PlusInterview

Hield het laboratorium van de luchtvaart zich wel afzijdig tijdens de oorlog?

Het Nationaal Luchtvaartlaboratorium in Amsterdam hield zich tijdens de Tweede Wereldoorlog afzijdig. Althans, zo luidde de naoorlogse verantwoording. Oud-medewerker Bram Elsenaar ging na zijn pensioen op zoek naar de waarheid.

Een model van de ‘Schneekufe’ (sneeuwsloffen, zie kader) in de kleine windtunnel van het NLL. Beeld Archief Stichting Behoud Erfgoed Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum
Een model van de ‘Schneekufe’ (sneeuwsloffen, zie kader) in de kleine windtunnel van het NLL.Beeld Archief Stichting Behoud Erfgoed Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum

Vliegen werd in de begindagen vooral gezien als waaghalzerij, bron van volksvermaak. Maar de inzet van vliegtuigen in de Eerste Wereld­oorlog veranderde dat beeld geheel. Alleen al in Duitsland werden 40.000 vliegtuigen gebouwd, onder anderen door Anthony Fokker. Pas na de Vrede van Versailles maakte Nederland een inhaalslag. Met Anthony Fokker en Albert Plesman als grote aanjagers.

Vliegtuigbouwer Fokker had zijn bedrijf verplaatst van Duitsland naar Nederland, als gevolg van de strenge restricties die waren uitgevaardigd tegen de Duitse oorlogsindustrie. De in 1919 door Plesman opgerichte Koninklijke Luchtvaart Maatschappij ging al snel op Europa vliegen. De samenwerking van Fokker en Plesman om de luchtverbinding met Nederlands-Indië te verbeteren gaf vleugels aan de Nederlandse luchtvaartindustrie.

De ook in 1919 opgerichte Rijksstudiedienst voor de Luchtvaart kreeg een onderkomen op de Marinewerf in Amsterdam. Met een windtunnel, noodzakelijk voor aerodynamisch onderzoek. De wetenschappelijke staf was klein, maar genoot grote internationale bekendheid. In 1937 werd de Rijksdienst omgezet in een Stichting, het Nationaal Luchtvaartlaboratorium (NLL), met vertegenwoordigers van overheid en industrie in het bestuur. Door ruimtegebrek werd besloten tot nieuwbouw, dichter bij Schiphol aan de Sloterweg.

Meewerken met de bezetter

De Amsterdamse wetenschappers verkeerden regelmatig in het buitenland. De werkbezoeken naar Duitse onderzoeksinstituten gingen lang door, tot in augustus 1938. Door de oorlogsdreiging werd er steeds meer onderzoek verricht voor het Nederlandse leger. Er werd serieus rekening mee gehouden dat de Marinewerf bij het uitbreken van oorlog een strategisch doelwit zou zijn. Na de Duitse inval op 10 mei 1940 werden in allerijl nog documenten en eigendommen in veiligheid gebracht in het nieuwe onderkomen in aanbouw. Vier dagen na de capitulatie stond er al een Duitse wetenschappelijke delegatie op de stoep, om samenwerking te bespreken. En stond het NLL voor de keuze om wel of niet mee te werken met de bezetter.

Ingenieur Carel Koning was van 1940 tot 1952 directeur van het NLL. Beeld
Ingenieur Carel Koning was van 1940 tot 1952 directeur van het NLL.

Bram Elsenaar (77) werkte bijna veertig jaar bij het NLL. Als jonge ingenieur hoorde hij van oudere collega’s dat het verrichte onderzoek voor de bezetter ‘vredelievend’ en zeker niet ‘kriegswichtig’ was geweest. Dat bleek niet geheel conform de waarheid, leerde een Duitse studie uit 2009. Eenmaal met pensioen ging Elsenaar op zoek naar de waarheid. En die bleek minder eenduidig dan vooraf aangenomen.

Het NLL had in de vooroorlogse jaren veel ­contacten met Duitse onderzoeksinstituten. U schrijft dat directeur Carel Koning desondanks blind was voor het werk dat daar werd verricht voor de Duitse oorlogsindustrie.

“Koning bezocht in augustus 1938 de Aerodynamische Versuchsanstalt (AVA) in Göttingen. Maar mocht geen kijkje nemen bij de in opbouw zijnde Luftfahrtforschungsanstalt Hermann Göring in Braunschweig. Een Duitse collega sprak ook met klem tegen dat daar geheim onderzoek werd verricht. En hij geloofde dat. Sterker, hij schreef dat in Duitsland de belangstelling voor luchtvaartonderzoek groot was, maar vooral de militaire autoriteiten nog moesten worden overtuigd van de noodzaak.”

Heeft u een verklaring voor die blinde vlek?

“Ik denk echt dat hij naïef was, niet doorhad wat er aan het gebeuren was. Verblind wellicht door zijn fixatie op fundamenteel onderzoek, dat in Duitsland en Amsterdam werd verricht.”

Vier dagen na de capitulatie krijgt het NLL al bezoek van een Duitse delegatie, met oog op samenwerking. Had het laboratorium wel een keuze, zonder Nederlandse defensieorders?

“Het voortbestaan van het laboratorium stond voorop, was van landsbelang. Nieuwe betaalde opdrachten waren broodnodig. Afgesproken werd dat alleen werk in opdracht van AVA zou worden uitgevoerd. Zolang het ging om zuiver wetenschappelijk onderzoek, was er niets aan de hand. Wat het complex maakte is dat sommige onderzoeksuitkomsten toepasbaar waren voor zowel civiele als militaire doeleinden.”

Dat daarbij niet altijd de echte opdrachtgever in Duitsland kenbaar werd gemaakt, kwam in Amsterdam wel mooi uit?

“Aan Duitse zijde was de nood aan onderzoek groot. Het werk dat men kreeg sloot naadloos aan bij het al lopende onderzoek. Maar een belangrijk deel van de in Amsterdam uitgevoerde onderzoeken viel wel in de categorie durchaus kriegswichtig. Ongeveer 20 procent van de opdrachten was afkomstig van Messerschmitt, Arado en Junkers, maar dit werd door opdrachtgever AVA bewust verzwegen.”

Uiteindelijk concludeert u dat er twee parallelle werelden bestonden. Dat zowel het Luchtvaartlaboratorium als de Duitse opdrachtgevers er baat bij hadden zaken voor elkaar geheim te houden.

“Tot vrij recent was het beeld dat het NLL als een van de weinige bedrijven niet voor nazi-Duitsland had gewerkt. Ondanks het feit dat het overgrote deel van de inkomsten tijdens de oorlog van Duitse zijde afkomstig was. Naast directeur Koning stond de financieel directeur, Chaillet. Hij was actief in het landelijk opererende Nationaal Comité van Verzet en maakte handig gebruik van de speciale positie van het NLL. Chaillet werd in 1944 opgepakt en keerde na de oorlog terug uit Sachsenhausen. Voor het NLL waren de AVA-opdrachten essentieel voor het voortbestaan en ook een dekmantel voor verzetsactiviteiten. Voor de AVA dienden ze de opbouw van de Luftwaffe.”

Bram Elsenaar, Onder de vleugels van Göttingen. Het Nationaal Luchtvaartlaboratorium in de Tweede Wereldoorlog, Aspekt, €24,95, 336 blz.

Sneeuwsloffen

Opmerkelijk is dat alleen bij de onderzoeksopdracht voor ‘sneeuwsloffen’ voor de jachtbommenwerper Junkers 87, beter bekend als de Stuka, het oorlogsbelang werd onderstreept. Het betrof een opdracht van het Nederlandse bedrijf Van Berkel’s Patent, die deze skies voor vliegtuigen ontwikkelde en produceerde. Volgens Bram Elsenaar wilde men van Duitse zijde het belang benadrukken, getuige de met ‘Heil Hitler’ ondertekende en van hakenkruis voorziene brief. Die sneeuwsloffen werden ­mogelijk later toegepast aan het Oostfront.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden