Plus

Hoe Amsterdam in 1656 een Amerikaanse kolonie kreeg

In 1656 kreeg Amsterdam een Amerikaanse kolonie in de schoot geworpen. Het stadsbestuur ging heel ver in het aantrekken van kolonisten voor Nieuw-Nederland– tot en met de opmerkelijke, utopische geloofsgemeenschap van Pieter Cornelisz. Plockhoy.

Kaart van Nieuw-Nederland (in het Latijn Nova Belgica geheten) uit 1725, met linksonder de rivier Delaware, waar Plockhoy aan land ging. beeld Allard H. & OttensBeeld Allard H. & Ottens

Het is 9 juni 1662. In de Burgerzaal van het stadhuis staat een man peinzend bij de in marmer ingelegde wereldkaart op de vloer. In zijn handen klemt hij een oorkonde die hij zojuist heeft opgehaald in de Geheimschrijverskamer, zwierig ondertekend en vers bezegeld. Daarin staat zwart op wit dat de machtige burgemeesters van Amsterdam hun zegen hebben gegeven aan zijn plannen voor een gemeenschap in de stadskolonie. Amerika ligt aan zijn voeten. Pieter Cornelisz. Plockhoy talmt echter niet lang. Er is werk aan de winkel.

Dat Amsterdam een Amerikaanse kolonie had, was meer toeval dan opzet. Zeven jaar eerder had de armlastige West-Indische Compagnie een schip van de stad gehuurd om de Zweedse kolonie aan de Delaware – toen beter bekend als de Zuidrivier – te veroveren. Als betaling kreeg Amsterdam een deel van de kolonie aan de Zuidrivier aangeboden. De WIC hoopte bovendien dat de stad als mede-eigenaar de kolonisatie van Nieuw-Nederland krachtig zou bevorderen – dat was nodig omdat aan alle kanten Engelse kolonisten de opgeëiste gebieden binnenglipten.

Graanaanvoer

De burgemeesters en de vroedschap hadden wel oren naar een kolonie in Nieuw-Nederland. Door oorlog in het Oostzeegebied was de belangrijke graanaanvoer gestokt. Een Amerikaanse kolonie waar graan voor Amsterdam kon worden verbouwd, dat leek het stadsbestuur wel wat. Het gedeelde eigenaarschap leverde wrijvingen op. Uiteindelijk werd de WIC-bemoeienis geleidelijk teruggeschroefd.

De kolonisatie werd door Amsterdam krachtig ter hand genomen. Er was haast bij, want berichten over het binnensijpelen van Engelse kolonisten hielden aan. Tot verdriet van de Nederduitse Gereformeerde kerk waren ook Lutheranen, katholieken en doopsgezinden welkom. In augustus 1662 verleenden de burgemeesters zelfs toestemming aan een katholieke priester om naar Nieuwer-Amstel te gaan. Dat de schout van Nieuwer-Amstel zelf katholiek was, zal daar niet vreemd aan zijn geweest.

Ook Pieter Plockhoy zag zijn kans schoon. Al jaren poogde hij een waarlijk christelijke gemeenschap op te richten, waarbinnen iedereen gelijk was en het recht had om vrijuit zijn godsdienstige opvattingen te belijden. Plockhoy, in 1662 vermoedelijk ongeveer 45 jaar oud, kwam oorspronkelijk uit Zierikzee. Tussen 1649 en 1652 was hij doopsgezind voorganger in Middelburg geweest. Maar hij werd in 1654 uit de geloofsgemeente gezet vanwege – al dan niet vermeend – overspel. Het was het begin van een geestelijke zoektocht.

Vrij van slavernij

Na een mislukte poging tot het opzetten van een geloofskolonie in Ierland (zie kader) belandde Plockhoy in Amsterdam. Hij ging er diensten van de vrijzinnige collegianten bezoeken. Naar verluidt baarde hij er opzien door te beweren dat het ook voor christenen was toegestaan met meerdere vrouwen getrouwd te zijn. Zijn eigen echtgenote zat nog in Middelburg, maar werd begin 1663 lid van de doopsgezinde gemeente Bij het Lam, aan Singel 452. In Amsterdam wist Plockhoy de burgemeesters te overtuigen van zijn plan voor vestiging van een ‘onderlinge compagnie of volksplanting’ in de stadskolonie.

Zijn beoogde gemeenschap zou godsdienstig vrijzinnig zijn, met leden die gelijk waren en over alles gezamenlijk beslisten, en bovendien winstgevend. Ieder lid werd geacht nijver te werken, ‘alsoo wij met geen heerschappije ofte knechtische slavernije onze compagnie willen belasten.’ Met andere woorden, van slavernij kon geen sprake zijn – heel wat anders dan gebruikelijk in Nieuw-Nederland.

De bijzonder democratische inrichting van zijn christelijk vrijzinnige coöperatie was hoogst ongewoon. Maar blijkbaar was de koloniale mensenhonger zo groot dat de Amsterdamse burgemeesters bereid waren zo’n radicaal, utopisch plan te steunen. Plockhoy kreeg kosteloos een stuk grond aangeboden, zijn uitverkoren 25 kolonisten ieder een lening van 25 gulden. In de zomer van 1663 waagde Plockhoy met zijn – inmiddels 40 – medestanders de overtocht. Nabij de huidige plaats Lewes stond een Nederlands fortje, waar zij zich vestigden.

Winstgevender Suriname

De eerstvolgende zomer gooide de Engelse koning roet in het eten met de langverwachte aanval. De Engelsen veroverden heel Nieuw-Nederland en plunderden Plockhoys kolonie leeg. Toen de oorlog met Engeland in 1667 eindigde, was de Amsterdamse aandacht al verlegd naar het veel winstgevendere Suriname. Van Plockhoy en zijn plannen werd niets meer vernomen: waarschijnlijk is hij rond die tijd gestorven – hoe en wanneer is nog altijd onbekend. Zijn weduwe en kinderen woonden nog tientallen jaren in het hofje de Hoeksteen in de Oude Looiersstraat, deels afhankelijk van armenzorg door de doopsgezinde gemeente.

Zijn oudste en blinde zoon Cornelis keerde terug naar de Nieuwe Wereld, financieel ondersteund door de doopsgezinde diakenen. In 1682 vestigde hij zich in Lewes. Mogelijk kon hij daar bepaalde rechten doen gelden als erfgenaam van zijn vader. Maar de armoede achterhaalde hem ook in Amerika en vanaf 1694 werd hij met zijn vrouw opgevangen door de doopsgezinden van Germantown in Pennsylvanië. Zijn vaders plannen raakten in de vergetelheid, totdat ze eind 19de eeuw werden herontdekt.

Henk Looijesteijn is historicus en honorary fellow ­bij het Instituut voor Sociale Geschiedenis. Hij ­promoveerde in 2009 op leven en denken van Pieter Plockhoy. Dit artikel is een bewerking van een ­artikel uit Ons Amsterdam.

De Engelse avonturen van Plockhoy

Tussen 1657 en 1660 verbleef Pieter Cornelisz. Plockhoy in Londen, waar hij staatsman Oliver Cromwell – en na diens dood zijn opvolgers – poogde ervan te overtuigen in plaats van kerken ontmoetingsplaatsen te bekostigen waar iedereen vrijuit van gedachten kon wisselen over godsdienstige zaken. Een ander project was het opzetten van een christelijke coöperatieve gemeenschap. Van een Ierse grootgrondbezitter kreeg hij een lap grond in erfpacht. Helaas voor Plockhoy gooide de grote politiek roet in het eten: de ernstig verdeelde Engelse republiek kwam ten val, de koning en de staatskerk keerden terug, in Ierland ruziede men over het grondbezit – niemand zat meer te wachten op de plannen van een godsdienstig onrechtzinnige buitenlander.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden