Plus

'Ik ben de halfbroer van Anne Frank'

'Otto Frank heeft een zoon,' vertrouwt Anne Franks hartsvriendin ruim een jaar geleden toe aan journalist Hanneloes Pen. Het is het begin van een lange zoektocht. De vermeende zoon: 'Op mijn zeventigste wil ik slechts weten waar ik vandaan kom. Meer niet.'

Prof. dr. Raphael-Maria Goldstein voor de Ruhrakademie in Schwerte. Hij is ervan overtuigd dat hij een naoorlogse zoon is van Otto Frank. Beeld Rink Hof

December 2017. Jacqueline van Maarsen (89) valt in haar woonkamer in Buitenveldert met de deur in huis: "Otto Frank heeft een zoon." Van verbijstering laat ik een stilte vallen - ik denk dat ik het verkeerd verstaan heb - maar dan herhaalt ze haar zin met volle overtuiging.

Van Maarsen loopt er al een paar jaar mee rond, en wat meer is: ze gelooft hem. Ze heeft de 'zoon', geboren enkele jaren na de oorlog, zelf uitgebreid gesproken. Omdat juist Van Maarsen, die in nauw contact stond met de familie Frank, deze 'onthulling' doet, zit ik op het puntje van mijn stoel. Ik realiseer me meteen de mogelijke impact van dit gevoelige verhaal.

De vriendin van Anne Frank is er heilig van overtuigd dat de man, prof. dr. Raphael-Maria Goldstein, afdelingsleider Filmdrama van de gerenommeerde Ruhrakademie in het Duitse Schwerte, een voorstad van Dortmund, de waarheid spreekt. Ze heeft hem een aantal keren ontmoet en ziet gelijkenis met Otto Frank, de vader van Anne, die ze voor en na de oorlog vele malen sprak. "Er hangt dezelfde sfeer om deze man heen als bij Otto Frank. Aardig en bescheiden. Ik zal Raphael vragen naar Amsterdam te komen."

Het is niet voor het eerst dat ik Jacqueline van Maarsen spreek. In juni 2017 ontmoet ik haar voor een artikel over het dagboek van Anne Frank, dat op dat moment 75 jaar bestaat. Annes vader vervulde na de oorlog de diepste wens van zijn dochter om haar dagboek uit te geven. De historicus Jan Romein speelde daarbij een grote rol door op de voorpagina van Het Parool van 3 april 1946 in zijn artikel Kinderstem op het belang van het dagboek te wijzen. Inmiddels is het in meer dan zeventig talen vertaald.

Onafscheidelijk
Kort daarop heb ik een tweede interview met haar. Dit keer laat ze een versje in een poëziealbum van de hand van Anne veilen. Een deel van de opbrengst wil ze schenken aan het Namenmonument met alle 102.000 namen van Nederlands-Joodse slachtoffers van de Holocaust.

Van Maarsen leerde Anne in 1941 op het Joods Lyceum kennen. De meisjes waren al snel onafscheidelijk, maakten samen huiswerk en logeerden vaak bij elkaar. Anne schreef Jacqueline vanuit haar onderduikadres in het Achterhuis een afscheidsbrief, die Van Maarsen pas na de oorlog uit handen van Otto Frank kreeg. Het was te riskant de brief in de oorlog te laten bezorgen.

Alle dierbare aandenken aan Anne bewaart Van Maarsen in een koffertje: de brieven die Anne vlak voor haar onderduik aan 'Jackie' schreef, Annes gepubliceerde dagboek, haar eigen poëziealbum met Annes versje erin, en foto's en artikelen die na de oorlog verschenen.

Na het tweede interview vraagt Van Maarsen me, in december 2017, nog eens langs te komen omdat ze een 'verhaal' heeft voor de krant. "Vier jaar geleden zocht een man contact met me. Zijn moeder had hem op haar sterfbed verteld dat Otto Frank zijn vader was. Hij is in 1948 in Amsterdam verwekt en op zijn derde door zijn moeder ter adoptie afgestaan. Hij woont in Duitsland en heet Raphael Goldstein. En ik geloof hem."

Adoptie
De laatste zin zal ze een jaar lang tijdens mijn zoektocht vaak herhalen.
Ze denkt zelfs een soort bewijs te hebben. "Otto Frank noteerde in zijn agenda altijd zijn afspraken. In zijn agenda stond vaak de letter G. Otto Frank had na de oorlog verschillende vriendinnen. Hij was een charmante man, een womanizer. Raphaels moeder was daar gewoon een van," zegt Van Maarsen stellig. Dat de G in de agenda van Otto Frank ook kan slaan op Elfriede Geiringer, de vrouw met wie hij later, in 1953, trouwde, verwerpt Van Maarsen.

De logische eerste stap is nu een ontmoeting met professor Raphael-Maria Goldstein. Van Maarsen legt het eerste contact en nodigt ons beiden bij haar thuis uit, op 5 januari 2018. Op het eerste gezicht een bescheiden, ingetogen man. Hij is al jaren bezig met een zoektocht naar zijn afkomst en vertelt graag zijn verhaal.

Vanaf zijn derde tot zijn zestiende woonde hij bij zijn adoptieouders in Duisburg. Daarna studeerde hij drie jaar aan de Schauspielakademie in Zürich, en werd bij een gezelschap in Heidelberg geëngageerd. Later was hij docent aan verscheidene filmacademies, onder meer de Filmschauspielschule in Berlijn, de Elfriede Ott Akademie in Wenen en de Musikhochschule in Salzburg. Officieel is Goldstein (70) met pensioen. Hij vertelt dat hij college geeft aan de Ruhrakademie in Schwerte. Diverse Duitse filmacteurs hebben, blijkt uit een eerste zoekactie op internet, de naam van Raphael-Maria Goldstein op hun cv staan.

In het eerste bijna twee uur durende interview vertelt hij waarom hij pas enkele jaren geleden met zijn zoektocht is begonnen. "Ik wilde niet als een parasiet aan de geschiedenis van Anne Frank hangen. Daarom heb ik nooit eerder iets gezegd. Maar het blijft me achtervolgen. Het is me heus niet om geld te doen."

Goldstein, geboren op 26 februari 1949, heeft pas op latere leeftijd, toen hij dertig jaar was, te horen gekregen dat hij is geadopteerd. "Ik kreeg een groot ongeluk op de autosnelweg in Duitsland. Ik heb dat bijna niet overleefd. Ik had veel bloed nodig. Mijn ouders konden mij geen bloed geven. Verschillende bloedgroepen. Zo kwam ik erachter dat ik niet hun echte kind was. Dat was een schok. Ik wilde weten waar ik vandaan kwam." Zijn adoptieouders lieten de naam Goldstein vallen en zetten hem op het spoor naar Nederland.

"Ik benaderde mensen van het Rode Kruis in Nederland en werd verwezen naar ene Esther Goldstein. Zij zou mijn moeder zijn. Ik kreeg het adres, een woning in de Mercatorstraat in Amsterdam, en schreef deze mevrouw een brief met de vraag of zij mogelijkerwijs mijn moeder kon zijn. Ze nodigde me uit om naar Amsterdam te komen, wat ik in 1979 heb gedaan." Hij heeft haar, zegt hij, ongeveer tien keer gezien.

Vergiffenis vragen
Zijn moeder, zo weet hij te vertellen, is op 22 november 1916 in Hongarije geboren. Ze woonde voor de oorlog in de buurt van Praag en kwam in de leer bij een bekende silhouettenknipper in de Tsjechische hoofdstad. Tijdens de oorlog zou ze naar Nederland zijn gevlucht. Ze werd opgepakt tijdens een razzia en ging van Westerbork naar Auschwitz. Zij zou een half jaar in Auschwitz hebben gezeten, vanaf najaar 1944 tot april 1945. Na de oorlog kwam ze terug in Amsterdam. Ze is, zegt hij, op dezelfde manier als Otto Frank vanuit Auschwitz naar Nederland gekomen, via Odessa aan de Zwarte Zee, vandaar met een schip verder naar Marseille en vervolgens terug naar Amsterdam.

Esther Goldstein, op een foto die haar zoon van haar kreeg. Beeld Rink Hof

Raphael-Maria Goldstein wordt bijna vier jaar na de oorlog geboren. Hij zou tot zijn derde bij zijn moeder in Amsterdam hebben gewoond. Van het afscheid kan hij zich niets meer herinneren. "Mijn moeder had zowel psychisch als fysiek de kracht niet om voor me te zorgen. Ze gaf me tijdelijk aan een pleeggezin. Ze wilde me graag terughebben maar kon dat toch niet aan. Het was beter dat ik een normaal leven zou hebben en naar school ging, zei ze in dat eerste gesprek."

Zijn moeder had na de oorlog met veel problemen geworsteld, en vroeg hem om vergiffenis. "Ze leefde destijds van een soort wiedergut­machung en kon me niet verzorgen. Ze was zeer zwak en ziek," zegt Raphael.

Zijn verhaal klinkt aannemelijk. Wel jammer dat hij de adoptiepapieren, documenten van het Rode Kruis, die hij voor het interview met mij mee zou nemen, niet bij zich heeft. "Mijn adoptieouders zijn gestorven en hun dochter, mijn 'zus' heeft alle documenten meegenomen."

In een van de gesprekken met zijn moeder informeerde Goldstein naar zijn vader. "Ze aarzelde, maar ik wílde het weten. Ik moest haar eerst beloven, dat ik 'diesen Herrn' - ze sprak altijd van 'Herr' - niet zou opzoeken. Uiteindelijk viel de naam Otto Frank." Zijn moeder en Otto Frank hadden in 1948, zegt Goldstein, ongeveer een half jaar een relatie. "Ze kregen ruzie omdat er nog een vrouw in het spel was en gingen uit elkaar. Mijn moeder wilde niet dat ik mijn vader leerde kennen. Ze kon dat niet verdragen."

Delicate kwestie
Jacqueline van Maarsen, die ons gesprek bijwoont, knikt: "Ik weet van Miep Gies dat Otto Frank na de oorlog twee vrouwen had. Een van de twee was Charlotte Kaletta, weduwe van tandarts Fritz Pfeffer, die ook in het Achterhuis ondergedoken zat en het kamp niet heeft overleefd. Otto was erg geliefd bij vrouwen."

Bij Goldstein ging destijds niet meteen een belletje rinkelen dat het om de vader van Anne Frank ging. Dat besef kwam enige maanden later, zegt hij. "Ik ben Otto Frank toen in datzelfde jaar, in 1979, gaan opzoeken in zijn woonplaats Birsfelden in Zwitserland. Ik had in een brief geschreven dat ik een delicate kwestie met hem wilde bespreken."

De toenmalige vrouw van Otto Frank deed de deur open, vertelt Goldstein. "Er stonden leren leunstoelen, met een tafel ertussen. Zij zaten beiden tegenover me. Het leek wel een tribunaal. Ik vertelde de reden van mijn bezoek en dat mijn moeder in Amsterdam had gezegd dat hij, Otto Frank, mijn vader was. 'Das kann nicht sein,' antwoordde zijn vrouw meteen. Zij ontkende dat het waar was, Otto Frank zelf zei niet veel. Hij zat een beetje ineengedoken op de stoel en liet het gesprek aan zijn vrouw over. Hij keek me alleen maar aan. Ik heb er een uur gezeten en ging terug naar huis. Ik was woedend dat hij helemaal niets had gezegd."

Raphael-Maria Goldstein. Beeld Rink Hof

Na veertien dagen besloot Goldstein tot een tweede, onaangekondigd bezoek. "Ik wilde hem zelf spreken en verrassen, in de hoop dat hij wat opener zou zijn. Hij deed toen zelf de deur open. Ik zei dat ik zeer aangedaan was over het eerste bezoek en vooral omdat hij niets had gezegd. Hij nam me in zijn armen en fluisterde in mijn oor: 'Ik kan je niet helpen.' Hij vroeg of ik geld nodig had en gaf me een cheque van 2000 of 4000 Zwitserse franc, dat weet ik niet meer precies. Had ik die maar gehouden, dan had ik bewijs, maar ik had het geld nodig en ben met de cheque naar de bank gegaan."

"Hij sprak niet de woorden: 'Je bent mijn zoon.' Het was slechts een kort bezoek maar voor mij een stuk geslaagder."

Otto Frank stierf in 1980. Raphaels moeder stierf twee jaar later, in het voorjaar van 1982, zegt hij. "Ik heb het toen afgesloten. Sindsdien wist ik immers wie mijn ouders waren. Ik ben verder gegaan met mijn leven."

Op zijn 65ste werd Goldstein erg ziek, hij leed aan nierfalen en lag dertien dagen op de intensive care. "Ik zweefde tussen leven en dood. Ik dacht: dit is mijn laatste station. Toen moest ik aan mijn ouders denken en kreeg de drang het weer te onderzoeken."

Goldstein schreef een brief naar Buddy Elias, de volle neef van Anne Frank. Die stelde hem voor aan directeur Yves Kugelmann van het Anne Frank Fonds in Bazel. "Ik heb Kugelmann mijn geschiedenis verteld. Hij ging er zeer serieus mee om. Hij kon er aanvankelijk niets over zeggen. Later meldde hij me dat het niet waar kon zijn dat Otto Frank mijn vader is."

Ook het contact met Ronald Leopold, directeur van de Anne Frank Stichting in Amsterdam, bracht Goldstein niet verder. De ontkenning deed hem pijn, zegt Goldstein. "Ze willen er niet aan dat ik de halfbroer van Anne ben en ze zeggen dat ik met documenten en bewijzen moet komen. Maar die heb ik niet. Het doet me pijn dat mensen me niet geloven. Ik wil slechts op mijn 70ste weten waar ik vandaan kom. Verder niets. Ik heb geen reden mijn moeder te wantrouwen. Ze is een eerlijk mens."
Jacqueline van Maarsen heeft familie van Otto Frank in Luxemburg benaderd en gevraagd een dna-test te doen. Van Maarsen: "Maar ze willen het niet."

Klompje en kinderbestek
De volgende stap is het vinden van Raphaels moeder, Esther Goldstein. In het Stadsarchief ga ik op zoek. Er doemt al snel een probleem op. De naam Esther Goldstein komt niet voor in de bestanden. Ik pluis - adres na adres - de lange Mercatorstraat af, op zoek naar een inwoonster met de naam Esther Goldstein. Ook zoek ik haar naam in oude telefoonboeken. Tevergeefs.

Een geraadpleegde medewerker kan de naam ook nergens terugvinden. Op de door Goldstein opgegeven geboortedatum vindt hij in Amsterdam wel een andere persoon, frappant genoeg ook een Hongaarse vrouw, met de naam: Ilona Erzsébet Galba. Deze vrouw is op dezelfde dag, 22 november 1916, in de gemeente Vác in Hongarije geboren. De gelijkenissen met deze Esther Goldstein zijn opvallend. Afkomst en geboortedatum zijn hetzelfde en de initialen lijken erg op elkaar: (I.) E.G.

Mevrouw Galba kreeg in 1937 van de politie in Boedapest een legitimatiebewijs en verhuisde in 1938 van Vác, ten noorden van Boedapest, naar Amsterdam. Ze kreeg haar verblijfsvergunning 'uitsluitend als dienstbode'. Ze woonde al eerder in Amsterdam, in 1926, blijkt uit een document van haar zus Maria, die hier ook woonde.

Tijd voor een tweede ontmoeting met Raphael-Maria Goldstein, nu in restaurant De Witte Bergen in het Gooi.

Is deze mevrouw Galba wellicht uw moeder?
Goldstein schudt zijn hoofd. "Mijn moeder heeft me haar naam zelf verteld: Esther Goldstein heette ze." Een vaste betrekking, zegt hij, had zijn moeder niet. Ze deed wat freelance werk en leefde verder van een uitkering, de zogenoemde wiedergutmachung, van de Bondsrepubliek. Het kan zijn, oppert Goldstein, dat zijn moeder zich na haar ervaringen in de oorlog niet heeft laten registreren bij de gemeente.

Maar dan moet ze wellicht via haar begraafplaats te traceren zijn?
"Het was haar grote wens om in Israël begraven te worden. Het was een enorme toestand. Ze moest met een vliegtuig vervoerd worden. Ik was er niet bij. De Joodse liberale gemeente in Amsterdam heeft het geregeld."

Hij heeft een aandenken van zijn moeder meegenomen: een klompje en een kinderbestek dat zijn moeder hem als peuter meegaf. En een foto, van een vrouw in een lange jurk. "Die foto heb ik van haar zelf gekregen." Veel meer 'bewijzen' heeft hij niet. Hij heeft wel een kopie van zijn paspoort, waarin zijn adoptienaam - Norbert Hans Burger, geboren te Duisburg - staat. Op de rechterpagina onder 'religieuze naam of artiestennaam' staat: Raphael-Maria Goldstein.

De brieven van zijn moeder moet hij ergens nog hebben. Maar die komen in dit gesprek en ook in latere gesprekken niet meer boven tafel. "Mijn zuster heeft alle documenten. Ik heb al jaren geen contact met haar."

Is het niet vreemd dat een Joodse vrouw die in Auschwitz zat haar kind afstaat aan een Duits gezin? Waarom werd u niet afgestaan aan adoptieouders in Nederland of desnoods in Israël of in Hongarije, haar geboorteland?
"Ik weet het niet. De adoptie was door het Rode Kruis georganiseerd, anders was ik waarschijnlijk in een kindertehuis gekomen."

Het Duitse adoptiegezin, de katholieke familie Burger, waarin Goldstein terechtkwam, had al vier kinderen. De oudste was ook geadopteerd. Goldstein kreeg de naam: Norbert Hans Burger. "Een geadopteerd kind kreeg vroeger een nieuw bestaan, een nieuwe identiteit."

Tijdens een van zijn bezoeken aan zijn moeder vroeg Goldstein wat zijn echte naam was. "Ze zei dat mijn geboortenaam Raphael-Maria Goldstein was. Ik ben daarop naar de Joodse gemeente in Duitsland gegaan. Een rabbijn heeft mij mijn geboortenaam teruggegeven."Hoewel de persoon Esther Goldstein nergens is te achterhalen, ga ik, inmiddels vier maanden later, toch verder met de zoektocht naar bewijsmateriaal waaruit moet blijken dat Otto Frank Raphaels vader is. Jacqueline van Maarsen heeft enkele met de hand geschreven ansichtkaarten van Otto Frank in haar bezit. Op de kaarten zitten postzegels, die mogelijk dna-sporen bevatten. Van Maarsen wil die graag afstaan voor dna-onderzoek.

Na enkele forensische instituten te hebben benaderd - sommige durfden het niet aan vanwege de gevoeligheid van de kwestie - is het gerenommeerde IFS (Independent Forensic Services) in Hulshorst bereid het dna van de postzegels te verkrijgen en te vergelijken met dat van Goldstein. Een specialistische procedure.

Op 20 april 2018 is het zover: met Goldstein rijden we naar het instituut, met de twee kaarten van Otto Frank, geadresseerd aan Mej. Jacq. Van Maarsen. De ene kaart is gedateerd op 21 maart 1952 en is in Amsterdam gepost. De andere kaart is gestuurd vanuit Italië, Lago Maggiore. De datum op deze kaart is nauwelijks te lezen.

Op weg erheen vertel ik over de opvallende overeenkomsten tussen Esther Goldstein en Ilona Erzsébet Galba: allebei Hongaars, met zelfde geboortedatum, woonachtig in Amsterdam. Galba trouwde in 1940 met Pieter Gerard Toering, brievenbesteller uit Amsterdam. Ze is niet Joods, maar katholiek, blijkt uit documenten. Toering werd in 1941 als dwangarbeider tewerk­gesteld bij de Deutsche Reichsbahn in Bitterfeld, ten noorden van Leipzig. Na enige tijd kwam hij terug naar Amsterdam om in 1943, samen met zijn vrouw, weer in Duitsland aan het werk te gaan. Na de oorlog keert het echtpaar Toering terug naar Amsterdam. Het stel kreeg twee kinderen: in 1947 en 1951.

Op het door Galba aangevraagde paspoort staat een foto. Als Raphael deze foto ziet, zegt hij stellig: "Dat is niet mijn moeder."

Intieme brieven
Onderweg is Goldstein zichtbaar ontroerd dat Van Maarsen haar ansichtkaarten van Otto Frank afstaat voor onderzoek waarbij een stukje van de kaarten moet worden afgeknipt. Ook ik voel de verantwoordelijkheid van het beschadigen van deze kaarten met historische waarde. Is dit het wel waard? In Hulshorst wordt wangslijmvlies afgenomen bij Goldstein om te kijken of er een overeenkomst is. Ook de forensisch onderzoekers zijn huiverig om de kaarten stuk te knippen. Ze besluiten enkel de postzegels te lichten en te onderzoeken op dna-sporen.

Otto Frank in 1979. Beeld anp

Pas de volgende maand is de uitslag er. Van de eerste kaart vanuit Italië is nauwelijks dna-spoor te vinden. De postzegel is waarschijnlijk met een sponsje natgemaakt. Op de andere kaart zit wel dna maar dat komt niet overeen met het dna van Raphael-Maria Goldstein. Houdt dat in dat Otto Frank niet zijn vader kan zijn? Nee, het kan ook betekenen dat een ander de zegel heeft gelikt, bijvoorbeeld een gedienstige postbeambte of de kaartverkoper.

Een kennis van Van Maarsen vertelt korte tijd later over een gerucht dat Otto Frank misschien ook een derde dochter had. "Hij schreef na de oorlog intieme brieven met een vrouw die hij veelvuldig ontmoette," zegt de man die anoniem wil blijven. Hij waarschuwt voorzichtig om te gaan met dit gevoelige onderwerp. "Weet wat je aanricht met deze zoektocht. Er is een bepaalde beeldvorming rond Otto Frank. Een beeld van een moedige, edele man."

De kennis kan zich herinneren dat in de jaren zeventig een zoon zich heeft gemeld. "Maar er hebben zich al minstens drie personen gemeld als kind van Otto Frank. Houd er rekening mee dat het verhaal verzonnen is."

Is Raphael dan een fantast? Een man die zelf een verhaal in elkaar heeft gezet? Of die van zijn moeder wellicht een verzonnen verhaal heeft gehoord? Van Maarsen blijft ondanks de bevindingen nog steeds in hem geloven.

Haaks op elkaar
De fotograaf en ik besluiten Raphael Goldstein thuis, in Duitsland, op te zoeken. Hoe leeft hij? Waar woont en werkt hij? Goldstein woont doordeweeks in Schwerte aan de Ruhr met zo'n 50.000 inwoners, waar hij sinds drie jaar colleges geeft aan filmacteurs op de Ruhrakademie. In het weekeinde leeft hij in Keulen, met zijn vrouw (achternaam Dohle), die schoolleider is.

Op 30 augustus 2018 bellen we aan bij zijn woning in Schwerte, een monument uit 1828 in het historische centrum. Op het deurbordje staan drie namen: Dohle, Burger en Goldstein. Burger is de naam die in zijn pas staat, en Goldstein is de naam die hij nu voert. In zijn huis staan een menora en een Mariabeeldje bij elkaar. Aan de muur hangen kunstposters en op de grond liggen stapels boeken. Op tafel ligt een brochure van de Ruhrakademie, instituut voor Media, Design en Kunst. Zijn naam staat erin genoemd.

Raphael Goldstein staat wangslijm af. Zijn dna wordt vergeleken met materiaal dat mogelijk afkomstig is van Otto Frank. Beeld Rink Hof

De naam van Esther Goldstein met de door Raphael opgegeven geboortedatum komt ook niet voor in het archief van Westerbork en in dat van de International Tracing Services, een afdeling van het Rode Kruis in Bad Arolsen. Deze afdeling beheert een archief- en documentatiecentrum over de nazivervolging en haar slachtoffers. Het archief bevat tientallen miljoenen documenten over zo'n 17,5 miljoen slachtoffers van de nazibarbarij. Het archief is natuurlijk niet compleet omdat er tijdens en na de oorlog door de nazi's veel is vernietigd.

Goldstein blijkt eerder de Duitse journalist Jörg Böckem, freelancejournalist voor Der Spiegel en Die Zeit, en auteur van vijf boeken, bij de arm te hebben genomen om een boek over zijn zoektocht te schrijven. "Het gaat me niet om gelijk te krijgen, ik heb geen juridisch bewijs, maar ik wil wel mijn verhaal vertellen."

In oktober 2018 bel ik Böckem op. Goldstein, zegt hij, had hem verteld dat Esther Goldstein voorkwam in het Eichmannproces. En dat blijkt te kloppen. In dat wereldberoemde proces getuigde inderdaad een Esther Goldstein. Böckem heeft haar kleinzoon Guy Goldstein benaderd. Deze liet hem weten dat zijn grootmoeder Esther Goldstein 'is not related in any way to Amsterdam'. Uit opnames van het proces blijkt bovendien dat deze Esther Goldstein een andere leeftijd heeft dan die Raphael van haar opgaf. Böckem laat weten inmiddels af te zien van een boek: er zijn te veel tegenstrijdigheden.

De confrontatie
In een vierde en laatste gesprek, op 12 december 2018, met Raphael Goldstein confronteer ik hem, bij Van Maarsen thuis, met de tegenstrijdigheden die hij heeft verteld.

In ons tweede gesprek vertelde u dat uw moeder begraven is in Israël, met hulp van de Joodse gemeente. In het derde gesprek was ze volgens u begraven ergens in of rond Amsterdam.
Goldstein is verward. "Ik denk dat ik dat uit onwetendheid heb gezegd. Ik was van mening dat zij in Amsterdam begraven is. Maar het kan ook in Israël zijn."

U vertelde dat uw moeder via Westerbork naar Auschwitz ging. In een tweede gesprek zei u dat ze via Praag naar Auschwitz ging. Haar naam en geboortedatum komen niet voor op de Hongaarse lijst van gedeporteerde Joden.
"Ik dacht dat ze via Westerbork naar Auschwitz werd gedeporteerd. U vraagt me zaken die ik niet weet."

U beweerde tegen journalist Böckem dat uw moeder de Esther Goldstein uit het Eichmannproces is. Maar dit bleek niet te kloppen.
"Ik heb alleen gezegd dat er een vrouw is met dezelfde naam, Esther Goldstein. Meer niet."

De gelijkenissen met mevrouw Galba zeggen hem niets. Toch begint Goldstein te twijfelen.
"Ik ben verward over alles. Het kan zijn dat er een verwisseling is met deze persoon Galba. Ik ken mijn moeder alleen onder de naam Esther Goldstein. Ook mijn adoptieouders hebben me die naam verteld."

Als de zoektocht naar uw moeder zoveel vraagtekens en tegenstrijdigheden oproept, is Otto Frank dan wel uw vader?
"Dit irriteert me. Ik ben op zoek naar mijn vader en nu sta ik voor raadselen over mijn moeder."

Van Maarsen bestudeert de foto van Galba en kijkt naar Raphael. "Hij lijkt erop," zegt ze.

"Ja, ik lijk erop," constateert Goldstein nu zelf ook.

Lange stilte. Volgens de kaart in het Stads­archief had Galba twee kinderen: een zoon, geboren in 1947, en een dochter, geboren in 1951. Raphael (1949) past hier precies tussen. Dan verzucht Goldstein: "Het is niet onmogelijk dat zij mijn moeder is...." Maar dan is zijn geboorte niet bij het bevolkingsregister aangemeld.

Is het mogelijk dat uw moeder niet de waarheid sprak over zichzelf en de naam van Otto Frank?
"Mijn moeder zei dat ik een kind was van Otto Frank. Ik heb niet de indruk dat ik voorgelogen ben. Ik ben heel oprecht naar Otto Frank gegaan en heb hem tweemaal ontmoet. Ik sta bovendien voor dit onderzoek dna af."

Zijn er mensen die u een fantast noemen?
Goldstein schudt zijn hoofd. "Niemand heeft ooit gezegd dat ik een fantast ben. Ik gelóóf niet alleen dat Otto Frank mijn vader is, ik wéét dat hij mijn vader is. Ik weet wat ik van mijn moeder gehoord heb. Natuurlijk zullen Yves Kugelmann in Bazel en anderen woedend zijn als dat bewaarheid wordt. Anne is business geworden."

In het Stadsarchief zit gek genoeg nog een andere Otto Frank, geboren in 1894 in Duisburg, of all places. Maar Goldstein gaat daar niet in mee.

Er volgt na dit vierde gesprek nog een mail waarin Goldstein zegt over de bevindingen te hebben nagedacht. Dat Esther Goldstein de naam van zijn moeder is, daarvan is hij toch overtuigd.

Met tussenpozen ben ik ruim een jaar met het onderzoek bezig geweest. Het begon als een zoektocht naar bewijzen die Otto Frank zouden aanwijzen als vader van Raphael-Maria Goldstein, maar het leverde enkel niet passende puzzelstukken en doodlopende stegen op. Otto Frank is op dit moment niet te linken aan Goldstein. En Goldstein krijgt geen sluitend antwoord op de vraag wie zijn vader is. Er zijn voor mij te veel vraagtekens en tegenstrijdigheden om met deze zoektocht verder te gaan.
Van Maarsen komt enkele dagen na het laatste gesprek nog met een derde kaart van Otto Frank. Of we die nog op dna willen onderzoeken. Het antwoord is dit keer nee.

Postzegels met minieme dna-resten

Dna-sporen verkrijgen van een postzegel die in de jaren vijftig op een ansichtkaart is geplakt, vergt specialistisch onderzoek. De forensisch onderzoekers van het in 2003 opgerichte IFS (Independent Forensic Services) in Hulshorst en het Amerikaanse Colorado, dat ook voor justitie werkt, heeft de klus geklaard.

Eerst werd de Amsterdamse kaart uit 1952 onderzocht. De postzegel, die al een beetje loszat, is in het laboratorium verwijderd, waarna de kaart is bemonsterd. "We wilden de kaart niet stuk knippen omdat deze van historische waarde is. We kozen ervoor de postzegel met een pincet los te trekken."

Op deze kaart bleek zeer weinig dna te zitten: 0,0001 nanogram per microliter. "De postzegel is waarschijnlijk met een sponsje vast­geplakt, maar het kan ook zijn dat het dna in de loop der tijd is af­gebroken," zegt forensisch onderzoeker Richard Eikelenboom van het IFS.

Voorheen werkte hij bij het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) en deed hij sporenonderzoek in de Schiedammer Parkmoord (2000), Deventer moordzaak (1999) en de Puttense moordzaak (1994). "We doen bij het IFS complexe zeden- en moordzaken voor zowel justitie als particulieren en werken met slechte sporen."

De tweede kaart, uit Lago Maggiore, waarschijnlijk ook uit 1952, bevatte
300 keer zoveel sporen als de eerste kaart: 0,03 nanogram. "Voor ons was dit voldoende om dna te profileren. Er bleek dna op te zitten van ten minste twee mannen. Een van die twee mannen kan Otto Frank zijn geweest maar dat hoeft natuurlijk niet als een ander aan de postzegel heeft gelikt," zegt Eikelenboom.

De dna-profielen zijn vervolgens vergeleken met dat van Raphael-Maria Goldstein, die wangslijmvlies heeft afgestaan. De profielen kwamen niet overeen.

"Op een hoed, scheermes, bril, horloge, ring, op handschoenen of kleding van Otto Frank zouden goede dna-sporen kunnen zitten die wel uitsluitsel geven. Dat geldt ook voor het dna in de vaderlijn van de fami­lie Frank."

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden