PlusGeschiedenis

Hoe difterie en cholera langzaam uit de stad verdwenen

Een injectie tegen kroep in het Hôpital Trousseau in Parijs (1899).  Beeld Bibliothèque nationale de France
Een injectie tegen kroep in het Hôpital Trousseau in Parijs (1899).Beeld Bibliothèque nationale de France

Amsterdam werd in de 19de eeuw geregeld getroffen door dodelijke infectieziektes als cholera en difterie. Bij de bestrijding lag het accent lang op verbetering van de leefsituatie. Belangrijker waren de stappen die gezet werden in de bacteriologie en ontwikkeling van vaccins.

Difterie was in het Amsterdam van de 19de eeuw steeds aan­wezig en laaide ook geregeld op. In 1883 bezweken 984 mensen aan een heftige uitbraak, onder wie ook veel kinderen. Uit het jaarverslag van het kinderziekenhuis aan de Sarphatistraat spreekt bedroefdheid, omdat men weinig voor de slachtoffertjes had kunnen doen: ‘Waar de croup of diphteritis hare slachtoffers eischte, daar is de ontzetting en dikwijls de radeloosheid dubbel groot. Het dartele kind van gisteren ligt daar heden koud en bleek.’

Desinfecteren

Het laatste kwart van de 19de eeuw stond in het teken van baanbrekende ontdekkingen in de medische wetenschap. Artsen hadden tot dan toe niet meer kunnen doen dan symptoom­bestrijding. Voor zover er theorieën bestonden over de oorzaken van ziektes, waren die bijna allemaal onjuist. Pas toen inzicht ontstond in ziekteverwekkende bacteriën, veranderde er veel. De kliniek die vanaf 1899 het Emma Kinderziekenhuis zou heten, was er als de kippen bij om de nieuwe ­medische ontdekkingen toe te passen. Het hielp dat geneesheer-directeur Samuel de Ranitz openstond voor vernieuwingen en dat hoogleraren van de jonge Gemeente Univer­siteit belangeloos operaties verrichtten.

Een van die hoogleraren was de chirurg Jan Willem Reinier Tilanus, die zijn hele leven ‘de jonge Tilanus’ zou blijven heten – het lot van de zoon van een beroemde vader, in wiens voetsporen hij was getreden. Tilanus jr. was een groot voorstander van de antiseptische wondbehandeling, die de Engelse arts Joseph Lister had bedacht. Wondinfecties na operaties bleek men tot een minimum te kunnen terugbrengen als de wond werd afgedekt met verband dat in carbolzuur gedrenkt was. Werd aanvankelijk de operatiekamer bestoven met desinfecterende carbol, nog beter bleek het voorafgaand des­infecteren van het operatie-instrumentarium.

Hoewel de nieuwe bacteriologische inzichten bij menigeen op ongeloof stuitten, reageerde het Emma snel: ontsmetting werd het nieuwe credo. Het kinderziekenhuis nam in 1885 voor het eerst een aparte operatiekamer in gebruik. Een jaar later importeerde men een desinfectieoven uit Engeland, de eerste in Nederland. Die was zo groot dat matrassen en dekens konden worden ontsmet. Voor difteriepatiëntjes met ademnood kwamen er speciale bedjes, die onder stoom te zetten waren. Ook verving men de akelige tracheotomieoperaties (zie kader) steeds vaker door intubatie: het aanbrengen van een buisje in de luchtpijp. Het sterftecijfer ­onder difteriepatiënten daalde hierdoor flink.

De grootste sprong voorwaarts kwam toen in Berlijn de bacil werd ontdekt die difterie veroorzaakt en de Fransman Emile Roux vervolgens de door de bacterie afgescheiden gifstof, difterietoxine, isoleerde. De Duitse hoogleraar Emil von Behring ontwikkelde in 1890 een serum en na talloze dierproeven – Roux met geiten, Von Behring met paarden – durfden ze het in 1894 aan om het toe te passen op mensen. De resultaten waren ­verbluffend: in Berlijn bijvoorbeeld genas 87 procent van de difteriepatiënten.

Speculatie met serum

In Amsterdam, waar men die ontwikkelingen op de voet volgde, kwam een kink in de kabel. Het door de Duitse firma Hoechst fabrieksmatig ­geproduceerde serum werd door speculanten opgekocht. Terwijl de fabrikant een prijs had bepaald van 6,60 Duitse mark, bracht de Amsterdamsche Caoutchouc Company het serum voor 22 gulden per flesje op de Nederlandse markt. Al snel steeg de prijs zelfs naar het vijfvoudige daarvan. De Ranitz wist tegen hoge kosten nog een voorraadje op te kopen. Dit kostbare bezit werd veiligheidshalve verstopt in de kamer van de hoofdverpleegster. In 1894 kon men hiermee 35 difteriepatiëntjes behandelen, maar de situatie was natuurlijk onhoudbaar.

Voor ziekenhuisdirecteur De Ranitz was dat het sein om in actie te komen. Door publiciteit in de kranten wist hij 12.000 gulden bij elkaar te krijgen. Eerst werd het toxine geïsoleerd, waarmee men paarden wilde gaan inspuiten. Dagblad De Tijd berichtte op 15 april 1895 dat het kinderziekenhuis een trampaard had aangeschaft, toepasselijk Roux gedoopt, dat al bij de tweede poging antidifterieserum had geleverd. Daarnaast was voor een sterk gereduceerde prijs een luxe paard aangeschaft, Behring gedoopt. Het paardenstel werd gratis gestald bij de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij op de Overtoom.

Rijksvaccinatieprogramma

De resultaten waren spectaculair. In 1893 waren nog 89 van de 196 difteriepatiënten gestorven. Al in het eerste jaar dat de paarden Roux en Behring serum produceerden, overleden nog maar 34 van de 391 kinderen. De Ranitz gaf een deel van het wondermiddel gratis aan andere klinieken, waardoor de macht van de speculanten werd gebroken. De actie drukte zwaar op de begroting van het ziekenhuis, maar al snel nam de Utrechtse universiteit de productie van het serum over.

Ondanks het serum zou difterie nog decennia een probleem blijven, doordat de inenting niet de hele bevolking bereikte. Het Emma Kinderziekenhuis nam in 1907 een nieuw isolatie­gebouw in gebruik om de vele difteriepatiënten te kunnen opvangen. Ook laaide de ziekte weer op tijdens de Tweede ­Wereldoorlog. Pas met de invoering van het rijksvaccinatieprogramma in 1953, waarin difterie werd opgenomen, verdween de ziekte voorgoed uit Nederland.

De luchtpijpoperatie van 1881

De jonge Tilanus verrichtte in 1881 – als eerste in Nederland – in het Amsterdamse Emma Kinderziekenhuis bij vier difteriepatiëntjes een tracheotomieoperatie. Difterie, ook wel kroep genoemd, leidt tot ontsteking en zwelling van de keel en bovenste luchtwegen, waardoor verstikking dreigt. Bij de operatie probeert men in het strottenhoofd een gat te maken in de luchtpijp, waardoor weer lucht naar de longen kan stromen. Zo’n operatie liep lang niet altijd goed af.

Marius van Melle is historicus en vaste medewerker van Ons Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden