Plus

'Hoeder van de kenniscultuur' OBA bestaat 100 jaar

Keizersgracht, Prinsengracht, Oosterdokskade: drie panden, honderd jaar bibliotheekgeschiedenis en aanhoudende discussies over nut, noodzaak en plezier van lezen staan centraal in het jubileumboek Amsterdammers en hun Bibliotheek.

Computerles voor ouderen in filiaal Buitenveldert, 1991. Beeld Frans Brusselman/beeldbank Stadsarchief Amsterdam

De klachten over het buitensporig aantal gepubliceerde boeken zijn al meer dan een eeuw oud, zo blijkt uit Amsterdammers en hun bibliotheek van Joosje Lakmaker en Elke Veldkamp, waarmee het honderdjarig bestaan van de OBA luister wordt bijgezet. Papier en druktechnieken werden eind negentiende eeuw goedkoper, de economie groeide, het onderwijs verbeterde.

Tussen 1875 en 1910 verdubbelde het aantal titels dat jaarlijks verscheen in Nederland. 'De productie van boeken neemt jaarlijks op onrustbarende wijze toe,' stelde Leo Simons, redacteur bij een Haarlemse uitgeverij, in 1891 vast. 'Iedere boekverkoper wordt uitgever, iedere oud-Hoogere-Burgerscholier en advocaat wordt schrijver. Men maakt tegenwoordig boeken, zoals vroeger een omelet.'

Diezelfde Leo Simons zou in 1905 zelf de Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur oprichten en als eerste titel Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken uitgeven. En die Maatschappij voor Goede en Goedkoope Lectuur werd later omgedoopt tot Wereldbibliotheek - cirkel rond: de uitgever van dit boek over honderd jaar Openbare Bibliotheek in Amsterdam.

Die boeken, het zouden er alleen maar meer worden. Eind negentiende eeuw was een echte leescultuur ontstaan, schetsen Lakmaker en Veldkamp, en op allerlei plekken konden boeken worden geleend. 'Overal in de stad waren winkelbibliotheekjes; vaak was dat niet meer dan een kast achter in een sigaren- of kantoorboekhandel waar detectives, keukenmeidenromans en 'realistische' (pornografische) boekjes voor een paar cent konden worden geleend.'

Bonbons en lingerie
De in 1914 aan de Dam geopende Bijenkorf had een ruim voorziene bibliotheek, waar klanten voor 75 cent per kwartaal wekelijks een boek konden lenen. Concurrentie voor het Leesmuseum even verderop aan het Rokin, opgericht in 1800 en alleen toegankelijk voor heren van stand en fortuin. Nog een saillant detail: leiding over bibliotheek en boekhandel in de Bijenkorf had Emanuel Querido, die zich echter diep ongelukkig voelde 'tussen de bonbons en de lingerie'. Ook hij zou uitgever worden.

Bibliotheken zijn van alle tijden, schrijft oud-burgemeester en voorzitter van de raad van toezicht van de OBA Job Cohen in zijn voorwoord bij het boek. 'Zolang er wordt geschreven zijn er plekken waar al die kleitabletten, rollen en papieren worden bewaard.' Maar de ideeën voor echte free public libraries ontstonden pas midden negentiende eeuw.

Eind negentiende eeuw waren er al zo'n veertig in Nederland. In Amsterdam duurde het tot 1908 voor de Vereeniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken van de grond kwam; met als achterliggende gedachte de verheffing van het volk.

Na de opening van de eerste 'Centrale' op 8 februari 1919 op de Keizersgracht 444-446 - het voormalige kantoor van de gemeentegasfabrieken - richtte de toen nog OLB, de Openbare Leeszaal en Bibliotheek, zich daarom ook op de nieuwe volksbuurten. De eerste twee buurtvestigingen openden in de jaren twintig in de Vole­wijck en Tuindorp Oostzaan.

In het eerste jaar kwamen en zo'n 500 bezoekers per dag naar de Keizersgracht, 156.000 in totaal in de ruim tien maanden dat de bibliotheek dat jaar geopend was. In 1921 werden er meer dan 110.000 boeken uitgeleend. De leeszaal met 72 zitplaatsen zat altijd vol. De 'legendarische' Annie Gebhard (adjunct-directeur vanaf 1919 en directeur van 1928-1948 ) een jaar na opening in De Telegraaf: 'Ons gebouw is nu al veel te klein. We hebben filialen noodig, overal in de stad.'

Lezen voor je plezier, schrijven Lakmaker en Veldkamp, was niet aan de orde. De openbare bibliotheek had een 'algemeen onderrichtend en ontwikkelend karakter' stond in de rijkssubsidievoorwaarden uit 1921. ARP-minister van Binnenlandse Zaken Theo Heemskerk: 'Romanlektuur vorme slechts een accessoir van geringen omvang.' De populaire serie Joop ter Heul van Cissy van Marxveldt uit de jaren twintig en dertig werd pas vanaf 1950 na jarenlange discussie over de 'romanquestie' aangeschaft.

Joosje Lakmaker en Elke Veldkamp: Amsterdammers en hun ­Bibliotheek, €19,99, 304 blz. Beeld Wereldbibliotheek
Parkbibliotheek voor de jeugd in het Oosterpark, jaren twintig Beeld Collectie OBA

Toch bestond in Amsterdam zeker de helft van de uitgeleende boeken uit romans. En beschikte de OLB, zo blijkt uit verhalen van voormalige bibliotheekmedewerkers, over een 'gifkast' met titels die ongeschikt waren bevonden maar die op aanvraag wel beschikbaar waren.

De auteurs citeren W.A.C. van Strien, een directeur die al in 1925 zijn beklag deed in het vakblad Bibliotheekleven: 'In de OLB wordt nu tegemoet gekomen aan amusement, aan het genot, aan de boekverslindende hyena's die de loketten onzer Openbare Leeszalen belegeren.'

Deining van de tijd
Pas vanaf de jaren zestig werd het uitlenen van het 'goede' boek van minder belang; literatuur mocht ook gewoon ontspanning bieden en het stimuleren van lezen en leesplezier werd een eerste doel. Ik, Jan Cremer werd een verkoopsucces en, zo schrijven Lakmaker en Veldkamp, 'de OLB bewoog voorzichtig mee op de deining van de tijd'.

De invoering van de Bibliotheekwet in 1975 waarin de openbare bibliotheek als basisvoorziening werd erkend, betekende een verlichting van de financiële lasten. Daardoor kon ook de verhuizing plaatsvinden van de Keizersgracht naar Prinsengracht 587, waar de nieuwe centrale vestiging (in een kantoorpand met vloeren die waren verzwaard om het gewicht van de boeken te kunnen dragen) in 1977 werd geopend.

In het nieuwe millennium en met de digitalisering van de samenleving moest het fenomeen bibliotheek zichzelf herijken. Zoals Cohen schrijft: 'Heel voorzichtig werd de vraag gesteld of bibliotheken niet de stoommachines van de informatiesamenleving dreigden te worden.'

Er kwam een Stuurgroep herstructurering openbaar bibliotheekwerk aan te pas, opgezet door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. In 2005 benoemde die de kerntaken van de bibliotheek: een warenhuis van kennis en informatie moest die worden, een encyclopedie van kunst en cultuur, een inspiratiebron van lezen en literatuur. En: een podium voor ontmoeting en debat.

Belevenis
Met de verschuiving naar het concept van de 'belevenis-bibliotheek', was de locatie op de Prinsengracht ongeschikt en ook veel te krap geworden; een theaterzaal was er niet, optredens, discussiebijeenkomsten of voorleessessies werden gehouden in het personeelsrestaurant dat iedere keer omgebouwd moest worden.

Op 6 juni 2007 sloten de deuren, in 30 jaar tijd hadden meer dan 25 miljoen mensen het gebouw bezocht. Het oudste lid, mevrouw Epke-Pothuizen, lid sinds 1969, mocht er om 18.06 het laatste boek lenen: ze had een thriller van John Grisham uit de kast gepakt.

Nog geen drie jaar na de opening van de nieuwe centrale bibliotheek aan de Oosterdokskade, met het Theater van 't Woord en de Annie M.G. Schmidt jeugdtheaterzaal, kwam de vijf miljoenste bezoeker al over de vloer. In 2017 had de OBA, met 27 vestigingen in de stad, 174.000 leden en 3,7 miljoen bezoekers.

Slechts een derde kwam nog voor de uitleenfunctie van de bibliotheek; er werd gewerkt, gestudeerd, gelezen en ontmoet. Op de bovenste trede van de buitentrappen aan de Oosterdokskade - de vrije ruimte ervoor in 2017 omgedoopt tot Hella Haasse-plein - een citaat van de schrijfster: 'Er verandert niets, er kán niets veranderen, wanneer wij niet zelf veranderen.'

Leeszaal voor Jongens en Meisjes

De kinderleeszaal- en bibliotheek werd in 1907 uit de doelstellingen van de Openbare Bibliotheekbeweging geschrapt. In antirevolutionaire en katholieke kringen bestond grote weerstand tegen het uitlenen van boeken aan kinderen uit angst voor 'kwalijke effecten van minder geschikte lectuur'.

In 1912 nam Annie Gebhard, later directeur van de OLB, het initiatief voor de eerste Amsterdamse leeszaal voor Jongens en Meisjes. 'In één woord de allergriezeligste verwachtingen gingen, in ons land althans, aan de oprichting van kinderleeszalen vooraf. Er was dan ook een beetje durf toe noodig om zonder veel ophef een proef te nemen,' aldus Gebhard in 1934 in Bibliotheekleven.

De jeugdleeszaal werd in 1921 opgeheven na de sloop van het gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Zes jaar lang waren er alleen 's zomers parkbibliotheekjes. Daarna kwam er een Nutskinderleeszaal in de Wijdesteeg. Pas vanaf de jaren vijftig werden kinderleeszalen en -bibliotheken een gesubsidieerd onderdeel van de Nederlandse Openbare Bibliotheek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden