PlusGeschiedenis

Hoe de dames van Arie onrust veroorzaakten in Oud-Osdorp

Het poldergebied rond Badhoevedorp, Sloten en Oud-Osdorp is voortdurend aan verandering onderhevig, wat rest zijn de verhalen. Zoals over Arie, een zelfstandige zonder personeel avant la lettre met een zelf ontwikkeld bonussysteem. Een voorpublicatie uit de verhalenbundel Rondom de Sloterbrug van schrijvers Paul Kroes, Kees Schelling en Jan en Kees Loogman.

De hoek van de Osdorperweg en de Nieuwe Akerweg in Sloten in het midden van de jaren zestig. Beeld Stadsarchief Amsterdam

‘We wonen in Oud-Osdorp,” zeiden we altijd, hoewel je van een dorp niet spreken kon. Er was geen plein, geen kerk, geen pomp. Was het misschien de kern waaromheen je kon lopen, het rondje over de Osdorperweg en het Onderlaagje? Met de boerderij van Worm als grens aan de ene en die van Weerdenburg aan de andere kant?

Lang geleden stond in dit dorp wel een kerkgebouw, de Sint-Pancratiuskerk, met een toren die je komende van Halfweg of Amsterdam van veraf al kon zien. Tot het jaar 1836, toen blies een storm uit het Haarlemmermeer de spits in zijn geheel eraf. In 1901 werd de rest van de verzakte kerk gesloopt, een nieuwe kerk verrees in het dorp Sloten.

Als je nu het rondje loopt, blijkt vrijwel niets hetzelfde meer. Waar je boodschappen deed bij kruidenier Kok, brood kocht bij bakker Dekker en de dorst leste in café De Witte Muis, resteren nu huizen, een monumentale grafkelder en een benzinestation.

Die grafkelder was macaber. De sluitsteen voor de ingang was scheefgezakt, door een spleet zag je de kisten met hun kromgetrokken deksels staan. In mijn dromen staken er handen uit.

In het dorp zag je boerderijen, tuinderijen, arbeiders met hun gezinnen en een enkele vreemde snuiter. Iemand zoals Arie Kind. Arie woonde alleen, had geen vaste baan, ontving geen post. Hij hoorde nergens bij, ging niet naar een kerk, had in het dorp geen familie of vrienden. Een paardenstal was zijn huis. Achter op het erf van Anna’s hoeve, de inmiddels verdwenen boerderij van Willem Weerdenburg tegenover ons huis. Hij had geen water, gas en licht.

Op de zolder van die stal hadden wij een bende opgericht. De zwarte hand of zoiets. Belangrijkste wapenfeit: appels jatten in de boomgaard van Gerrit Vos.

Als we de vuile raampjes in de paardenstal schoonveegden om bij Arie naar binnen te gluren zag je zijn schamele meubeltjes en allerlei rotzooi, zoals roestige mollenklemmen, gevlochten touw en lege flessen. In een hoek van het vertrek hing aan de zolderbalken een scherm van grauwe jutezakken. Eronder zag je nog net zijn bed, een matras op groentekisten. Betrapte Arie je bij het koekeloeren dan kwam hij met gebalde vuist naar het raam en stoof je weg.

Mijn broer, die wel dicht bij Arie dorst te komen, vond hem een aardig man. Veel wisten we niet van hem. Eerst de rijkste man van Rotterdam, later de armste van Amsterdam, zo luidde zijn verhaal. Zijn geld verdiende hij als los werkman. Gebogen, met hoge rubberlaarzen aan zijn voeten, een alpino op zijn hoofd en een baggerbeugel op zijn schouder, sjouwde Arie door het dorp. Hij hielp de boeren met grasmaaien, met hooien, hij sleepte met trekschuiten en baggerde poldersloten uit die schoon moesten zijn voor de jaarlijkse schouw.

Arie was een zelfstandige zonder personeel avant la lettre met een zelf ontwikkeld bonussysteem. Bij het eerste ochtendgloren, aan de rand van het kniehoge groen, scherpte hij met een strijkhout zijn zeis. Vervolgens smeet hij een goedgevulde kruik met jenever voor zich uit in het hoge gras, spuwde in zijn handen en maaide als een bezetene naar de drank toe. En zo verder tot hij klaar, óf de kruik leeg was.

In De Witte Muis zoop Arie zich klem. Na sluitingstijd, als hij niet meer lopen kon, brachten zijn drinkebroers hem naar de paardenstal. In een kruiwagen, of als die niet voorhanden was, liggend op een deur.

Vrouwen liet hij komen. Een dame met rood, hoog opgestoken haar, naaldhakken en een lief gezicht woonde tijdelijk bij hem in. Ze was het gesprek van de dag.

Op een keer moet Arie een tweede vrouw hebben uitgenodigd waar de eerste niet van wist. Vlak voor ons raam ontstond een gevecht. Met onze neuzen tegen het glas zagen we hoe ze elkaar met hun tasjes mepten, de roodharige en de nieuwe met het ravenzwarte haar. Nadat het stof was neergedaald lag de weg bezaaid met vrouwendingen en vreemde pakjes zilverpapier. Er zaten rubbers in die je op kon blazen tot de grootste ballonnen ooit, die we thuis - tot moeders ontsteltenis - trots lieten zien.

Het moet gezegd: de dames veroorzaakten onrust in het dorp. Zowel bij de mannen als de vrouwen, al zal de aard van hun onrust niet hetzelfde zijn geweest. Dat alles was door een kleine jongen niet te beoordelen.

Arie maakte zich er niet druk om, al had hij misschien wat beter op moeten letten. Want in vroege ochtenden, niet lang nadat Arie de deur achter zich gesloten had om te gaan werken, nam een rossige dorpsknaap het warme plekje naast zijn dame in. Achter een scherm van grauwe jutezakken.

Paul Kroes (1956), Kees Schelling (1955) en Jan (1954) en Kees (1951) Loogman groeiden op in de polders rondom de Sloterbrug. Als zovelen waaierden ze rond hun twintigste levensjaar uit, gingen studeren, werken en begonnen een gezin. Maar de herinneringen aan Badhoevedorp, Sloten en Oud-Osdorp bleven. Met de verhalenbundel Rond de Sloterbrug keren de schrijvers terug naar hun wortels in de immer aan verandering onderhevige polder aan de rand van Amsterdam.

De bundel is te koop bij boekhandels Jaspers in Badhoevedorp, Meck en Holt in Osdorp en online: ronddesloterbrug.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden