PlusAchtergrond

Het was een soort filmfestival van Cannes, maar dan in het chique Concertgebouw

Aan ambities geen gebrek. Zes weken lang was er in het chique Concertgebouw een internationale tentoonstelling over de film. De Nederlandse filmwereld wilde in 1920 iets bewijzen: de cinematografie was geen ratjetoe van slechte smaak.

Reclame voor de tentoon­stelling, die bewees dat film het kermisstadium was ontgroeid. Beeld Ons Amsterdam/ Stadsarchief

De ‘nieuwigheden’ buitelden over elkaar heen in de zomer van 1920 op de Internationale Kino-Tentoonstelling in het Concertgebouw. De betrekkelijk jonge filmwereld wilde laten zien wat zij allemaal niet in huis had. Zo was er een standhouder die een apparaat presenteerde om een film bij vol daglicht in een schoolklas te vertonen. ‘Velen zullen misschien zeggen, dat die vinding nooit gedaan had moeten zijn. Maar ze is er nu eenmaal,’ schreef een verslaggever.

Een beurs voor de filmbranche. Niet in een fabriekshal of in het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein, wat voor de hand had gelegen, maar nota bene in het chique Concertgebouw aan het Museumplein, een uithoek van de stad. Alle stoelen uit de grote zaal waren eruit gehaald om ruimte bieden aan stands. De bovenfoyer fungeerde als bioscoopzaaltje, een ruwhouten loods in de tuin als filmstudio.

Aan ambities was geen gebrek. De tentoonstelling moest een prachtige uitstalkast zijn van ‘alles wat behoort tot het gebied der Cinematografie, Fotografie, Theater- en Atelierinrichting’. Filmbedrijven uit de hele wereld zouden hun allernieuwste opnameapparatuur en filmprojectoren presenteren. Achteraf klinkt het als een voorloper van de International Broadcasting Conference (IBC) in de RAI, waar in normale tijden jaarlijks zo’n 40.000 professionals uit de hele wereld op afkomen.

De filmmanifestatie van 12 augustus tot 21 september 1920 was veel meer dan een beurs voor vakbroeders. De bioscopen, die in de eerste decen­nia van de nieuwe eeuw met duizelingwekkende snelheid in alle steden en dorpen van de wereld uit de grond werden gestampt, lagen zwaar onder vuur. Moord, doodslag, ontrouw, overspel – ze gingen in de duistere zalen aller landen rond als een virus. Zelfcensuur ontbrak bij de filmmakers, plaatselijke overheden hanteerden regelmatig de schaar. Uit de rijen van opvoeders en kerken klonken de protesten luider en luider.

Kermisbioscoop

Het Concertgebouw was niet voor niets gekozen als locatie voor de tentoonstelling: die moest film een betere naam bezorgen. Ook film was kunst. Het filmbedrijf kon in het Concertgebouw laten zien dat sinds de rondreizende kermisbioscoop veel was veranderd. ‘Het zal dan ook de taak wezen op deze tentoonstelling, wil zij werkelijk vruchten afwerpen voor het bioscoopbedrijf, aan te toonen, dat de vermaaksbioscoop een nieuwe kunst is,’ schreef bioscoopexploitant, regisseur en producent Johan Gildemeijer in het blad Kunst en amusement.

Uniek was het Amsterdamse initiatief niet. De Franse filmindustrie had geijverd voor een soortgelijk evenement in het Grand Palais in Parijs. Maar in de schaduw van de Eerste Wereldoorlog weigerden de Franse organisatoren de belangrijke Duitse filmindustrie uit te nodigen. In de ogen van Gildemeijer, voorzitter van het uitvoerend comité van de Internationale Kino-Tentoonstelling, was de manifestatie in het neutrale Nederland ook een verzoeningspoging tussen de Franse en Duitse filmindustrie.

Het zat de organisatoren niet mee. De oorspronkelijke openingsdatum werd niet gehaald. Burgemeester Jan Willem Tellegen, erevoorzitter van het organisatiecomité, bleef om onduidelijke redenen weg bij de opening. Amerikaanse firma’s lieten verstek gaan, de Engelsen waren mager vertegenwoordigd. De Duitse inzending, met onder meer de firma Krupp – ‘Ze laat haar kanonnenstaal nu omsmeden tot kino’s’– overtrof in omvang de Franse, met Pathé en Gaumont. In de gelederen van Nederlandse bioscoopexploitanten klonk vooral gemor. Waarom werd de wekelijkse filmbeurs in Kras­napolsky, met in de buurt talloze fijne cafés en restaurants, verplaatst naar het verre Zuid?

Minifestivalletje à la Cannes

Het charmeoffensief van het filmbedrijf leek niettemin te slagen. Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen Johannes de Visser liet zijn gezicht zien op de tentoonstelling. In de stand van de Universum Film Akt. Gesellschaft (UFA) uit Berlijn kon hij zijn hart ophalen aan onderwijsfilms op welhaast elk gebied: van zoö­logie, biologie, geografie en techniek tot landbouwkunde en medische wetenschap. Amsterdamse doktoren, verpleegsters en studenten bezochten een speciale vertoning van een film over geslachtsziekten. ‘Ze werden in al hunne afschuwelijkheid op het doek gebracht. De vertooning was niet toegankelijk voor het publiek. Wat eigenlijk jammer was. Want Jan Publiek kon hier veel leeren.’

De tentoonstelling ontpopte zich ten slotte ook als een minifestivalletje à la Cannes. La deuxième symphonie van regisseur Abel Gance won de eerste prijs. De organisatie strooide ook met gouden en zilveren medailles en diploma’s, zoals in die tijd gebruikelijk op tentoonstellingen. Filmfabriek Hollandia in Haarlem ontving een medaille voor Cinematografie. De Gemeente-Electriciteitswerken won de prijs voor de beste technische inzending.

De prijzenregen kon het fiasco niet verbloemen. Het aantal bezoekers viel tegen, de begroting vertoonde een gapend gat. Een paar dagen voor het slotfeest stelde Wieger Idzerda, cameraman, regisseur en auteur van boeken over fotografie, in De Groene de pijnlijke vraag of ons land wel de aangewezen plaats was voor een internationale filmtentoonstelling: ‘De Nederlandse filmstukken houden geen gelijke tred met die van andere landen.’ Om eraan toe te voegen: ‘Voor 15 jaren stond de bioscoop op de Kermis. Zij staat er feitelijk nog.’

Bioscopische schietstand

Curieuze bezoekers waren er ook. De commandant van de Stelling van Amsterdam en zijn collega van de Burgerwacht toonden interesse in de ‘bioscopischen schiet­stand’, een schiettent waar het publiek kon mikken op ‘levende kino-beelden’: een verre voorloper van het videospelletje. ‘Zoodra een schot gelost is, vertoont zich in het doek – ter plaatse waar dit geraakt wordt – een lichtje, en blijft het beeld een paar tellen stilstaan, zoodat de schutter in staat is zijn schot nauwkeurig te controleeren.’

Harry Hosman werkt aan het project en het boek Amsterdam in film en tv-serie. Dit is een ingekorte versie van zijn artikel in het zomernummer van Ons Amsterdamonsamsterdam.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden