live

Klein geluk in Amsterdam: Een streep azuur

Schrijver Guus Luijters schrijft voor Het Parool dagelijks over 'klein geluk' in de stad. Reageren? Dat kan via kleingeluk@parool.nl.

Live

Bekijk nieuwe update(s).
  1. Een streep azuur

    Op de derde ochtend van onze zo avontuurlijke reis naar Ventimiglia beloofde mijn moeder de zee die ik alleen van de ansichtkaarten kende die mijn ouders me tijdens hun eerdere vakanties hadden opgestuurd. Of de zee net zo blauw was als op hun ansichtkaarten, wilde ik weten. Dat was ie, zei mijn moeder, ik zou het zo wel zien.

    Ter hoogte van Grasse, waar de ‘neuzen’ woonden, zag ik de Middellandse zee voor het eerst, een streep azuur die twee bergkammen verbond en die niet alleen blauw maar ook groen was, het groen in het blauw verzonken.

    Yves Klein zag dezelfde zee in die dagen en signeerde hem als zijn eerste blauwe monochroom.

    In Nice reden we over de promenade des Anglais langs Negresco, waar ik later eens slapen zou, ­zoals ik mezelf beloofde en in Monte Carlo vertelde mijn moeder over de roulettetafels en het ‘rien ne va plus’ dat daar weerklonk, terwijl ik sprakeloos naar de smetteloze verkeersagenten onder hun witte tropenhelmen keek.

    Toen we Ventimiglia binnen ­reden, zag ik overal kogelgaten in de muren van de huizen. Ik kon mijn ogen niet geloven, zoals ik ze ook wantrouwde toen we onze ­bagage naar het appartement brachten dat we gehuurd bleken te hebben. Het was groot met donkere schilderijen aan de wanden en overal wonderbaarlijke meubelen. Een balkon keek uit over de via Roma.

    “Denk je dat het je hier zal bevallen?” zei mijn moeder. Ik knikte. En toen liepen we door een park naar zee waar tante Mies en haar gevolg al onder hun parasol zaten. Maar wat kon mij het bommen. Ik dook in de diepblauwe golven en zwom. Ik keek naar het blauw van de hemel en genoot.

  2. Er viel geen speld tussen te krijgen

    In de middag van de tweede dag van onze reis van ­Amsterdam naar Ventimiglia waar we met vakantie gingen, bereikten we Lyon.

    “Kijk,” zei mijn vader die de kaart opengevouwen voor zich had liggen, “je kan hier dus rechtdoor naar ­Valence, Orange en dan zo langs Aix-en-Provence naar Nice, maar we kunnen ook over Grenoble, Gap en Digne. Dat is een stuk korter. Zie je wel.”

    Met de ruimte tussen duim en wijsvinger mat hij de afstanden van de beide routes op, en, inderdaad, er viel geen speld tussen te krijgen, de route via Gap was zeker de helft korter. En zo kwam het dat wij niet veel later op de Route Nationale 85 beter bekend als de Route Napoléon belandden.

    De Route Napoléon bleek geheel ­opgetrokken uit haarspeldbochten die klommen dan wel daalden en opmerkelijk vaak langs ravijnen voerden van het type waar Wim van Est een paar jaar eerder met gele trui en al was ingevallen, waarna zijn hart stilstond maar zijn Pontiac nog liep.

    “Ik ben misselijk, Jo,” zei mijn moeder. “Ik moet spugen.”

    “Ik kan hier echt niet stoppen,” zei mijn vader. “Het is trouwens nog maar 42 kilometer naar Gap en dan zijn we al bijna op de helft.”

    Maar achter elke berg bleek een nieuwe berg te liggen. Het was tien uur en al aardig donker toen mijn vader de handdoek in de ring gooide en na smeekbeden van mijn moeder terugreed naar het hotel waar we een half uur eerder langs waren gekomen.

    Tweeënzestig jaar later vraag ik me nog altijd af of mijn vader echt dacht dat de Route Napoléon de kortste weg was. Ik heb zo mijn vermoedens.

  3. Een stempel in mijn paspoort

    Het was vier uur in de morgen toen wij, uitgezwaaid door buren die speciaal waren opgestaan om ons te zien vertrekken, in onze Volkswagen de straat uitreden.

    Ik zat achterin naast de enorme tas die mijn moeder in de week die aan ons vertrek voorafging had gevuld met eindjes worst, gebraden kippenpoten, stukken kaas en kaas in plakjes, hardgekookte eieren, thermoskannen, een met thee en een met water, plakken chocola, zuurtjes, brood en broodjes, een broodplank, een broodmes en servetjes niet te vergeten. Ons kon niets gebeuren.

    Over de verlaten wegen reden we met honderd kilometer in het uur naar het zuiden.

    “Als we honderd rijden,” zei mijn vader, “rijden we gemiddeld zestig in het uur. Dat twaalf uur per dag maakt zevenhonderd kilometer. Morgenavond zijn we in Ventimielja.” Wij waren van Ventimielja, tante Mies zei Ventimieglia.

    Vlak voor de Belgische grens maakte zich een euforische opwinding van mij meester, zo meteen was ik in het buitenland, het buitenland, wie kon me dat nazeggen, Loekie niet, Rob niet, en Fred en Hendrik-Jan al helemaal niet. Een stempel in mijn paspoort en er kwamen er meer. En vanavond sliepen we in een hotel!

    Bij Longwy reden we Frankrijk binnen, waar ze Frans spraken, van ‘bonjour’ en ‘au revoir’, van ‘Pierre a un fusil’ en ‘la poupée est sage’, ik zat niet voor niks op Franse les. Mijn eerste hotel had bloemetjesbehang, prachtig, een waskom en een lampetkan, nog beter en natuurlijk zo’n heerlijke kuil in het matras.

    “Ik ben gebroken,” zei mijn moeder toen we de volgende morgen aan de croissants en de café au lait zaten. “Niet zeuren, maar inpakken,” zei mijn vader. “Ventimielja is nog ver.”

  4. Geen erg pretttige vacantie

    Drie jaar achter elkaar ging ik naar de vakantiekolonie van de speeltuinvereniging Amsterdam-Zuid in Valkeveen, maar de derde keer was de rek eruit.

    Op 23 juli 1954 stuurde ik een briefkaart naar mijn vader en moeder die in de Cercle Hollandais in Antibes verbleven.

    ‘Het weer,’ schreef ik, ‘is hier niet al te best maar vandaag ging het nog wel. De stemming is hier niet al te best, dus heb ik geen erge pretttige vacantie, en dus nooit meer, volgend jaar ga ik maar liever mee Uw weet zeker wel dat Wagtmans zins Dinsdag de trui kwijt is en 5de staat. En Nolten staat 7de. Het is wel jammer maar de postzegel heb ik al. De groeten van Guus.’

    Wout Wagtmans had vier dagen in het geel gereden toen hij in de 12de etappe van Pau naar Luchon de doodsteek kreeg. Hij verloor twintig minuten en zou later opgeven. Louison Bobet won de Tour, Jan Nolte werd 14de. Tot zover de statistieken.

    Ik ging weer naar school, naar de vijfde klas, waar ik vanaf dag een verwikkeld raakte in een loopgraven oorlog met de nieuwe onderwijzer. Thuis wachtte ik de berichten af van het vakantiefront.

    “Je wilt echt niet meer naar Valkeveen?” zei mijn moeder hoopvol. Nee, en ook niet naar mijn opa en oma, ik wilde met mijn vader en moeder op vakantie, punt uit.

    Ergens in het voorjaar kwam het goede nieuws, we gingen naar Italië, met de auto. Het slechte nieuws was, dat de verschrikkelijke tante Mies en haar man en hun slome zoontje en zijn oppas ook meegingen, maar evenzogoed, we gingen naar Italië, waar ze ook een Rivièra hadden, we gingen naar Ventimiglia.

  5. Een oase met kinderstemmen

    Wat is de Jan Luijkenstraat toch een heerlijke straat. Een langgerekte oase van stilte die de altijd drukke Stadhouderskade met de Van Baerlestraat verbindt. Een oase met kinderstemmen bovendien, en dat is nog beter, want mooier dan kinderstemmen in de stilte is er niet.

    Ik loop door de straat en geniet van zijn prachtige acacia’s aan weerszijden. Wie mij hier ziet gaan, zal allicht denken dat ik ­zomaar wat aan het flaneren ben en dat is ook zo, maar niet helemaal. Voor de Rijkspostspaarbank pak ik een tram die ik twee haltes later weer verlaat. Even later sta ik in de kar van Jan de Haringman, waar ik bij mevrouw Jan vier ­haringen bestel die Jan dan voor me gaat schoonmaken.

    Voor de toonbank zit een al wat oudere man met een plastic vorkje iets te eten uit een plastic bakje. “Dit is toch gezond wat ik nu eet,” zegt hij op licht verongelijkte toon. “Vis is gezond, want vis is licht verteerbaar.”

    Er komt een vrouw binnen die een broodje haring bestelt. Ze kijkt in de vitrine en zegt: “Maar jullie hebben wel gebakken vis. Ik dacht dat jullie dat niet verkochten. Ik zal het straks in de flat meteen vertellen.” “Woont u in een nieuwe flat?” zeg ik. “Nee,” zegt ze, “maar ik kom hier pas sinds onze visboer ermee opgehouden is.”

    “Zwarthoed?” zeg ik. “Zwarthoed,” bevestigt de vrouw.

    “Er blijft geen visboer meer over,” zegt de verongelijkte man, “terwijl vis hartstikke gezond is.”

    Als mijn haringen schoon en ­ingepakt zijn, vervolg ik mijn weg die me ten slotte in een straat brengt met aan weerskanten acacia’s, net als in de Jan Luijkenstraat. Zo worden twee straten tot een lange allee.

  6. Annie brengt me nog een biertje

    Het terras van de Cotton Club is als het terras van alle cafés rond de Nieuwmarkt. Je zit lekker in de ruimte, je kijkt uit op Waag en Geldersekade, op de drukte van het plein en het leuke Brederodebeeld, waarop zijn Spaanschen Brabander een dame van lichte zeden probeert te kussen. Een lekker biertje erbij en mij kan niks gebeuren.

    Maar na dat biertje wil ik toch naar binnen, naar de Cotton Club zoals hij was en nog altijd is, met een bar die geen einde lijkt te ­nemen, de spiegels en tafeltjes langs de wand, de pooltafel ­achterin en de plafondschilde-ringen niet te vergeten. Ik heb ­altijd gedacht dat ze uit de Cobratijd stammen en dat denk ik nog steeds.

    Als ik omhoog kijk naar de bloedrode zon die daar schijnt, glip ik het verleden binnen en zie ik aan het einde van de bar Ome Frits zitten die alles in de gaten houdt. Er wordt gegokt en gerookt en uit de jukebox komt pikzwarte soul.

    Het loopt tegen tienen als de sterke man binnenkomt. Hij is blind en wordt geleid door zijn zoontje, dat een jaar of dertien is. Hij heeft het bovenlijf ontbloot en laat zien wat sterke mannen zoal kunnen met een spanveer.

    Nadat de jongen met de pet is rond ­gegaan, wordt aan de bar uitbundig muziek gemaakt met allerlei ­raspen en trommels. En Annie brengt me nog een biertje.

    Juffrouw Annie, zoals ik haar noemde, was voor mij de Cotton Club, vijftig jaar lang. Ze overleed op haar tachtigste. Op de avond voor de begrafenis lag Annie opgebaard in een zaaltje achter het ­café. Ik zat aan de bar en wist ­nergens van.

  7. Een aardig woordje Omkeer

    Af en toe riep mijn moeder uit de keuken: “Dato katoffato atos klator!” Maar vaker zei ze: ­“Gatosjato gatot nator batodjato tato.”

    Het schoot me te binnen toen ik Dik Trom en zijn dorpsgenoten las. Dik Trom en zijn dorpsgenoten las ik omdat ik eerder op de dag Uit het leven van Dik Trom had gelezen. Wat me ernstig ­tegenviel, terwijl ik me Dik Trom en zijn dorpsgenoten herinnerde als een meesterwerk.

    Misschien heeft u het niet ­paraat, maar in Dorpsgenoten draait het om Nelly, Diks buurmeisje dat blind is en daarom niet kan zien. Al in het tweede hoofdstuk raakt Dik ons in de ziel door ongezien zijn worst, waar hij zo dol op is, op het bord van het arme meisje te schuiven.

    Later zorgt hij ervoor dat ze mee mag op schoolreisje naar Wijk aan Zee. Aldaar wordt Dik gewezen op professor Donders uit Utrecht van wie Dik weet dat hij blinden vaak weer ziende maken kan. Dik neemt Nelly bij de hand en mee naar de beroemde geleerde tot wie hij de volgende woorden richt: “M’sr’r-profester, dit meisje is blind. Wilt u haar ook beter maken?”

    Huilen!

    Maar daar gaat het nu niet om, het gaat om de keer dat Dik de straat opgaat en dan ‘het eigenaardige geschreeuw (hoort) dat jongens soms met een hoge stem doen horen, als zij alleen over straat lopen’.

    “Halloïo!” hoort Dik, “Diktrommio! Gajeméïo.” Het is zijn vriend Pitio van Drillio die hem roept. Dorpsgenoten is uit 1920, maar als Tim en ik elkaar zien, klinkt het “Timmio”!” en “Guussio!”

    Mijn moeder sprak niet alleen dieventaal, maar ook een aardig woordje Omkeer. Als meisje geleerd, zoals alle jongens en meisjes vroeger dat deden.

  8. Deze expeditie kan lang duren

    Voor je het weet, kan het niet meer, ik doe het dus voor het te laat is. Maar eerst de nodige voorbereidingen, want deze expeditie kan even duren. Flesje water? Check. Boterham? Check. Potje met goede humeur? Check. Flesje met spraakwater, ja, ja, ja, nou, goede prijs dan!

    Te voet begeef ik mij door het Vondelpark naar het beginpunt van de reis, de halte van lijn 1 richting stad op de hoek van Overtoom en Jan Pieter Heije. De tram moet van heel ver komen, het einde van de wereld zo ongeveer, dus dat ik een tijdje op de halte sta, verbaast me niet. Maar daar is ie, lijn 1 naar het Leidseplein, met die lekkere bocht bij het Leidse Bosje.

    Op het Leideseplein stap ik over op lijn 2 richting Nieuw Sloten. Op naar het Rijks, het Van Gogh en het Stedelijk waar ik, niet vergeten uit te checken, uitstap en naar de halte van de 3 loop. Die er meteen aankomt. Ik heb dit altijd al eens willen doen, en ik moet zeggen, het valt niet tegen. Waar het plezier precies in zit, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval rij ik heel anders door de stad dan ik ooit gedaan heb.

    Bij de Van Wou, u raadt het, is het weer overstappen geblazen, voor een lekker lang ritje met de 4, helemaal naar het Centraal Station. Ik ben nu twee uur onderweg en ik zou, overweeg ik als ik op de halte van de 5 sta, er snel een kunnen kopen, bij de Ster bijvoorbeeld, of de Flying Dutchman aan de overkant, waar ik nog nooit geweest ben. Maar gelukkig, daar is de 5 en ik weet waar die mij brengen zal.

  9. En dansen konden ze ook niet

    Ik fietste door de Gerrit van der Veenstraatstraat toen ik werd ingehaald door een zwarte auto die zo’n 150 kilometer per uur leek te rijden. Hij was me nog niet voorbij of hij maakte voor het torentje van het Gerrit van der Veen College een draai naar de linker weghelft en stoof toen plankgas achteruit om in te parkeren. De jongen die de auto bestuurde, deed dat door met de palm van zijn hand in een cirkelbeweging over het hart van het stuur te draaien. Jongens van een zekere leeftijd kunnen dat.

    Een paar auto’s verderop stond een bankje met drie meisjes, van wie er een opgestoken haar droeg en een gelukzalige glimlach had. De jongen in de auto is haar vriendje, dacht ik en omdat ik wilde weten of dat inderdaad zo was, stapte ik af en wendde voor de rozen in het perkje te bewonderen.

    De jongen in de auto was haar vriendje. Alles bij het oude dus, al kwamen wij indertijd op de fiets om onze vriendinnen op te halen. Tien jaar eerder, in het begin van de jaren vijftig, stonden er geen jongens voor school en als er een feestje was en het was de bedoeling dat er gedanst werd, werden de jongens van Zeevaartschool in Den Helder uitgenodigd. “Want daar hadden ze weer geen meisjes,”schreef Esther Huisman me onlangs, “en dansen konden ze ook niet.”

    Dat was voor mijn tijd, maar ik heb nog wel meegemaakt dat je om met een meisje naar een feest van de Breitner MMS te kunnen eerst een soort fatsoensexamen afleggen moest bij de directrice van de school. Ik slaagde, maar had na die ondervraging geen zin meer in het feestje, wat me door Elsbeth zeer kwalijk werd genomen.

  10. Binnenkort komen ze hier niet meer

    Op het Azartplein, waar zoals iedereen weet Amphitrite op haar hippocampus uit een ­vijver oprijst terwijl zoonlief niet onverdienstelijk de hoorn bespeelt, keek ik naar het Lloyd Hotel.

    Onlangs werd café Helmers in de Bilderdijkstraat gesloten en het aardige is dat het heropend weer café Helmers heet, met dezelfde letters op de ruit, maar anders van binnen. Zo heet het Lloyd Hotel nog altijd Lloyd Hotel, maar nu omdat het een hotel is en vroeger omdat het een gevangenis was en daarvoor een hotel.

    Een eindje verderop, langs de Veemkade, ligt een cruiseschip afgemeerd. Goed kijken, Guus, maan ik mezelf, want binnenkort komen ze hier niet meer. Ik vond die cruiseschepen altijd aardige dingen, met die spuitende slepertjes voor en achter als ze de haven binnenvoeren, maar het schijnt dat er duizenden passagiers op zitten die de binnenstad onveilig maken. De schepen worden nu naar het westelijk havengebied verbannen, waar de passagiers gaan passagieren op de Transformatorweg, waarmee dat probleem ook weer is opgelost.

    Op de Levantkade heeft de storm van vannacht een ware slachting onder de stokrozen aangericht. Twee meter hoge bloemen liggen geknakt voorover, sommige met wortel en tak tussen de tegels vandaan gerukt. Bij Ode Uitvaart staat een mobile in de zaak waaraan duizend vaantje hangen met de namen van 1000 mensen ‘waarvan Ode de uitvaart heeft begeleid,’ Harm, Jet. Tjeerd, Theo, Ronald, Corry, zie ze zweven.

    Tim vertelt me dat er een programma is dat gesproken taal omzet in geschreven woorden. “Ik zit hier met Guus in het café,” zegt hij tegen zijn telefoon, “Hij drinkt bier en ik drink thee.” Dan laat hij me het scherm zien en ja hoor, daar staat het: ‘Ik zit hier met Guus in het café, hij drinkt bier en ik 3D.’