PlusAchtergrond

Hoogleraar: ‘Slavernij is zaak van het hele land’

De vier grote steden houden zich nadrukkelijk bezig met het slavernijverleden. Dat moet landelijk navolging krijgen, vindt hoogleraar Caribische geschiedenis Alex van Stipriaan. ‘Ook Borculo heeft een koloniaal verleden.’

Keti Koti, de jaarlijkse herdenking aan de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark, vond vorig jaar in zeer besloten kring plaats.  Beeld Dingena Mol
Keti Koti, de jaarlijkse herdenking aan de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark, vond vorig jaar in zeer besloten kring plaats.Beeld Dingena Mol

In het nemen van verantwoordelijkheid voor het slavernijverleden nemen de grote steden het voortouw. Dat siert de bestuurders, zegt Alex van Stipriaan, maar het leidt ook tot de misvatting dat het koloniale verleden een thema van de Randstad is. “Dat is niet zo. Een van de uitkomsten van recent onderzoek is dat vanuit zo’n beetje elk dorp in het land sporen lopen naar de slavernij. Daar kwamen producten gemaakt voor de koloniën, daar stonden de buitenhuizen van kooplieden en bestuurders, daar kwamen zeelui en soldaten vandaan die de slavernij met eigen ogen hebben gezien. Ook Culemborg en Borculo hebben een koloniaal verleden.”

Landelijk onderzoek

Heel goed dus, vindt de hoogleraar Caribische geschiedenis, dat de grote steden bij het kabinet in aanbouw aandringen op een landelijk onderzoek. Van Stipriaan was vorig jaar betrokken bij het Amsterdamse onderzoek, schreef in opdracht van de gemeente Rotterdam een van de drie boeken die daar vorig jaar verschenen over het koloniale verleden en werkte mee aan de studie die volgende week in Utrecht verschijnt. In Den Haag wordt gewerkt aan de onderzoeksopdracht voor een boek dat volgend jaar moet verschijnen. “Het kabinet kan niet achterblijven,” vindt Van Stipriaan. “Een landelijk onderzoek moet het beeld compleet maken.”

In de grote steden zijn de onderzoeken deel van een stappenplan, zo lijkt het. Ze vormen de basis voor het aanbieden van excuses voor de rol die de steden hebben gespeeld in de trans-Atlantische slavernij. In Amsterdam gebeurt dat waarschijnlijk bij de komende herdenking van de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark. De gemeenteraad van Rotterdam neemt in het najaar een besluit. Van Stipriaan vindt het mooi dat de grote steden hierin vooroplopen, maar benadrukt dat er ook wat betreft excuses vooral naar het kabinet wordt gekeken. “Het slavernijverleden is een landelijk probleem.”

Excuses

In de onderzoeken naar hun betrokkenheid bij slavenhandel en slavernij hebben Amsterdam en Rotterdam een verschillende routes gekozen, vertelt de hoogleraar. “Het vertrekpunt in Amsterdam was een motie van de gemeenteraad waarin werd aangedrongen op excuses. De focus van het onderzoek lag daarom op de rol van de toenmalige bestuurders. Rotterdam koos voor een bredere opdracht: laat zien hoe slavenhandel, slavernij en kolonialisme de stad hebben beïnvloed. Er zijn in Rotterdam door het bombardement minder tastbare sporen terug te vinden dan in Amsterdam, maar in de archieven ligt een schat aan informatie.”

Een ander punt in het stappenplan is de verspreiding van kennis met een museum. Van Stipriaan was eindredacteur van een rapport voor de komst van een nationaal slavernijmuseum in Amsterdam. “Excuses mogen geen loos gebaar zijn, maar moeten samengaan met bij voorbeeld de komst van een permanente plek waar iedereen informatie kan vinden over de geschiedenis en effecten van de trans-Atlantische slavernij. Ook de link met de slavernij in Azië kan daar aan bod komen. Het kabinet is nauw betrokken bij het museum. Amsterdam betaalt mee, maar de grote hap moet uit Den Haag komen.”

Strijd en kracht

De commissie onder leiding van Kathleen Ferrier die de uitgangspunten voor het museum formuleerde, adviseert om de strijd en kracht van de tot slaaf gemaakten centraal te stellen, en niet het slachtofferschap. Die benadering past bij deze tijd, vindt Van Stipriaan. “De eerste generatie activisten was van het inpeperen. De nieuwe generatie wil weg van het slachtofferschap en juist de kracht tonen van de voorouders. Dat lijkt mij voor een museum een verstandige invalshoek. Als je zoekt naar erkenning, moet je aansprekend zijn. Een verhaal van kracht is een overtuigend verhaal.”

De bereidheid om te leren over slavernij is groter dan ooit, stelt Van Stipriaan op basis van tientallen jaren ervaring. “Er gebeurt ontzettend veel, en niet alleen in de Randstad. Op steeds meer plaatsen in het land zijn initiatieven om op 1 juli samen Keti Koti te vieren. Allerlei organisaties en clubs willen iets doen met het verhaal. De gemeente Arnhem organiseert dit jaar voor het eerst een lokale herdenking, maar ik heb ook contact met een groep burgers in Groningen die naar aanleiding van de jaarlijkse herdenking ontmoetingen organiseert tussen zwart en wit. Dat zijn mooie initiatieven.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden