PlusAchtergrond

Ieder Amsterdams kind kende in de jaren vijftig ‘ponyman’ en ras-Jordanees Paul Rollman

In de jaren vijftig trekt ras-Amsterdammer Paul Rollman met een pony door de straten van Amsterdam. Voor een kwartje mag je als kind op het paardje voor een foto. Het is maar een van de episodes in Pauls bonte carrière.

Dirk J. Tang
Voor een kwartje mogen Amsterdamse kinderen op het paardje van Jordanees Paul Rollman voor een foto. Beeld Paul Rollman
Voor een kwartje mogen Amsterdamse kinderen op het paardje van Jordanees Paul Rollman voor een foto.Beeld Paul Rollman

Hoe ben ik ooit op dat paardje terecht gekomen? Het moet zijn gebeurd voor de deur van een drukkerij in de Bloemstraat en ik moet een jaar of acht zijn geweest. Mijn vriend Willem van der Waal weet het antwoord en kan het zich nog perfect herinneren. Hij heeft namelijk net zo’n foto en zit zo te zien op hetzelfde paardje.

Willem: “Mijn moeder werkte in koffiehuis De Sluis op het Kadijksplein. Daar kwam Paultje koffie drinken en een broodje eten als hij weer eens met zijn handel langs de deuren was geweest. Hij verkocht pannen en potten. Mijn moeder vertelde dat die pannen al na twee keer koken een gat hadden.”

“Die man was echt een scharrelaar. Op een dag had hij een pony. Zei hij tegen mijn moeder: ‘Wil je niet een foto van die jongen op die pony?’ Een paar dagen later kwam hij dan met een foto aan de deur. Die kon ze van hem kopen.”

Ponyfotograaf Paul Rollman. Beeld ANEFO
Ponyfotograaf Paul Rollman.Beeld ANEFO

‘Paultje’ is Paul Rollman, een legendarische Jordanees die werd geboren op een bovenwoning in de Elandsstraat waar het destijds armoe troef was. School kan hem niet bijzonder boeien. Al snel begint hij als voortijdige schoolverlater midden in de crisistijd aan een leven van improviseren, rommelen en ritselen.

Rollman ziet overal mogelijkheden om iets te verdienen, op legale en minder legale wijze. In een boek dat hij schreef met Herbert Leupen verhaalt hij over zijn jeugd in de Jordaan, zijn eerste verdienpogingen, hoe hij de oorlog overleeft en in Amsterdam begint aan zijn lange carrière als ondernemer.

Rollman begint als fietsjongen en eindigt in de rol van Baron van Beemsterlust. In de tussenliggende jaren is hij onder meer hondenkoopman, lijkenfotograaf, stroper, lompenslijter, kermisexploitant, Wallenfotograaf, (snel)schilder en paardenfokker.

Bij ons in de Jordaan

En dan is er nog zijn optreden als zanger met het nummer Mag ik effe ademhalen dat in 1971 zes weken in de Nederlandse Top Veertig staat. Paul Rollman is even beroemd. Mag ik effe ademhalen verschijnt tijdens de revival van de romantische Jordaancultuur, veroorzaakt door de succesvolle televisieserie Het Schaep met de vijf poten.

De serie grijpt terug op het imago dat tijdens de jaren vijftig is ontstaan van de gezellige Amsterdamse volkswijk vol jofele, toffe ooms, tantes en opoes, waar iedereen zingt en van opera houdt. Het is een razend populair beeld, dat echter nauwelijks strookt met de werkelijkheid.

Toch wordt de tv-serie de maat van alle Jordaanse dingen, niet alleen voor de Jordanezen met heimwee die intussen in Hoorn, Purmerend of Lelystad wonen, maar ook voor de rest van Nederland. De Jordaan en het ‘plat-Amsterdams’ zijn opnieuw populair.

De hernieuwde belangstelling voor de Jordaan wordt voor Rollman een interessante en productieve periode. In 1955 zingt vriend en buurtgenoot Johnny Jordaan zijn onvergetelijke kaskraker Bij ons in de Jordaan – op de radio en duizenden verkochte grammofoonplaten. Rollman lift mee op dit succes, hij wordt de ‘lijffotograaf’ van de Parel van de Jordaan.

Ponyritjes

Enkele jaren eerder had Rollman geld dat hij had overgehouden aan een handeltje met tweedehands textiel geïnvesteerd in een pony. Elke dag loopt hij met die pony vanaf de Jacob van Lennepstraat de stad in, op zoek naar straten met veel kinderen. Zodra hij in een straat is gearriveerd en zich strategisch heeft opgesteld komen de kinderen op hem af.

Er zijn maar weinig moeders en oma’s die de smeekbeden om een kwartje voor een ritje op de pony kunnen weerstaan. Hij verdient er zijn brood mee, maar het gaat niet snel en gemakkelijk. Elke dag komt Rollman doodvermoeid thuis. Dat moet anders, maar hoe?

De oplossing komt als hij op een dag wordt benaderd door een straatfotograaf, die voorstelt om te gaan samenwerken. Voortaan tilt Paul de kinderen op de pony, voor een foto. Het is voorbij met kilometers slenteren door de straten. Even lijkt het goed te gaan, maar de fotograaf heeft een drankprobleem en dat betekent dat de inkomsten sterk wisselen.

Lezers van tijdschrift ‘Ons Amsterdam’ stuurden na een oproep massaal hun ponyfoto’s op. Beeld Paul Rollman
Lezers van tijdschrift ‘Ons Amsterdam’ stuurden na een oproep massaal hun ponyfoto’s op.Beeld Paul Rollman

Rollman bedenkt dat hij de foto’s net zo goed zelf kan maken. Hij heeft nog nooit een fototoestel in handen gehad, maar koopt een Ilonka kleinbeeldcamera. Voor 450 gulden, een behoorlijk bedrag in die tijd en een grote investering.

Rollman krijgt instructies van de fotohandelaar en oefent een week. Daarna vraagt hij een vergunning bij de gemeente om als erkend straatfotograaf te mogen werken. Voor de vergunning moet de pony iedere drie maanden worden gekeurd door de dierenarts van de bereden politie. En als fotograaf is hij verplicht tijdens zijn werk een armband met een nummer te dragen: Rollman krijgt nummer 79. De armband draagt hij nooit.

Nachtleven van de Zeedijk

Hoe lang hij actief is geweest met zijn pony, wordt uit zijn boek niet helemaal duidelijk. Wel beschrijft hij hoe hij van straatfotograaf ‘lijffotograaf’ van Johnny Jordaan werd, daarna fotograaf van overleden personen en na een korte omweg gaat hij ook het nachtleven van de bezoekers van de Wallen en de Zeedijk vastleggen.

Rollmans fotografenbestaan eindigt als hij weer iets heel anders wordt: stroper.

Als Willem en ik de foto’s die Paul Rollman van ons heeft gemaakt naast elkaar leggen, beginnen we en ik zonder nadenken te zingen:

“Wij zijn twee eenzame cowboys / Wij zwerven langs bos en langs hei / De Veluwe is onze prairie / Daar voelen wij ons vrij en blij / Wij zoeken naar koel, helder water / Wij barsten allang van de dorst.”

Johnny Kraaijkamp en Rijk de Gooijer zongen het in 1957. De rest zijn we vergeten.

Dit is een ingekorte bewerking van een artikel uit het aprilnummer van Ons Amsterdam, waarvan de lezers na een oproep massaal hun ponyfoto’s stuurden naar onsamsterdam.nl

null Beeld Paul Rollman
Beeld Paul Rollman
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden