen dat ik vaak een zwangere vrouw zag, dat ik steeds vaker een zwangere vrouw zag en dat het verdomme wel leek of alle vrouwen zwanger waren. Bleek dat er in de De Genestetstraat een
    geboortecentrum was neergestreken.

    Wanneer ik mijn huidige behuizing verlaat, zie ik mensen met wandelstokken en mensen op krukken, achter rollators en in rolstoelen. Het zal, denk ik, iets te maken hebben met Medisch Centrum Roelof Hart dat, een paar jaar geleden alweer, het postkantoor heeft overgenomen.

    Mij hebben ze niet meer. Zie ik overal trambestuurders met hun conducteurs, dan veronderstel ik een remise, zie ik allemaal koksmutsen een koksschool, maar wat te denken van allemaal aluminium kokertjes als patronen op de stoep en in de goot? Op het kleine stukje Olympiaplein achter het Van Heutszmonument telde ik er maar liefst dertien.

    Inmiddels ben ik er achter. Lachgas. Middelbare school in de buurt.

  9. Schitterende krulletters

    Op weg naar zomaar een wandelingetje hield ik even halt voor café De Zeepost op de hoek Prins Hendrikkade-Oudezijds Kolk en bekeek de schitterende krulletters op de ruit. Dat weet u zo niet, maar de broer van mijn grootvaders zuster was de eerste krulletterschilder van Amsterdam en deze letters zijn nog van zijn hand. Uit 1963 meen ik.

    Het al even fraaie zeilbootje in de vensterbank is gemaakt door zijn tante die bekend stond als Schele Greet. “Geluk,” zei buurtgenoot Frits Heffelaar laatst in ons buurtblad, “is een herinnering.”

    Langs het Bordello A Parigi waar Mathilde Karrèr exposeert (featuring Fred Ventura ‘Love is my answer’ en Model Man ‘Hidden waves’, tot 28 januari) liep ik de Zeedijk op en langs café Verhoeff met het borstbeeld van Fernandel en het bordje ‘Wegens succes is er weer bier!’ naar de Oudezijds Voor met zijn kroegen en zijn Ons’ Lieve Heer op Solder.

    Bij de Oude Kerk liep ik de steeg met de kinderhoofdjes in die Oudekerksplein heet en waar lang geleden een kolenwinkel zat die in zijn etalage een enorm brok steenkool ­exposeerde.

    Even later stond ik voor de Dolle Begijnensteeg. Volgens de overlevering was het in deze steeg dat wij, een stel kinderen uit de zesde klas van Erasmusschool onder wie Joke Vlietman en Hans van Bronkhorst, een emmer water over ons heen kregen toen we door de kier in het gordijn van een peeskamertje naar binnen stonden te loeren.

    Eerder die middag waren we op het Rembrandtplein naar het Waterorgel geweest, een nu vergeten attractie, waarbij een orgel als het bespeeld werd in zijn pijpen gekleurd water omhoog stuwde, een symfonie van kleur en muziek zal ik maar zeggen. En daarna dus hup naar de dolle begijnen.

  10. Het verschil tussen links en rechts

    Met Marcel van antiquariaat Feniks had ik het over de raadselachtige prijzen die je tegenwoordig betaalt voor de boeken van Hanny Michaelis. Haar dichtbundels die allemaal van voor 1971 zijn, kan je overal kopen, en voor een symbolisch bedrag.

    Maar Verst verleden waarin ze over haar jeugd verhaalt, is vrijwel onvindbaar en als je het vindt onverwacht duur. “Dat komt omdat Verst verleden nog nieuw is,” zei Marcel. "Dat doen mensen nog niet weg.” “Het is uit 2002,” zei ik, “noem jij dat nieuw?”

    Op het moment dat Marcel antwoord zou geven, kwam er een vrouw binnen. “Meteen zeggen,” zei ze, “zit je bel links op het stuur of rechts? Meteen zeggen.” “Rechts,” zei Marcel. De vrouw ­begon te lachen en ging er meteen weer vandoor. “Weet jij het verschil tussen links en rechts niet?” zei ik. “Jazeker wel,” zei Marcel, “maar zij komt hier iedere dag en ik neem haar graag een beetje in de maling.”

    “Mijn geliefde,” vervolgde ik, “weet het echt niet, het verschil tussen links en rechts. Als je met haar in de auto zit en je zegt dat we rechts af moeten, gaat ze ongezien naar links, en omgekeerd. Maar het gekke is dat je de boel niet recht kunt trekken door alles om te draaien. Dus door ‘rechts’ te zeggen als je linksaf moet. Om de een of andere reden gaat ze dan wel rechtsaf. Merkwaardig, toch?”

    “Ik denk,” zei Marcel, “dat ze aan je stem hoort dat er iets niet klopt.” “Maar dan zou ze toch juist linksaf moeten gaan?” zei ik.

    Marcel dacht een tijdje na en zei toen dat hij het gevoel had in een sketch van Walden en Muyselaar te zijn beland.