live

Klein geluk in Amsterdam: Hadiejé, hadiejé, hadiejo!

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Hadiejé, hadiejé, hadiejo!

    In het oorlogsdagboek van Hanny Michaelis kwam de Kattenbak Centrale langs. Meteen klapte er een kattenluikje open waardoor het bijbehorende lied naar binnen glipte. Een paar dagen later zaten we in het Westerpark op een picknicklaken tussen de hapjes en de drankjes en maakte ik me op om het lied voor de aanwezigen ten gehore te brengen.

    Ik hief de stemvork en daar ging ie: “Wij zijn de Kattenbak Centrale/ Wij komen vieze kattenbakken halen/ En schone kattenbakken brengen/ O, wat stinken ze die krengen!” Het gaat ook met ‘dan kunnen ze weer schijten die krengen’, maar mijn moeder had het altijd op ‘stinken’ gehouden en dat deed ik ook.

    Toen ik uitgezongen was, nam een vriendin het over en zij zong: “Als nachtegalen zingen wij/steeds voor de tbc…” “Pardon?” zei ik. Bleek dat de Nachtegalen een koor was dat geld inzamelde om te helpen tbc de wereld uit te krijgen, vandaar dat wonderlijke ‘voor de tbc’.

    “Wat zongen jullie nog meer?” vroeg ik, en meteen kwam de jukebox in werking. “Wij kinderen van Tromp en de Ruyter,” zong onze vriendin, “Wij jongens van Jan de Wit/ Wij eren voorwaar ook de snuiter/ Die hoog in de wolken zit/ Wij zijn trots op hem/ Onze KLM/ Die zijn vogels stuurt van Oost naar West.”

    Vanaf de picknicklakens om ons heen klonk applaus, reden om nog een lied aan te heffen, dat echter na een regel stokte. Maar de moderne techniek bracht uitkomst en even later zong Gonda, met haar zusje op de speaker: “Ik maak een reuze fijne rit/ Op mijn vaders duo-zit, hadiejé, hadiejé, hadiejo/ Alles stuift verschrikt ­opzij/ Als wij vrolijk gaan voorbij, hadiejé, hadiejé, hadiejo!”

    Nachtegalen.

  2. Het perfecte eierrekje

    Twee jaar geleden kocht mijn geliefde een ­ansichtkaart met de ­afbeelding van een eierrekje, zoals je die wel vindt op de bar van café’s waar de tijd iets langzamer gaat.

    Zoutvaatje in het midden en aan weerskanten een ei, hardgekookt, hoewel je dat op de foto niet zien kunt natuurlijk. ‘Oeuf’ staat er op het kartonnetje dat aan het rekje hangt en daaronder ‘5 fr’.

    Eddy Posthuma de Boer vertelde me eens over een Nederlander in zijn kennissenkring die al jaren in Frankrijk kampeert zonder ooit een woord Frans te hebben ­geleerd. Als hij eieren nodig heeft, gaat hij naar de boer en zegt: “siks oefs”.

    “En wat gebeurt er dan?” wilde ik weten, want Fransen verstaan nooit niks. “Dan krijgt hij zes eieren,” zei Eddy. Ik was paf.

    Sinds die foto wil mijn geliefde ook zo’n eierrekje, maar dat valt niet mee, want eierrekjes zijn schaars en als ze er al een vindt, voldoet het nooit aan de norm. Maar het perfecte eierrekje bleek wel degelijk te bestaan. Het stond op de bar van café Bos aan de Amstelveense weg.

    Na enkele inleidende manoeuvres zei de barjuffrouw: “nou, doe maar een bod”, maar voor ik mijn prijs had kunnen noemen, trok ze haar aanbod in. “Ik denk toch dat je het met de baas moet bespreken,” zei ze.

    Een paar weken later zaten we bij Sarphaat en dronk ik met uitzicht op het park een borrel uit het volmaakte borrelglaasje. “En hoeveel is het met dit glas erbij?” vroeg ik het vriendelijke meisje dat kwam afrekenen. “U bedoelt dat u het glas wilt kopen?” zei ze. Ik knikte.

    “Ik denk niet dat het kan,” zei ze. “En zo,” sprak ik, “worden wij het pad der misdaad op gejaagd.”

  3. Naar het Hoyerpad

    Als mijn grootmoeder voor de volgende dag een afspraak met mijn moeder wilde maken, stuurde ze ’s morgens een briefkaart. Die werd ’s middags ­bezorgd en als mijn moeder meteen terugschreef had mijn grootmoeder haar antwoord met de avondpost. De volgende dag troffen ze elkaar dan zeg om half elf bij de Vami in de Kalverstraat, waar de dienstertjes een schortje droegen en een kapje in hun haar.

    Vandaag de dag is een afspraak maken een stuk ingewikkelder, maar soms lukt het en zo kon het gebeuren dat mijn vriend en ik ­elkaar op een zonnige zaterdagmiddag troffen op het eindpunt van lijn 3 in Oost.

    “Zullen we naar het Hoyerpad,” had hij een paar weken eerder geseind, en nu liepen we door de Indische buurt naar de Kramatweg, waar we net de ingang misten van het Jodenmanussie. Nou ja, dat kwam volgende keer dan wel. Langs de ­begraafplaats liepen we over de Zuiderzeeweg en de Zuider IJdijk naar de Oranjesluizen.

    Ik heb deze wandeling vaak ­gemaakt, maar altijd voel ik me een ontdekkingsreiziger die onbekend gebied betreedt. Alles lijkt nieuw iedere keer. Het smalle voetpad met uitzicht op IJ en Buiten-IJ, de skyline van de stad en de heerlijke sluizen, waar je zomaar over de sluisdeuren heen mag ­lopen en als er geschut wordt het water stromen ziet.

    Als jongen van tien kwam ik hier voor het eerst. Er lijkt weinig veranderd. Maar het Hoyerpad was er toen nog niet en Hoyer leefde nog, in Nescio, die toen, meen ik, op de Linnaeushof woonde en er vaak op uit trok. Op 30 december 1953 noteerde hij: ‘Woensdag. Schitterende zon. Het schitterende ­Amsterdam.’

  4. Een fonkelende atalanta

    Op een dag vond ik in een bak van een antiquariaat dat ik met enige ­regelmaat bezoek een groot aantal dichtbundels, allemaal, zo ontdekte ik al snel, ­afkomstig uit de nalatenschap van de eens alom gevreesde poëziecriticus Rein Bloem, die zelf ook versjes schreef, maar dat, die dingen gebeuren, stelde niet veel voor.

    Zo wist Rudy Kousbroek precies hoe je een roman moest schrijven. Hij heeft het Gerard Reve nog eens haarfijn uitgelegd, maar zelf kon hij het niet. Hij heeft zelfs nooit een boek geschreven, een boek ­bedoel ik, dat niet bestond uit eerder in de krant verschenen stukjes.

    Hugo Brandt Corstius was wat dat betreft van hetzelfde laken een pak, maar dit alles geheel terzijde.

    In de bak met nalatenschap van Rein Bloem trof ik onder meer Klein Voorspel, de debuutbundel van Hanny Michaelis, en Slechts de namen der grote drinkers leven voort van Riekus Waskowsky.

    Van beide dichters heb ik het verzameld werk al jaren in de kast, die bundels hoefde ik dus niet te ­kopen, maar ik deed het lekker toch.

    Toen ik weer thuis de bundels ­inkeek, gebeurde er iets merkwaardigs. Het was of de gedichten die ik las andere gedichten waren dan dezelfde gedichten in het verzameld werk. De verzen leken bevrijd, ze hadden zichzelf afgestoft en toonden zich vers als een fonkelende atalanta net uit zijn pop.

    Sindsdien weet ik wat ik zoek in de boekenbakken van de stad, de bundels van Nijhoff, van Lucebert, van Van Ostaijen en in die bundels zoek ik de verzen die zich tot dan toe schuil hielden:

    ‘Zijn alle ­steden zo/ zijn zij alle zo/ zo zijn alle// Overal/ overal en nergens/ overal is nergens/overal’ (Paul van Ostaijen).

  5. Voor het eerst transgender gepist

    De kortste weg naar Theater Bellevue voert door de P.C. Hooft, waar we achter een groep toeristen terecht kwamen die zwalkend achter hun aanvoerder aan fietsten. “Sjanel!” wees de leider, “Koekkie! Armani!” Heel verfrissend.

    Bij Bellevue zag het zwart van de familie van de kinderen van groep 8 van Montessorischool De Jordaan die voor ons hun afscheidsmusical gingen ­opvoeren.

    Waar het hart van vol is… Laat me volstaan te zeggen dat het prachtig was. Er werd vol overgave gedanst, gezongen, geplaybackt en de grappen waren niet van de lucht, waarbij ik het hardst moest lachen om het jongetje dat in zijn rol van wiskundeleraar kwam zeggen dat Pythagoras was overleden.

    Dat Anne Frank werd herdacht met een prachtig gezongen lied konden we ook zeer waarderen. Onze eigen kleindochter was een succès fou zoals u zult begrijpen, zoals u het ook niet zal verbazen dat de ontroerde grootouders het nauwelijks droog hielden.

    “Je deed het geweldig,” zei ik toen ik haar na afloop omhelsde. “En jij ook,” zei ik tegen haar vriendin Silke. “Dank je wel,” zei Silke, “alleen deed ik niet mee. Ik zit nog in groep 7.”

    Tijdens de nabespreking op het terras van het café van de Stadsschouwburg vertelde het nichtje van ons kleinkind dat zij tien jaar geleden in een toneelbewerking van Max Havelaar was beland en nooit had begrepen waaraan ze meedeed.

    De grootmoeder van de andere kant bewaarde geen enkele herinnering aan een voorstelling en op de school van mijn vrouw deden ze niet aan dat soort frivoliteiten, een hand van de meester, dat was het. Zelf had ik in ons­ ­toneelstukje de rol van Pukkel gespeeld.

    Na het afrekenen ging ik plassen. Het viel niet mee om het te vinden, maar voor het eerst heb ik transgender gepist.

  6. De stad is vol dwanggedachten

    Als je van de Olympiaweg het Olympiaplein op gaat in de richting van de Apollolaan kom je langs een rijtje huizen met een tuin ervoor en in iedere tuin een boompje. Tot voor kort dacht ik dat het knotwilgen waren, maar dat is niet zo. Wat het wel zijn, weet ik niet.

    Altijd als ik langs die huizen kom, denk ik aan Elke van Splunter, een meisje dat hier woonde in de jaren zestig van de vorige eeuw. En altijd als ik aan Elke van Splunter denk, vraag ik me af waar ze gebleven is en neem ik me voor dat uit te zoeken.

    Een eindje verderop, bij het Van Heutsz-monument denk ik aan Paula Box, met wie ik in het najaar van 1959, na een klasseavond bij Bart Wuite in de Harmoniehof, op de trappen van het Van Heutsz-monument heb staan, heb zitten zoenen.

    De stad is vol dwanggedachten. Nader ik station Sloterdijk, dan verdringen ze elkaar en buitelen over elkaar heen in hun poging mijn aandacht te trekken.

    Op mooie dagen in voorjaar en zomer kwamen wij met onze paraplu’s, in onze afgeknipte regenjassen en onder onze naar voren gekamde haren naar de Haarlemmerweg om naar Zandvoort te liften.

    Soms waren we wel met zijn dertigen, en hoe het kan, weet ik niet, maar we kwamen altijd weg.

    Een paar jaar eerder, toen we nog op de lagere school zaten, gingen we naar de Coca Cola-fabriek om naar de lopende band te kijken,waarop de flesjes gevuld en gedopt werden. Het verhaal ging dat er wel eens een man naar buiten kwam van wie je dan een flesje Cola kreeg. Maar meegemaakt heb ik dat niet.

  7. Duistere krachten

    Zoals bekend is de smartphone voor de al wat ­oudere medemens een van de grote mysteriën van het leven. Wat vroeger God was, is nu de telefoon. Mensen zijn er de Godganse dag mee in de weer, maar met wat ze precies uitvoeren, daar kom je niet achter.

    Ik probeer weleens informatie in te winnen, maar je wordt afgescheept met vage verhalen, over geheimzinnige instituten die bezocht dienen te worden, berichten die op ondoorgrondelijke wijze verzonden worden en die dan tot tegenberichten leiden, een en ­ander vaak in groepsverband. ­Onzichtbare krachten zijn het, heel duister allemaal, net als de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen.

    Maar hoe zit het omgekeerd, vroeg ik me laatst af. Vraagt de smartphonegebruiker die tegenover mij zit te duimen zich af wat ik met mijn lege handen te niksen zit? Het moet heel raar voor hem zijn iemand te zien die naar de ­wereld kijkt zonder die wereld meteen vast te willen leggen op een schermpje.

    Intussen zit hij op zijn telefoon en vraag ik mij af welk snedig antwoord Nelly Frijda gaf toen Alies uit Ermelo die mijn haar knipt en met wie ik altijd zo gezellig praat, haar vroeg of ze Nelly Frijda was. Alies heeft het me verteld, maar ik weet het niet meer, ik ben het vergeten.

    Maar dankzij Jack Spijkerman weet ik wel wat Gerard Cox zei toen de benzinepomphouder bij wie hij net getankt had, tegen hem zei: “U doet me aan iemand denken. U komt me bekend voor.” “Ik ben Gerard Cox,” zei Gerard Cox.

    Waarop de man antwoordde: “Dat kan wel zijn, maar toch doet u me aan iemand denken.”

  8. Een theelepeltje komt altijd van pas

    Op de Jozef Israëlskade deed het zonlicht pijn aan je ogen, maar vanuit de schaduw op de Amstelkade zag het er zomers uit. Ik was lekker langzaam aan het fietsen, tevreden met alles en ­iedereen.

    Met de mannen die aan hun bootjes klusten, met de twee vrouwen die voor een open deur met elkaar stonden te praten, de ene met in haar armen een enorme hortensia die rood in bloei stond, met het vooruitzicht van het uitzicht over de plas water dat zich zo dadelijk aan mij ging openbaren.

    Aan de tafel aan het water zaten twee mannen koffie te drinken. We groetten elkaar als waren we dorpelingen. Om de hoek, waar het Muzenplein overgaat in de Churchillaanlaan, staat een zes meter hoog marmeren beeld, Verschuivingen van Ben Guntenaar.

    Op dat beeld staat, zoals wij van Het Parool allemaal weten, sinds een paar maanden King Kong met een speelvliegtuig te zwaaien. Tot voor kort kreeg ik hier altijd heimwee naar de zonnewijzer, maar van King Kong is Verschuivingen enorm opgeknapt, stelde ik vast. Kong staat precies goed, alsof hij er altijd al geweest is.

    En op dat moment zag ik een theelepeltje liggen. Een theelepeltje, dacht ik. Mijn eerste impuls was afstappen om het theelepeltje op te rapen en in mijn zak te steken, want een theelepeltje, zeg nou zelf, komt altijd van pas en van theelepeltjes kan je er nooit genoeg hebben.

    Maar gelukkig wist ik me te ­beheersen, want ik weet hoe het gaat, het begint met een theelepeltje, maar binnen de kortste keren sleep je aan een touwtje een magneet achter je aan en heb je een karretje achter je fiets hangen om de gevonden voorwerpen op te slaan.

  9. Blikseminslag van een eerste zin

    In oktober 1975 gingen wij voor een korte vakantie naar Malmédy. Aan de vooravond van ons vertrek begaf ik mij naar het Rokin om bij Allert de Lange een boek te kopen.

    Het werd Pride and Prejudice van Jane Austen in een Penguin uitgave met Henry Raeburns portret van Lady Colville op de cover. In Malmédy sloeg ik het boek open en ik las: ‘It is a truth universally acknowledged, that a single man in possession of good fortune, must be in want of a wife.’

    Na deze bliksem­inslag van een eerste zin wist ik dat ik alles maar dan ook alles van Jane Austen lezen zou, romans, brieven, dagboeken, jeugdwerk, versjes, de hele mikmak. En ik maakte mijn begin met Pride and Prejudice, waarin Elizabeth Bennet de hoofden voor altijd op hol brengt. Wat een heldin, wat een boek, wat een schrijver.

    Op 16 december 1975 werd gevierd dat het tweehonderd jaar geleden was dat Jane Austen was geboren. Ik dacht aan de schrijfster als baby en vanaf dat moment heb ik haar altijd in de buurt ­gehouden, als kind, als meisje, als jonge vrouw, als schrijver. Eenenveertig jaar lang, van haar geboorte tot haar sterven op 18 juli 1817, vandaag tweehonderd jaar geleden.

    Wie nu naar de Portrait Gallery in Londen gaat om het door haar zuster Cassandra getekende portret te bekijken, betreedt een donkere kamer, waar hij heel even een lichtje mag laten schijnen.

    Toen ik in 1976 enig misbaar maakte ­omdat ik het portret voor de tweede keer niet trof, zei de suppoost ‘een ogenblikje’, om tien minuten het portret in mijn ontroerde handen te drukken. “Mag ik haar meenemen?” zei ik nog, maar dat mocht niet.

  10. Die andere Keith Haring

    Ik kende al iemand die een Nana van Niki de Saint Phalle stuk had laten vallen en nu blijk ik ook nog iemand te kennen die een Keith Haring heeft kwijtgemaakt. In de tram laten staan.

    Zelf heb ik eens een vijftienliter bonbonnetje wijn uit de Roussillon in de 13 laten staan. We hadden het meegebracht voor Dikke Willem, een schimmige belastingadviseur die zijn diensten graag in producten kreeg uitbetaald. Dat zou niet lukken deze keer, want dat bonbonnetje was weg en kwam niet terug natuurlijk.

    Maar zie, toen ik ’s avonds de 13 terug nam, stond op het achterbalkon mijn bonbonnetje op me te wachten.

    Alle reden dus om thuis onder het motto ‘aan een boom zo vol geladen’ een glaasje in te tappen. Na dat ene glaasje volgden er meer en het einde van het liedje was dat toen Dikke Willem aankondigde dat hij zijn bonbonnetje kwam halen, het bonbonnetje in kwestie leeg was.

    Goede raad was duur en dus begaven we ons naar de Hema waar we twintig flessen goedkope wijn kochten die we vervolgens, o schande, in het bonbonnetje overgoten.

    “Je proeft het verschil,” zei Dikke Willem opgetogen, terwijl hij nog eens bijschonk.

    Maar die Keith Haring was weg en bleef weg. Dit in tegenstelling tot die andere Keith Haring die weg is, want die is wel weg, maar hij is er wel. Het is een giraffe en Haring schilderde hem op een doosvormig gebouw dat op het terrein van de Markthallen staat.

    Ik ging vaak naar de Willem de Zwijgerlaan om ernaar te kijken, en ineens was hij weg. Verdwenen onder een betimmering.

    Als het stil is op de Willem de Zwijgerlaan kun je de giraffe horen zuchten. “Laat me eruit,” zucht hij, “laat me eruit.”