Plus Vogelen

Het Westelijk Havengebied is een vogelparadijs tussen de terminals

De oeverzwaluw. Beeld Ted Struwer

Vogelaar Arjan Dwarshuis speurt deze zomer Amsterdamse parken, bossen en achtertuinen af naar de ruim driehonderd ­vogelsoorten die de stad rijk is. Deze week: de ‘Grand Canyon’, een haast onneembare vesting voor stadse oeverzwaluwen.

Diep in het Westelijk Havengebied, weggestopt tussen olieterminals en bedrijventerreinen, ligt een groen paradijs, waar rugstreeppadden ratelen, orchideeën bloeien en veldleeuweriken baltsen; een tijdelijk stukje topnatuur dat ooit door de mens is gecreëerd en binnenkort ook weer door de mens zal worden opgeslokt. In de verste uithoek van deze verborgen wereld, tegen het Noordzeekanaal aan, staat een miniatuurversie van de Grand Canyon: een steil afgekalfde, metershoge zandheuvel, met tientallen ronde gaten ter grootte van tennisballen. Dit zijn de nestingangen van een oeverzwaluwkolonie: tunnels van soms wel een meter diep die door de 12 centimeter grote zwaluwen zelf met hun krachtige klauwtjes zijn uitgegraven. Aan het eind van elke tunnel ligt een kleine kamer met daarin een nestje van stro en veertjes, waarin het zwaluwvrouwtje, rond half mei, vier tot zes ovale witte eitjes legt.

Ik richt mijn telescoop op een van de gaten en zie twee bijna vliegvlugge jongen dicht tegen elkaar aan gepropt in de nestingang zitten. Ze hebben hun zachte donsveertjes inmiddels verruild voor een bruingrijs verenkleed en net als bij hun ouders wordt hun witte keel en buik gescheiden door een kenmerkende borstband. Telkens als pa of ma voorbij komt vliegen, sperren ze hun oranje bekjes wagenwijd open en laten ze een tjirpende bedelroep horen.

Nadat ze de honger van hun jongen gestild hebben met wat eiwitrijke insectjes, wringen de ouders zich langs hun kroost de tunnel binnen, om even later weer met een wit zakje in hun bek tevoorschijn te komen. Zangvogelkuikens ­poepen en plassen rechtstreeks in een stevig, door de darmwand aangemaakt vliesje – het vogelequivalent van een luier. Dit poepzakje kan vervolgens eenvoudig door de ouders worden verwijderd, waardoor het nest schoon en hygiënisch blijft.

Doodstil

Er breekt paniek uit: de oeverzwaluwen vliegen luidt roepend alle kanten op en de jonkies kruipen terug hun tunnels in. De veroorzaker is een torenvalk, een kleine, slanke roofvogel met een zwartgevlekte, lichtbeige onderzijde, kastanjebruine bovenzijde en grijze kop en staart, die met soepele vleugelslagen op een paar meter hoogte over de kruidenrijke heuvel achter de kolonie vliegt. Gelukkig voor de oeverzwaluwen hebben ze niets van hem te duchten, want de torenvalk is een uitgesproken voedselspecialist die alleen geïnteresseerd is in veldmuizen, waar het van miegelt op de braakliggende terreinen in het Westelijk Havengebied.

Ineens blijft de torenvalk doodstil op één punt in de lucht hangen, met zijn blik gefixeerd op de grond beneden hem, terwijl hij snel met zijn vleugels klapt en bijstuurt met zijn afhangende, waaiervormige staart. Dit gedrag staat beter bekend als bidden. Tot voor kort dacht men dat torenvalken het uv-licht van muizenurine konden zien en zo de loopgangen van de knaagdieren opspoorden, maar een recente studie heeft dit verhaal naar het rijk de fabelen verwezen: torenvalken hebben ‘gewoon’ een exceptioneel goed zichtvermogen, niets meer en niets minder.

Onneembare vesting

De valk laat zich in glijvlucht naar beneden vallen en verdwijnt in de kniehoge vegetatie. Vlak daarna komt hij met een vette veldmuis in zijn klauwen tevoorschijn, die hij even verderop op een paaltje oppeuzelt, waarna de rust in de ­oeverzwaluwkolonie wederkeert.

Voor predatoren vormt de metershoge steile zandwand een haast onneembare vesting, waardoor de kuikens, tot ze hun vleugels openslaan, een betrekkelijk zorgeloos bestaan ­leiden. Tegen één gevaar is de oeverzwaluw­kolonie echter niet bestand: de graafmachine. Oeverzwaluwen broeden namelijk dikwijls op indus­trieterreinen of bouwplaatsen. Als een kolonie de bouwwerkzaamheden in de weg ligt, kan het zomaar gebeuren dat deze, met kuikens en al, met de grond gelijk wordt gemaakt, ook al is dit bij wet verboden.

Ironisch genoeg is de oeverzwaluwkolonie in de Afrikahaven juist gered door een graaf­machine. De oude oeverzwaluwwand was door continue erosie niet steil genoeg meer, waardoor de lokale hermelijn zijn kans schoon zag en één voor één de nesten leegroofde. Voormalig stadsecoloog Martin Melchers besloot een reddingsoperatie uit te voeren en liet, speciaal voor de oeverzwaluwen, een nieuwe wand afsteken met de graafmachine. Met succes, want dit jaar zijn er al tientallen jonge oeverzwaluwen uit­vlogen.

Weemoedig

Melchers zet zich al tientallen jaren in voor de natuur in het Westelijk Havengebied, ook nu hij met pensioen is. Als er ergens gebouwd moet worden, vangt hij de aanwezige rugstreeppadden en vervoert hij ze op zijn fiets naar een veilige locatie, hij graaft riet- en bijenorchissen uit om ze in nabijgelegen groenstroken te herplanten en waarschuwt havenarbeiders om met een grote boog om de aanwezige veldleeuweriknesten heen te lopen.

In de jaren tachtig en negentig inventariseerde hij strandplevieren op de uitgestrekte braakliggende terreinen. Toen broedden hier maar liefst zestig paartjes van deze ernstig bedreigde vogel, die zijn nu allemaal verdwenen. Alleen enkele broedpaartjes van de algemenere kleine plevier weten zich nog te handhaven tussen de oprukkende industrie. Uiteindelijk zullen ook zij, net als de rugstreeppadden, gedwongen moeten verhuizen.

Het stemt Melchers weemoedig dat al deze natuur, die hij voor zijn ogen heeft zien ontstaan, binnenkort tot het verleden zal behoren. Toch is hij vooral dankbaar dat hij de gloriedagen van dit gebied nog heeft meegemaakt, want van meet af aan wist hij dat deze natuur gedoemd was om te verdwijnen.

Havenvogels

Ze handhaven zich tussen de oprukkende ­industrie, in een tijdelijke stukje natuur, dat binnenkort tot de verleden tijd zal behoren. 

Oeverzwaluw
Kleinste Nederlandse zwaluw, met licht­gevorkte staart, grijsbruin verenkleed, witte onderzijde en kenmerkende donkere borstband. Zomergast, broedt in zelf uitgegraven tunnels in steile zandwanden.

De oeverzwaluw. Beeld Ted Struwer

Torenvalk
Kleine, slanke valk, met zwartgevlekte, lichtbeige onderzijde, kastanjebruine bovenzijde, grijze kop en lange, waaiervormige grijze staart met contrasterende zwarte eindband. Broedvogel van open terreinen waar hij jaagt op muizen door te ‘bidden’.

De torenvalk. Beeld Ted Struwer

Veldleeuwerik
Grijsbruine, markant gestreepte zangvogel, met fijne borststreping, lichte wenkbrauwstreep en korte kuif. Broedvogel van gras­landen en ruigtes waar hij als een muis over de grond scharrelt. Minuten durende rollende zangvlucht tot meer dan 100 meter hoogte. Bedreigd: sinds de jaren zeventig met 95 ­procent achteruitgegaan.

De veldleeuwerik. Beeld Ted Struwer

Kleine plevier
Kleine steltloper met grijsbruine bovenzijde, witte onderzijde, markant zwart-wit kop­patroon, zwarte borstband, lichtroze poten en subtiele gele oogring. Zomergast, broedvogel van open, zandige terreinen, meestal in de buurt van water. 

De kleine plevier. Beeld Ted Struwer

Zomerserie

Arjan Dwarshuis heeft in veertig landen bijna 7000 vogelsoorten ­gespot. Hij schreef er het boek Een ­bevlogen jaar over. In deze ­zomerserie richt hij zijn verrekijker op de vogels in Amsterdam.

1. De stad
2. Vondelpark
3. Schinkelbos
4. Westelijk ­Havengebied
5. Amsterdamse Bos
6. Polder IJdoorn en Kinseldam
7. Waterland

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden