PlusAchtergrond

Ingrijpen in straatruzies helpt, en Amsterdammers doen het ook: ‘Als je mijn beste vriendin aanpakt, kan je ’m krijgen ook’

Een vechtpartij op straat: ingrijpen of doorlopen? Omstanders maken echt het verschil, blijkt uit UvA-onderzoek, en hoeven daarvoor niet per se tussen de kemphanen te springen. ‘Je kunt het omstandereffect hacken.’

Tahrim Ramdjan
Hannah Coffeng (23): 'Ik twijfelde: moet ik de politie bellen, of erheen rennen?' Beeld Nina Schollaardt
Hannah Coffeng (23): 'Ik twijfelde: moet ik de politie bellen, of erheen rennen?'Beeld Nina Schollaardt

Met Koningsnacht is de 28-jarige Milko Everts in de Jordaan – eerder die dag was hij zijn fietssleutels kwijtgeraakt. Dus springt hij achterop bij een vriend, ze moeten naar De Pijp. Bij de ingang van het Vondelpark rijden twee jongens op Vespa’s, die iedereen op het drukke fietspad opjutten. Ter hoogte van de P.C. Hooftstraat spuugt een van de scooterrijders een fietsend meisje in haar gezicht, twintig meter voor Everts en zijn vriend.

Iets verderop, bij het Rijksmuseum, spreekt Everts’ vriend de scooterrijder aan. Er ontstaat een handgemeen, en als Everts probeert om tussen zijn vriend en de scooterrijder te komen, krijgt hij een rechtse hoek op zijn kaak.

Dan gaat het snel. Hij voelt dat zijn kaak verschoven is. Er ligt bloed op de grond, hij wordt duizelig. In het OLVG-Oost wordt gezegd: je kaak is gebroken, in het midden en aan de rechterkant. Op Koningsdag wordt hij geopereerd.

Pas in de dagen erna komt de pijn, waarmee hij ’s ochtends wakker wordt. Anderhalve week later eet Everts nog steeds gemalen voedsel, hij heeft metalen platen in zijn kaak. De revalidatie gaat zes weken duren.

Bijdragen aan de-escalatie

Hulp bieden en zelf het slachtoffer worden: het zijn de schokkende verhalen die blijven hangen. Berucht is de dood van de 26-jarige Joes Kloppenburg in de Voetboogstraat in 1996. Hij verliet café De Schutter en zag hoe een student in elkaar werd geschopt door vier dronken mannen. “Kappen nou!” riep Kloppenburg. Hij greep in en moest dat met de dood bekopen.

Het is Nederlands bekendste voorbeeld van zinloos geweld, en maakt dat mensen niet altijd voorop staan om in te grijpen. Begrijpelijk, vindt onderzoeker Peter Ejbye-Ernst, verbonden aan het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR). Tegelijkertijd ontdekte hij in zijn onderzoek dat ingrijpen bij opstootjes in verreweg het grootste deel van de gevallen leidt tot de-escalatie.

Hij deed vier jaar onderzoek naar hoe Amsterdammers ingrijpen bij ruzies op straat. Half april is de geboren Deen aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) gepromoveerd op zijn onderzoek. Hij baseerde zich op camerabeelden van zo’n 170 vechtpartijen uit 2017, die de gemeente en de politie beschikbaar stelden.

In driekwart van die ruzies greep een omstander in. In 5 procent van de gevallen wordt de helper geraakt, al gaat het dan in de meeste gevallen om een duw. Ejbye-Ernst concludeert dat dergelijk ingrijpen bij een opstootje enorm bijdraagt aan de-escalatie. Zeker als iemand fysiek tussenbeide komt: de kans is twee keer zo groot dat de vechtersbazen dan stoppen. Alleen verbaal iemand tot stoppen manen, haalt trouwens weinig uit.

Stopgebaar maken

Zijn conclusies moeten vooral niet een oproep zijn tot ingrijpen, zegt Ejbye-Ernst. “De bekende gevallen van zinloos geweld tonen aan dat het soms verschrikkelijk fout kan gaan.” Maar mensen kunnen bijvoorbeeld ook denken aan het vooruitsteken van de hand, stelt de onderzoeker, om een stopgebaar te maken.

Met zo’n handgebaar beïnvloed je ook meteen het ‘omstandereffect’. Dat fenomeen uit de psychologie houdt in: hoe meer mensen zich begeven rondom een incident, hoe minder mensen geneigd zijn in te grijpen.

Het effect werd beschreven na de verkrachting en moord op de 28-jarige Kitty Genovese in New York in de jaren zestig. 38 mensen zouden getuige zijn geweest van het incident, maar niemand zou de politie hebben gebeld, schreef The New York Times destijds al snel. Zes jaar geleden kwam de krant daarop terug: er bleek weinig bewijs te zijn voor dat grote aantal getuigen en voor het idee dat niemand van hen de politie belde.

Ejbye-Ernst denkt dat het omstandereffect vooral aantoont dat we andere mensen ‘lezen’ om een situatie te kunnen begrijpen. Juist daarom helpt het als iemand een gebaar maakt, zoals een hand uitsteken, tijdens een opstootje. Daarmee keur je de situatie af. “Je kunt het omstandereffect op die manier hacken.”

Zorg voor betrokkenen

Een fysieke interventie sorteert echter het meeste effect. Oók als je jezelf beschermt. “Mensen zijn enorm creatief en vindingrijk in hoe ze dat doen,” zegt Ejbye-Ernst. Uit het onderzoek blijkt dat Amsterdammers bijvoorbeeld een fiets tussen de vechters gooien, of met elkaar een muur vormen.

Waarom werkt juist dat? “Mensen in een opstootje zijn vaak enorm op elkaar gefocust. Ze vergeten de wereld om zich heen.” Met een fysieke interventie schud je ruziemakers wakker. Voor de nog geagiteerde vechter helpt het om fysiek afstand te nemen van de situatie. Vaak blijven mensen na een opstootje nog boos en opgefokt, tot ze twintig meter verderop zijn; dan lijken ze het spontaan op te geven.

En, viel Ejbye-Ernst op, omstanders zorgen voor de betrokkenen ná het incident. Zo zag hij meermaals op de camerabeelden hoe omstanders een sigaret aanbieden aan de betrokkenen. “Maar je ziet ook wildvreemden naar een iemand toe lopen, en diegene opeens knuffelen of strelen.” ‘Opvallend: dat gebeurt niet alleen bij het slachtoffer, als dat überhaupt duidelijk aan te wijzen is, maar ook bij daders in een gevecht. “Heel intiem, zeker in de grote stad.”

Waarom mensen dat doen? Dat heeft hij niet onderzocht, maar hij vermoedt dat het met moraliteit te maken heeft. “Wat vinden we goed en slecht? En het gaat ook om empathie. Het boeit mensen echt hoe het met anderen om hen heen gaat.”

Amsterdammers over hun ervaringen met ingrijpen in straatruzies:

Tuncay Yazar (25) uit Nieuw-West, student rechten.

“Ik heb vijf keer min of meer ingegrepen bij een straatruzie. Ik woon in Osdorp, hier gebeurt om de haverklap wat. Een half jaar geleden nog. Aan de overkant van de weg, op het andere fietspad, zag ik hoe een dunne en kleine jongen, met blauw shirt aan en een rugzak op, in elkaar werd geslagen door een bredere jongen. Die lag echt boven op hem en sloeg maar op hem in.”

“Ik heb mijn fiets laten vallen, wel op slot gedaan, en ben over de weg gerend om hem te stoppen. Hij duwde me half opzij. Even later kwam een jongen op een scooter aan en die begon ook in te slaan op de jongen met het blauwe shirt. Bij hem kwam intussen het bloed uit zijn mond. Ik heb half voor hem gevochten en wat klappen opgevangen; uiteindelijk gingen de jongens weg.”

“Ik vind het altijd nog eng om in te grijpen. Ik ben wel wat groter, toch weet ik dat het gevaarlijk is. Maar ik kan ’s avonds niet rustig in bed liggen als ik ergens niet heb ingegrepen waar ik dat wel had kunnen doen.”

Tuncay Yazar (25): ‘Ik kan ’s avonds niet rustig in bed liggen als ik ergens niet heb ingegrepen waar ik dat wel had kunnen doen.’ Beeld Nina Schollaardt
Tuncay Yazar (25): ‘Ik kan ’s avonds niet rustig in bed liggen als ik ergens niet heb ingegrepen waar ik dat wel had kunnen doen.’Beeld Nina Schollaardt

Bodil Oorthuys (21) uit West, biologiestudent.

“Ik heb vaker een vechtpartij zien gebeuren, en op het punt van ingrijpen gestaan. Maar ik blijf toch een tenger meisje van 1,75 meter; sommige mensen hebben er geen probleem mee om je dan alsnog in elkaar te slaan. Desalniettemin zou ik altijd ingrijpen als er niemand om me heen is die dat doet.”

“Drie maanden geleden wandelde ik met mijn ouders bij het Centraal Station. Van een afstandje zagen we al hoe een groep van vijf jongens tegen een jongen aantrapte die op de grond lag. Eentje begon bijna op zijn hoofd te staan. Wij begonnen alle drie keihard te schreeuwen, zo van: ‘Wat de fuck ben je aan het doen?’ Bizar was dat er veel mensen toekeken en enkel een beetje mompelden. Pas toen wij begonnen te schreeuwen, deden zij dat ook.”

“Mijn vader is toen echt tussen de jongens gekomen. Hij heeft nog een stomp gehad. De jongen is weggestrompeld, de daders waren weggerend. Wij hebben nog de politie gebeld en met hen gesproken. Het was niet zomaar een opstootje: dit had heel verkeerd kunnen aflopen.”

Bodil Oorthuys (21): ‘We begonnen alle drie keihard te schreeuwen, zo van: ‘Wat de fuck ben je aan het doen?’ Beeld Nina Schollaardt
Bodil Oorthuys (21): ‘We begonnen alle drie keihard te schreeuwen, zo van: ‘Wat de fuck ben je aan het doen?’Beeld Nina Schollaardt

Hannah Coffeng (23) uit Oost, videomarketeer.

“Met Halloween vorig jaar had ik een huisfeestje bij het Amstelstation. De vader van mijn beste vriendin kwam ons ophalen. We hadden ons Harry Potterkostuum nog aan, met cape en toverstaf. Buiten bij het station zagen we een groep jongens die tegen een jongen in foetushouding aan lag te trappen. Maar het zag er ook amicaal uit: het gebeurde half met gelach.”

“Toen gooide een van die jongens een verkeerspaal de rijbaan op, waarop de vader van mijn vriendin zei: ‘Doe dat eens even niet’. Een van die jongens gaf hem toen een klap, waarop die vader terug begon te duwen. Mijn vriendin schoot haar vader te hulp, maar werd ook aangevallen en uitgescholden voor ‘kankertransgender’. Ik begon te twijfelen: moet ik de politie bellen, of erheen rennen? Wat als een van die jongens een mes bij zich heeft? Ik ben er toch heen gerend, ertussen gesprongen en gilde ‘stoppen nu, stoppen nu’. Dat werkte. Eén van die jongens zei nog: ‘Ik ga geen meisje slaan’.”

“Ik ben helemaal niet sterk, het is niet dat ik dacht dat ik die jongens op de vloer kon leggen. Maar achteraf was ik er liever nog eerder heen gerend. Als je mijn beste vriendin aanpakt, dan kun je ’m krijgen ook.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden