PlusAchtergrond

Hoe Heerenveen Amsterdamse voetballertjes opving in de hongerwinter

Tientallen Amsterdamse voetballertjes werden 75 jaar geleden, in de Hongerwinter, liefdevol opgenomen door gezinnen van VV Heerenveen. Voetbalheld Abe Lenstra ving niet alleen evacués op, hij trainde ook met ze. ‘Ik ben geweldig trots op mijn vader.’

Het Amsterdamse elftal, met hun Heerenveense tegenstanders, voorjaar 1945 in Friesland. Joop van der Mast van De Volewijckers zit in het midden, vijfde van rechts, Ajaxspeler Rob Been staat vierde van links.

Wanneer ergens diep in de jaren vijftig wordt aangebeld bij de familie Le­nstra in Enschede, snelt jongste dochter Janneke naar de voordeur. “Ik was een heel nieuwsgierig aagje en het was raar dat er bij ons werd aangebeld. Dat gebeurde nooit, iedereen kwam altijd achterom.”

Janneke, een jaar of zes oud, doet open in de Enschedese Minister Goeman Borgesiusstraat. “En daar stond een grote meneer, die zei: ‘Hallo, ik ben Jan en ik heb in de oorlog bij jullie in Heerenveen gewoond.’ Ik wist niet wat ik hoorde, mijn nieuwsgierigheid was gewekt. Ik wilde er alles over weten.”

Er wordt thuis bij Janneke, geboren in 1952, nooit over de oorlog gesproken. Want wat geweest is, is geweest. Maar de verschijning van de onbekende huisgenoot van haar ouders tijdens de bezetting maakt dat zij vragen gaat stellen. “Zo raakte ik al heel jong geïnteresseerd in de oorlog. Het werd een fascinatie. Ik heb heel veel over de bezettingsjaren gelezen en ik ben ook altijd vragen blijven stellen.”

De Jan die bij Abe en Hiltje Lenstra inwoonde, is Jan de Wit, in de oorlog jeugdspeler van Ajax en een van de Amsterdamse hongerevacués over wie de voetbalgemeenschap in Heerenveen zich in de laatste oorlogswinter ontfermde. Deze bewonderenswaardige daad van solidariteit en medemenselijkheid noemt Janneke Lenstra ‘typisch Heerenveens, typisch Fries’. Dat ook haar vader spontaan ‘ja’ zei toen hem werd gevraagd een stakker uit de hongerende hoofdstad in huis te nemen, verbaast haar niks. “Mijn vader had een groot hart en hij was gek met kinderen.”

Meer nog dan haar vijf jaar oudere zus Metteke heeft Janneke sterke Abe-trekken. Ze is sportief, tennist een tijdlang fanatiek op hoog ­niveau en ze is begaan met anderen. “Daarom ben ik in de zorg gegaan en daar ook altijd in blijven werken.”

Het weerzien met Jan de Wit, jaren na de bevrijding, ontroert haar vader, die als voetbalgrootheid van eerst VV Heerenveen en later SC Enschede nukkig heet te zijn, een tikje onvriendelijk zelfs. Janneke: “Maar dat was naar buiten toe. Mijn vader had een stevige muur om zich heen gebouwd. Voor familie en vrienden daarentegen was hij een zachte, ontzettend ­lieve man.”

Mienskip is het Friese woord voor de gemeenschapszin waarin voetbalclub Heerenveen tegen het einde van de oorlog uitblinkt. Janneke Lenstra: “Ik vind het een klassiek voorbeeld van hoe de mensen in Heerenveen zijn. Ze zien om naar elkaar en als de nood aan de man is, pakken ze het probleem samen aan, dan zetten ze met z’n allen de schouders eronder en doen daar niet ingewikkeld over. Ze lopen niet met hun mien­skip te koop. Mijn vader was ook wat dat aangaat een echte Fries. Abe kende geen ster­allures. ‘Ach die kinderen,’ zei hij in 1944. ‘Laat ze maar gauw komen’.”

Abe Lenstra (1920-1985) met zijn dochter Janneke. Dit is de enige foto die Janneke heeft van haar en haar vader.

Provincie van overvloed

Bij het aanbreken van de laatste winter onder het Duitse juk crepeert het westen van Nederland. De zuidelijke provincies zijn bevrijd, maar boven de grote rivieren trekt de bezetter de teugels aan. De Duitsers zijn getergd omdat ze de strijd op alle fronten aan het verliezen zijn, ­opereren nerveus en onberekenbaar, treden harder op en pogen met razzia’s onder de Nederlandse bevolking zo veel mogelijk jonge arbeidskrachten voor hun oorlogsindustrie te ronselen.

Bezet Nederland raakt uitgemergeld, gevechten tussen de Duitsers en de geallieerden in het oosten van het land en de algehele spoorweg­staking maken dat het westen almaar geïsoleerder raakt. Dramatische berichten over hongersnood in Amsterdam dringen door tot de bestuurskamer van VV Heerenveen en laten voorzitter Hendrik Huisman en secretaris Floor Féléus niet onberoerd. Met jeugdleider Joop Overdiep beramen zij een evacuatieplan voor nooddruftige Amsterdamse kinderen, voetballertjes van de eersteklassers Ajax, DWS, Blauw Wit en landskampioen De Volewijckers.

Voetbalvereniging Heerenveen is begin jaren veertig vooral dankzij Abe Lenstra een club van formaat geworden, die zich de vaste noordelijke kampioen mag noemen. Het Friese dorp telt maar achtduizend inwoners, maar als Abe thuis speelt, trekken al gauw twee keer zoveel belangstellenden naar het gemeentelijke sportpark.

Huisman, als gemeentesecretaris een man met invloed, en Féléus zijn maatschappelijk betrokken bestuurders, idealisten, en zitten beiden in het verzet. Ze vervalsen onder meer persoonsbewijzen. Clubman Overdiep helpt Joodse kinderen en heeft als eigenaar van een drukkerij contacten in Amsterdam. Via hem worden de besturen van de vier grote hoofd­stedelijke clubs benaderd.

Friesland is in 1944 nog een provincie van overvloed, waar zelfs in de barre winter van het laatste oorlogsjaar geen voedselschaarste zal ontstaan. Het wemelt er van de hongervluchtelingen en onderduikers, die zich op het boerenland goed schuil kunnen houden. Maar Huisman en Féléus zijn van oordeel dat er in Heerenveen nog best tientallen ondervoede voetbalkinderen bij kunnen.

Ajax, DWS, Blauw Wit en De Volewijckers ontvangen een brief waarin staat dat de VV Heerenveen voor de verdere duur van de oorlog in ­totaal 86 aspiranten uitnodigt in Friese pleeg­gezinnen te verblijven. De evacuatie wordt in enkele weken op poten gezet. Binnen de kortste keren hebben zich tientallen pleeggezinnen aangemeld, zodat in de late herfst tientallen uitverkoren Amsterdamse jeugdvoetballers op transport kunnen. De meesten zijn twaalf, dertien jaar. Ouder dan veertien mogen ze niet zijn, omdat ze dan te dicht bij de voor de Arbeits­einsatz gevaarlijke leeftijd komen.

Varen in het pikkedonker

De jongens van Ajax, DWS en Blauw Wit gaan met de Jan Nieveen, een stoomschip van de ­rederij die een veerdienst onderhoudt tussen Amsterdam en Lemmer. De Lemmerboot, zoals hij in de volksmond heet, meert aan bij de

De Ruijterkade, achter het Centraal Station. De aspiranten van De Volewijckers kunnen daar niet komen, omdat er geen pont meer over het IJ vaart en Amsterdam-Noord daardoor praktisch is afgezonderd van de rest van de stad.

De Noorderlingen gaan met een vrachtwagen naar Friesland, over de Afsluitdijk, die in 1932 gereed is gekomen en van de Zuiderzee het IJssel­meer heeft gemaakt.

Het is een hachelijke reis, waarbij de voetballertjes soms de laadbak van de primitieve vrachtwagen uit moeten om langs de weg dekking te zoeken voor het vuur van geallieerde jachtvliegtuigen. De Engelsen zijn de baas in de lucht boven Nederland en schieten vanuit hun Spitfires voor de zekerheid op zo’n beetje alles wat beweegt op de wegen en het water onder hen.

Joop van der Mast, 88 en in de jaren vijftig een vaste kracht in het eerste elftal van De Volewijckers, weet nog dat vooral het overbruggen van de Afsluitdijk spannend was. “Wij lagen bang te zijn onder een dekzeil. Oorlogsdreiging doet wat met kinderen van dertien, veertien jaar hoor. We kakten in onze broek van de angst. We hebben er de hele dag over gedaan om Heerenveen te bereiken. We kwamen aan in het donker en toen werd er pap uitgedeeld. Man, we vraten onze vingers erbij op.”

Ook de tocht over het water is niet van gevaar ontbloot. Omdat ze onderduikers overzetten en voedsel mee terug nemen naar Amsterdam, worden de Lemmerboten een levenslijn tussen het westen en noorden van het land. Maar ook zij kunnen doelwit van de Engelsen zijn. Er wordt daarom vooral ’s nachts gevaren en in het pikkedonker, er mag nauwelijks licht worden gevoerd. Toch gaat het in de nacht van 8 op 9 januari 1945 gruwelijk mis. De Jan Nieveen en zusterschip Groningen IV botsen op elkaar en dertien op­varenden verdrinken in het ijskoude water.

Een paar maanden eerder bereiken de jonge passagiers van de Amsterdamse voetbalclubs veilig de overkant. Ze krijgen in Heerenveen een warm onthaal. Schoorvoetend betreden de scharminkels van Ajax, DWS, Blauw Wit en De Volewijckers hun nieuwe woonomgeving. Van hun Amsterdamse bravoure is weinig meer over, maar die keert terug naarmate zij aansterken en aarden op het Friese platteland.

Het evacuatieplan van de Heerenveense voetbalbestuurders slaagt wonderwel. De Amsterdammers sluiten in hun pleegomgeving vriendschappen, niet zelden voor het leven, en ze kijken de kunst af van Abe Lenstra, de voetbalgrootheid met wie ze weglopen.

Wanneer ze, maanden na de bevrijding pas, huiswaarts keren, zal een van hun moeders de handen voor haar mond slaan en uitroepen: “Ik heb een stumper weggebracht en een kerel terug­gekre­gen.”

Vuilnis en beertonnen

Rob Been, veertien jaar, en aanvankelijk niet uitverkoren, reist de hongervluchtelingen achterna. Hij mag alsnog naar Friesland, omdat zijn anderhalf jaar jongere broer Otto in Heerenveen wegkwijnt van de heimwee. Rob gaat aan boord van een rijnaak, een binnenvaartschip dat voor personenvervoer wordt ingezet, en maakt een gruwelijke oversteek. “Het was pokkenweer,” herinnert de nu 89-jarige Been zich, “en die boot ging als een idioot tekeer. In het onverwarmde ruim lagen kleine kinderen op een laag stro kotsziek te zijn. Ik had godzijdank nergens last van en probeerde zo veel mogelijk te helpen. Kinderen die te dun gekleed waren, dekte ik toe met paardendekens. Er was geen wc aan boord, we moesten ons behelpen met een paar emmers. En die kleintjes maar huilen van ellende, en overgeven.”

Midden in de nacht wordt het transport ook nog opgehouden door de Duitsers. Been: “De militaire politie kwam ons met speedboten controleren. De planken boven het ruim gingen opzij en felle zaklampen schenen naar binnen. Maar de Duitsers zagen alleen maar bange, zieke kinderen.”

Eenmaal in Heerenveen blijkt Otto Been al te zijn vertrokken, beroerd van heimwee. Grote kans dat hij en zijn broer Rob elkaar onderweg zijn gekruist.

Nieuwkomer Been wordt opgevangen door een nog heel jeugdig echtpaar, dat echter niets van hem begrijpt. Het Amsterdamse logeetje doet alles verkeerd in de ogen van de pas­getrouwden en Robbie krijgt steeds de wind van voren. “Ik voelde me akelig en werd er huilerig van.”

Secretaris Féléus doorziet al snel wat er loos is en brengt de oudste jongen Been onder bij de familie Muntendam, van de groente- en fruithandel op de Dracht, midden in Heerenveen. Daar belandt hij in een warm nest en al snel vindt hij zijn draai. “Alle ellende viel van me af. Ik werd onderdeel van een hecht gezin.”

Been gaat in Heerenveen, net als de andere evacués, niet naar school. Het onderwijs is in het Fries en voordat de Amsterdammertjes dat een beetje onder de knie hebben, zal de oorlog al wel voorbij zijn. Overdag zoeken ze elkaar op en hangen wat rond op straat. Van lieverlee, als hun lichamen weer stevige kost verdragen en zij als het ware weer tot leven komen, keert ook de onverschrokkenheid terug.

De jongens durven weer kattenkwaad uit te halen. Been: “In de Lindegracht lagen pramen waarmee vuilnis en beertonnen werden af­gevoerd. ’s Ochtends waren die schuiten nog schoon en dan gingen wij ermee varen. Kregen we de politie achter ons aan. Moesten we op het gemeentehuis komen, waar we een uitbrander van de voorzitter kregen. Maar ik had niet de indruk dat meneer Huisman echt boos op ons was.”

Fabelachtige traptechniek

Thuis moet Robbie zich nuttig maken door zo af en toe een karweitje op te knappen of melk te gaan halen bij een boer in het naburige Oranjewoud. “Onderweg moest ik soms als de bliksem van mijn fiets af omdat er weer zo’n Spitfire kwam aanjanken. Volgens mij was het alleen maar spielerei van die Engelsen, want waarom zou je een jongen op een fiets van de weg schieten?”

Afgezien van die Engelse plaagstoten en de aanwezigheid van flink wat Duitse soldaten in de garnizoensplaats Heerenveen is de oorlog voor Rob Been in de Hongerwinter meestal ver weg. Helemaal als hij kan doen wat hij het liefst doet: voetballen.

Dat gebeurt buiten het dorp, op een geïmproviseerd veldje in de weilanden van Hennie de Vries, een boer met wie Abe Lenstra bevriend is. Daar vechten de jongens van Ajax, DWS, Blauw Wit en De Volewijckers onderlinge duels uit en neemt een Amsterdams selectie-elftal het geregeld op tegen de B-junioren van Heerenveen.

“En wij waren C’tjes hè,” haast Been zich te zeggen, “toch wisten we ze aardig partij te bieden. We hadden er verdraaid handige spelertjes bij zitten. Niet dat we allemaal even goed waren hoor. Er zaten er bij ons genoeg tussen die er geen klote van konden. Ajax was de enige club waarvoor je een proefwedstrijd moest spelen. Dus de Ajaxjongens waren geselecteerde voetballers en die waren beter dan de meeste anderen.”

Op het trapveld bij de boerderij van Hennie de Vries laat ook Abe Lenstra zich zien, tot groot enthousiasme van de Amsterdammers. Hij traint ze zelfs en werpt zich op als coach van het Amsterdamse elftal. De jonge voetballers lopen weg met de grote Abe, die hen ook mee de weilanden in neemt om slootje te springen met de polsstok en om te speuren naar kievietseieren.

Been: “Abe was een lieve, zorgzame man en een geweldenaar op onze trainingen. Mijn mond viel open van verbazing als hij zijn fabelachtige traptechniek liet zien.”

De vedette van Heerenveen is door de club aan een niet al te veeleisende betrekking op het gemeentehuis geholpen en neemt alle tijd voor zijn Amsterdamse vriendjes. Hij heeft die verzetjes ook nodig, want het officiële voetbal is in de tweede helft van 1944 stil komen te liggen. De Duitsers hebben sportevenementen in de openlucht verboden.

Op 26 maart is het duel tussen De Volewijckers en Heerenveen in de kampioenscompetitie gestaakt toen een Engels bombardement even verderop op de ­havens van IJmuiden het lucht­alarm deed afgaan. Dat het publiek vervolgens weigerde de tribunes te verlaten, heeft de bezettingsautoriteiten doen ingrijpen.

Vlak voordat in Amsterdam de sirenes begonnen te loeien had Broer de Boer Heerenveen met een vroege goal op voorsprong gezet. Op tweede pinksterdag, 29 mei, wordt de wedstrijd in zijn geheel overgespeeld en wint De Volewijckers met 4-1, waardoor de Noordelingen hun enige landstitel ooit bemachtigen.

Daarna breekt een voetballoos tijdperk aan dat ruim een jaar zal duren. Abe Lenstra, 23 jaar en misschien wel op zijn best, verbijt zich. In augustus trouwt hij met de bijna vier jaar jongere Hiltje Wisman en betrekt een woning in Oranjewoud. Daar biedt het jonge stel in het najaar onderdak aan een hongervluchteling, de dertienjarige Jan de Wit.

Begin 1945 mag ook Jans broertje Arie naar Heerenveen, hoewel hij pas negen jaar oud is. Als Arie de Wit na aankomst te horen krijgt dat hij niet bij zijn oudere broer zal worden ondergebracht, maar bij de directeur van de Boerenleenbank, barst hij in huilen uit. Abe strijkt over zijn grote hart en zegt: “Nou, kom jij dan ook maar bij ons.”

Brief van Arie de Wit senior uit maart 1945 aan een van zijn zoons, die bij het gezin Lenstra verblijft.
Met stoomschip Jan Nieveen voeren de voetballertjes naar Friesland.Beeld -

Pijnlijke details

Vader De Wit, Arie senior, is jeugdsecretaris van Ajax. Deze voetbalman reageert verheugd als hij verneemt dat zijn Jan aan de grote Abe Lenstra is toegewezen. De meeste Amsterdamse families hebben niet of nauwelijks contact met hun in Friesland verblijvende kinderen. De pleegadressen blijven veelal onbekend, maar zodra Arie senior weet waar zijn oudste zoon zit, richt hij een brief aan ‘Jongenheer Jan de Wit, per adres den Heer Abe Lenstra, Oranjewoud’.

En die brief komt aan. Er volgen er meer, ook van moeder De Wit en Jan bewaart ze. Na zijn overlijden in 2016 ontfermt Jans zoon Hans zich over de brieven, die een beeld schetsen van het schrijnende leven in Amsterdam, waar de jongens De Wit op de Valentijnkade in Oost behalve hun ouders nog een zus, Ina, en een broertje van een paar jaar oud, Robbie, hebben achtergelaten.

Vader en moeder De Wit berichten, heel voorzichtig, over een zware strijd om het voort­bestaan in een stad waar het leven ‘allerbelabberdst’ is en het bemachtigen van voedsel een fortuin kost. ‘Ik heb deze week twee broden gekocht voor twintig gulden per stuk, omdat wij er slecht voor zaten,’ schrijft vader De Wit somber.

Maar hij tracht ook de moed erin te houden, door opgetogen te reageren wanneer er post uit Friesland komt. ‘Heerlijk dat je kunt voetballen en polsstokspringen Jan. Dat je klompen hebt, een eigen kamertje en paardgereden op een cowboyzadel hebben wij gelezen, fijn hè. De oorlog gaat nu opschieten en zullen wij hopen dat wij weder spoedig bij elkaar zijn.’

Wanneer Arie senior leest dat Jan zijn pleeg­vader bij de voornaam noemt, reageert hij ontstemd: ‘Jan, jij mag meneer Lenstra toch niet Abe noemen, tenzij deze het goed vindt. Nu ben je nog maar een klein kereltje, als je eenmaal twintig jaar oud bent, zal Abe dat niet kunnen schelen.’

Maar meneer Lenstra laat zich graag Abe noemen door zijn Amsterdamse vriendjes. Hij kan goed met ze overweg en waardeert hun branie. Op zijn beurt neemt hij het pleegvolk in de ­maling. Als de bal eens over een heg langs het veld vliegt, roept Abe tegen een paar Amsterdammertjes dat ze erachteraan moeten. Hij jaagt ze over de heg, waarachter een sloot ligt. De jongens springen er pardoes in. Abe ligt in een deuk.

Hans de Wit heeft mooie verhalen over zijn vaders avonturen met Abe Lenstra gehoord. “Mijn vader was lyrisch over hem, een fijn mens en een onvoorstelbare voetballer. ‘Een Cruijff,’ noemde hij hem. ‘Die snelheid van Abe,’ zei hij, ‘niet normaal meer’.”

Dat Arie de Wit er als Ajaxbestuurslid in slaagde twee zonen uit het hongerende Amsterdam te krijgen, doet vermoeden dat de loting onder de kandidaten voor de evacuatie doorgestoken kaart was. Ook Hans de Wit denkt dat zijn opa de loting enigszins naar diens hand zette. “Maar dat het helemaal doorgestoken kaart was, geloof ik niet. Volgens mijn vader gingen de ergste gevallen sowieso naar Friesland.”

Als het thuis over vroeger ging, kreeg Hans de Wit de opgewekte versies van dramatische gebeurtenissen te horen. “Ik bemerkte dat mijn vader pijnlijke details achterhield. Dat deden de ouders van mijn Joodse vriendjes in Amsterdam ook. Die stopten alles weg, om maar door te kunnen leven. Mijn vader is in de oorlog beschoten toen hij iets probeerde te jatten uit een trein. Hij is geraakt, een schampschot. Tijdens de Watersnood van 1953 zat hij in dienst en heeft hij heftige dingen meegemaakt, maar daar wilde hij nooit over uitweiden.”

“Zijn oorlogsmaanden in Heerenveen schilderde hij af als een vrolijke episode, maar dat was het echt niet altijd. Eén keer heeft hij verteld over een verschrikkelijk voorval, toen hij onderweg was met Abe. Ze stuitten op een standrechtelijke executie. Op het moment dat er werd geschoten, deed Abe een hand voor mijn vaders ogen. Toen hij dat vertelde liepen de tranen hem over de wangen. Het is de enige keer geweest dat ik mijn vader heb zien huilen.”

Hoewel Jan de Wit zijn pleegvader uit de Hongerwinter nog een keer opzoekt in Enschede, verwatert het contact. Zoon Hans begrijpt waarom. “Als je de oorlog wil wegstoppen, sluit je je ervoor af. Dan ga je verder zonder om te kijken.”

Hans de Wit is nog wel een keer getuige van een toevallige ontmoeting tussen zijn vader en Abe, die dan al in een rolstoel zit, als gevolg van een hersenbloeding die hem in 1977 treft. Het gebeurt bij een wedstrijd van Ajax in De Meer. Hans: “Ineens klonk het: ‘Hé Jan.’ ‘Abe,’ reageerde mijn vader. Het was even heel emotioneel. Ze omhelsden elkaar innig. Ik kon zien dat er een diepe verbondenheid was.”

De broers Rob en Otto Been in de oorlog. Otto ging, verteerd door heimwee, terug naar Amsterdam.
De broers Arie en Jan de Wit, die onderdak kregen bij Abe Lenstra en zijn gezin in Oranjewoud.

Martelpraktijken

In Heerenveen wordt de kalme gang van de ­dagelijkse zaken in de eerste oorlogsjaren nauwelijks verstoord, ook al wemelt het in het dorp van de Duitse soldaten. Die zijn ingekwartierd in het grote gebouw van de hbs en de kweekschool aan de Fok. In de loop van 1944 wordt de situatie echter ook in Heerenveen grimmiger, zeker wanneer op 27 juni 1944 de gehate politieman Sikke Wolters wordt vermoord. Deze NSB’er maakte fanatiek jacht op onderduikers en verzetslieden. Hij bezondigt zich bovendien aan martelpraktijken, waardoor hij een prominente plek op de dodenlijst van het verzet verwerft.

Op de executie van Wolters in de fietsenstalling van het treinstation van Heerenveen reageren de Duitsers met de executie van een willekeurig slachtoffer, de veehouder Albert Marten Rinkema. Daar blijft het niet bij. Er komen razzia’s, zoals die waarbij Heerenveens eerste-elftalspelers Jan Bosscha en Broer de Boer in de kraag worden gevat. Bosscha belandt in Crackstate, de stijlvolle stins die ooit het bemiddelde Heerenveense geslacht Crack toebehoorde. Van statig woonhuis is de Crackstate gerechts­gebouw en gevangenis geworden.

Hoe langer de bezetting duurt, hoe gruwelijker de omstandigheden in dit huis van bewaring. De gevangenen komen steeds dichter op elkaar te zitten en treiterijen en martelingen zijn op het laatst aan de orde van de dag.

Tot zijn opluchting wordt Bosscha na enkele dagen overgebracht naar het Drentse kamp Havel­te. Net als de meeste andere opgepakte mannen uit Heerenveen is hij vrij snel weer op vrije voeten. Jans tien jaar jongere broer Jappie vermoedt dat voorzitter Huisman daar een rol in heeft gespeeld. De 88-jarige Jappie Bosscha zegt dat er bij hem thuis werd beweerd dat de gemeente­secretaris mensen vrij kon praten.

Schuchter en schriel

In 1944 raakt Jappie bevriend met een Amsterdams voetballertje dat bijna net zo stil en schuchter is als hijzelf. “Mijn ouders, sociale mensen, hadden ons als pleeggezin aangemeld. Dat sprak vanzelf. Op een dag werd bij ons aangeklopt. Mijn moeder opende de deur en daar stond iemand van het bestuur van Heerenveen met een schriel jongetje met een koffertje: Ferry Uit den Boogaard. ‘Nou, hier is ie dan,’ werd er gezegd en dat jongetje bleek helemaal niet zo’n brutale Amsterdammer te zijn als wij verwachtten. Niks geen branie.”

De evacué uit Amsterdam-Noord, speler van De Volewijckers, moet heel erg wennen. Aan Heerenveen, aan het Fries, aan het eten, aan alles. Bosscha: “Toen Ferry bij ons voor de eerste keer naar de wc was geweest, zei mijn moeder geschrokken: ‘Er komt alleen maar water uit. We moeten anders gaan eten.’ Toen hebben wij ons aangepast, we zijn minder vet gaan eten.”

Om de Amsterdamse logé beter in hun gezin op te kunnen nemen, besluiten vader en moeder Bosscha dat er thuis Nederlands wordt gesproken. Jappie: “Voor mij viel dat niet mee. Ik had soms moeite om me op de juiste manier uit te drukken. Ik moest eerst nadenken voor ik iets ging zeggen. En als je steeds moet omschakelen, kun je er ook niet even een grapje tussendoor gooien.”

Maar het helpt, het Nederlands praten, en Ferry raakt in Heerenveen op zijn gemak. Jappie: “Ferry en ik waren beiden niet zo spraakzaam, maar we konden het goed met elkaar vinden, we begrepen elkaar.”

De twee trekken er vaak met een troep jongens, Friezen en Amsterdammers, op uit, de weilanden in. Jappie: “Die Amsterdammers hadden al snel hun bluf terug. Ze hadden meer lef dan wij. Als we bij een sloot kwamen, pakten zij een stok en sprongen ze naar de overkant. Wij waren bedachtzamer: kan ’t wel? Zij waren gehaaider, ook bij het voetballen. Dan zeiden wij tegen elkaar: ‘We zullen ze eens even pakken met hun grote bek.’ Maar dan glipten ze ons mooi voorbij.”

Jappie Bosscha is een aardige voetballer, maar niet zo goed als zijn grote broer Jan, een gewaardeerd speler van Heerenveen 1. Als nijvere rechtshalf is Jan Bosscha een echte teamspeler, een nooit versagende helper van Abe Lenstra.

Vader en moeder Bosscha, Geert en Nantje, hebben een kruidenierszaak aan de Dubbele ­Regel, aan de rand van het dorp, niet ver van het Heerenveenterrein. In het magazijn achter de winkel zit een luik in de vloer met daaronder een kruipruimte, een schuilplek voor Jan bij een razzia.

Jappie: “Maar toen het zover was, heeft hij er geen gebruik van hoeven te maken, omdat hij ergens anders ondergedoken zat. Die keer dat ze hem oppakten, zou hij ook onderduiken, maar hij dacht dat hij nog wel even dag kon zeggen ­tegen de voorzitter op het gemeentehuis. Maar daar was toevallig ook een SS-figuur die hem herkende. ‘Ho maar even,’ zei die man en toen was Jan de klos.”

Tegeltableau van de Amsterdamse clubs als dank voor de Friese gastvrijheid.

Met een Shellschuit terug

Wanneer Nederland is bevrijd van de Duitse tiran­nie, duurt het nog maanden voordat de hongerevacués op huis aan kunnen. In het ontredderde land is het lastig om grote afstanden te overbruggen, vanwege het gehavende spoor- en wegennet. En op het IJsselmeer moeten eerst mijnen worden geruimd. Bovendien krijgen ouderen en onderduikers voorrang bij het reizen.

Als Nederland eindelijk weer een beetje op gang komt, nemen de Amsterdamse kinderen afscheid van hun pleegfamilies. De jongens van De Volewijckers, die met de vrachtwagen over de Afsluitdijk naar Heerenveen zijn gekomen, gaan terug ook met de boot. Niet zoals de spelertjes van Ajax, DWS en Blauw Wit met de Lemmerboot, maar met een tankschuit.

“Die was van Shell,” weet Joop van der Mast nog. “Ook die schuit voer van Lemmer naar Amsterdam. Hij meerde aan bij de Badhuiskade in Noord, daar had je het Shell-lab. We werden praktisch voor onze huizen afgezet. Mijn vader en moeder stonden ons op de kade op te wachten. Het mooie is dat ik later ook bij Shell ben gaan werken, in Noord. Ik heb er bijna veertig jaar gezeten, als werkvoorbereider.”

Jappie Bosscha ziet zijn inmiddels dierbare vriend Ferry met lede ogen vertrekken. “Nee, er werd niet veel gezegd, het afscheid ging heel rustig. Ferry had al die tijd geen kik gegeven. Een jaar na de bevrijding ben ik daar geweest, in Amsterdam-Noord. Twee nachten en toen ging ik terug. Ik had zo’n vreselijk last van heimwee, de hele tijd een naar gevoel in mijn maag en alsmaar huilen. Ferry en zijn moeder hebben mij naar huis gebracht, ze zijn helemaal tot Heerenveen met mij meegereisd. Weet je wat het was? Het gezin van Ferry woonde tweehoog en als ik naar buiten keek, zag ik alleen maar huizen. Bij ons thuis keek je eindeloos ver weg, bij helder weer kon je zelfs de schoorsteen van de Douwe Egbertsfabriek in Joure zien.”

Jappie en Ferry schrijven nog een tijdje met elkaar, maar de correspondentie verflauwt en de vriendschap verdwijnt. Jappie: “Ik ben Ferry uit het oog verloren. Achteraf wel spijtig, omdat het toch iets heel bijzonders is geweest, wat onze ouders toen hebben gedaan. De zijne vertrouwden hun kind toe aan wildvreemden, ver weg, en de mijne namen voor onbepaalde tijd zomaar nog een kind in huis. Dat werd als de normaalste zaak beschouwd. We hadden een logé in huis, dat was het, een logé voor langere tijd.’’

Mienskip, ook Jappie Bosscha bezigt de term. “Heerenveen is saamhorig, altijd geweest, altijd gebleven. En de Friezen hier voegen de daad bij het woord. Ze kijken om naar elkaar en steken elkaar de helpende hand toe. Het voetbal is belangrijk voor de saamhorigheid, de club bindt zowat de hele gemeenschap van Heerenveen.”

Rob Been blijft zijn leven lang Ajacied en bekleedt, nadat hij is gestopt met voetballen in lage­re elftallen, tal van functies binnen de club. Zijn pleegfamilie in Heerenveen is hij nooit uit het oog verloren. Hij beschouwt de Muntendams als naaste verwanten. “Zeg maar gerust als familie. Hun gastvrijheid en menslievendheid hebben ontzettend veel met mij gedaan. Graag een ander willen helpen, zonder een tegen­prestatie te verlangen, het omzien naar mensen zit dankzij hen ook in mij.”

Tijd voor een monument

Meteen al in de zomer van 1945, ruim voordat eind oktober de bal weer gaat rollen in de eerste klassen, vaardigen de vier evacuéclubs hun eerste elftallen naar Friesland af. Heerenveen viert de bevrijding en zijn 25-jarig bestaan met een toernooi waarvan de naam een afrekening met een bezoedelde plek in het dorp lijkt te zijn: het Crackstatetoernooi. Ajax, DWS, Blauw Wit en De Volewijckers uiten hun dankbaarheid voor de Friese gastvrijheid en kinderhulp met een tegel­tableau met het opschrift: 

In het laatste oorlogsjaar 
1945
As ’t net kin sa’t moat
den moat it mar sa’t kin

Onder deze Friese spreuk (Als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan) een enigszins krampachtige rijm:

Een rooversbent hier aangeland
vernielde en plunderde het land
De voetbaljeugd in Holland’s veste
die leed gebrek ten langen leste
Toen kwam uit het Noorderland
de reddende Friezenhand
Heb dank voor deze geste
dat was Friesland op z’n best

De Volewijckers doet wat de landskampioen aan zijn stand verplicht is en wint het Crackstate-toernooi. De vriendschapsband tussen de vijf eersteklassers blijft nog een tijdlang hecht, maar raakt losser wanneer het voetbal steeds meer een serieuze zaak wordt, zeker na de invoering van het beroepsvoetbal in 1954.

Een jaar later vertrekt Abe Lenstra naar SC Enschede en zakt Heerenveen weg uit de top van het Nederlandse voetbal. De geschiedenis van de hongerevacués raakt langzaam maar ­zeker onder het stof, maar 75 jaar na de bevrijding wordt dat met kracht weggeblazen.

Janneke Lenstra is daar blij mee, ‘omdat het verhaal zo mooi en krachtig is’. Abes dochter vindt dat Heerenveen de belangstelling voor de humanitaire oorlogsoperatie levend moet zien te houden. “Er zou een blijvende herinnering moeten komen, een monument of zo, zodat we in deze tijd van verharding en individualisering tegen kinderen kunnen zeggen: ‘Kijk, zo kan het ook.’ Ik ben geweldig trots op mijn vader om wat hij heeft gepresteerd op het voetbalveld, maar ook om zijn rol als pleegvader in de oorlog.”

Na de bevrijding defileren de Amsterdammertjes op de Dracht in Heerenveen.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden