PlusAchtergrond

Het vergeten congres van 1931: op zoek naar de aanpak van de wereldwerkeloosheid

Negentig jaar geleden begon in Amsterdam een opmerkelijk internationaal congres over de aanpak van de wereldwijde werkloosheids­crisis. Plaats van handeling: het Koloniaal Instituut.

Groepsfoto van de congresdeelnemers, met aanjager Mary Fleddérus op de eerste rij.  Beeld Stadsarchief Rotterdam
Groepsfoto van de congresdeelnemers, met aanjager Mary Fleddérus op de eerste rij.Beeld Stadsarchief Rotterdam

Midden in wat later de Grote Depressie zou worden genoemd, verzamelden zich op 23 augustus 1931 zo’n vijfhonderd vooraanstaande wetenschappers en zakenlieden uit 23 verschillende landen in het Koloniaal Instituut om daar een week lang te discussiëren over de grote sociaaleconomische uitdagingen van de tijd. Initiatiefnemer was het International Industrial Relations Institute (IRI), waar­binnen de Nederlandse sociaal hervormer Mary Fleddérus een drijvende kracht was. Nederlandse kranten volgden het congres dagelijks op de voet.

De economische crisis en de massale werkloosheid hadden het vertrouwen in de heilzame werking van de vrije markt aangetast. Door de westerse landen werden mogelijkheden naar een nieuwe ordening verkend, buiten het kapitalisme en het communisme om. Het congres presenteerde zich nadrukkelijk als apolitiek en planning en rationaliteit waren de nieuwe ­beloftevolle begrippen.

De openingstoespraak was van de net afgetreden Amsterdamse wethouder Floor Wibaut, die zijn hoop uitsprak op internationale solidariteit. Geen vanzelfsprekendheid, te midden van de opkomst van fascisme en protectionisme en de spanningen tussen de kapitalistische en communistische ideologieën.

Maakbaarheidsdenken

Bijzondere aandacht ging uit naar de vertegenwoordigers van de Sovjet-Unie. Het was de eerste keer dat Sovjetafgezanten naar het Westen waren gereisd om hun vijfjarenplannen internationaal te bespreken. Men keek naar hen met evenveel bewondering voor de Russische industrialisatie, die zich in een moordend tempo voltrok, als scepsis over de manier waarop dat gebeurde – en ten koste waarvan. Stalins afgezant Valerian Obolenski toonde zich opvallend bescheiden. Hij gaf toe dat Russische arbeiders veel offers moesten brengen en dat de bevolking nog niet leefde op het Amerikaanse welvaartspeil. Enkele jaren later zou Obolenski de ­stalinistische zuiveringen niet overleven.

De VS hadden een grote afvaardiging uit de hoek van het ‘scientific management’, de rationele en wetenschappelijke beschouwing van ­arbeid. Werk moest worden gestandaardiseerd en gecontroleerd om het zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. De mens moest daarin worden geoptimaliseerd, met de stopwatch als exemplarisch instrument.

In de VS was bijzondere aandacht voor de ‘technische’ benadering en staatsinterventie. Het maakbaarheidsdenken was dominant en ingenieurs wonnen aan betekenis. De Amerikaanse president van dat moment, Herbert Hoover, was een ingenieur, maar zijn beleid werd niet beschouwd als een groot succes. In het werk van zijn opvolger Franklin D. Roosevelt kwam echter veel van zijn denken terug. Het staatsinterventionistische programma The New Deal van Roosevelt geldt als voorbeeld voor het economisch herstelplan van de huidige president Joe Biden.

Wetenschappelijke planning

De grote ster op het congres was de Oostenrijkse intellectueel Otto Neurath (1882-1945), vooraanstaand lid van de Wiener Kreis, een groep denkers die geloofden in wetenschappelijke ­feitelijkheid. Neurath stelde dat de mondiale ­ellende een gevolg was van slechte organisatie. De productiecapaciteit was in potentie ruim ­genoeg om wereldwijd alle monden te voeden, maar de oriëntatie op winstmaximalisatie leidde volgens hem altijd tot onderbenutting. Het marktprincipe zou per definitie tot ondoel­matigheid leiden.

Neurath bekritiseerde de gangbare economische orde en pleitte voor een systeem van alomvattende, op wetenschappelijke grondslag gerichte planning. De wereld als reusachtige fabriek. Neurath was echter geen marxist. Hij had niks tegen privé-eigendom en vond dat er best rijke en minder rijke mensen mochten zijn. Zijn doel: het maximaliseren van het geluk van zo veel mogelijk mensen.

Neurath was een eigenzinnige intellectueel, die in zijn tijd groot aanzien genoot en even later door de politieke ontwikkelingen in Oostenrijk tot aan de Duitse inval in Nederland zou leven. Een van zijn paradepaardjes was de Naturalwirtschaft, een functionerende economie zonder geld, want geld zou tot verspilling en onder­benutting leiden. Neurath was daarnaast, met name voor de tijdsgeest, behoorlijk progressief. Hij geloofde dat planning en samenwerking vrouwenonderdrukking, racisme en armoede de wereld uit konden helpen.

Rechtvaardige samenleving

Neurath maakte op het congres ook indruk door de kwaliteit van zijn presentatie: hij maakte gebruik van goed doordachte en met beelden verrijkte statistieken. Dat was nieuw en paste in zijn opvatting dat de democratische burger ­degelijk moest worden geïnformeerd, liefst met beelden met zorgvuldig beredeneerde kleuren.

Wat was de erfenis van het congres? Dat is moeilijk te zeggen. De technocratische insteek voor de oplossing van de maatschappelijke problemen bleek al snel een illusie. Toch werd het planningsdenken van deelnemers met een sociaaldemocratische achtergrond waarschijnlijk versterkt door het congres. Wibaut en ook Jan Tinbergen – van wie onlangs van de hand van Erwin Dekker een nieuwe biografie verscheen – schreven niet lang na het congres een boek waarin planning genoemd werd om een rechtvaardige samenleving te realiseren.

Neurath en Tinbergen hadden elkaar via de Weense fysicus Paul Ehrenfest, die in Leiden werkte, leren kennen. Tinbergen was nauw betrokken bij het in 1936 tot stand gekomen Plan van de Arbeid van de SDAP, waarin planning als belangrijk instrument werd genoemd. Neurath was er overigens weinig enthousiast over: hij noemde het ‘saai’ en vond dat er nauwelijks stimulerende ideeën in stonden. Neurath raakte betrokken bij ideeënuitwisselingen over een planningsinstituut, dat moest ontstaan naast het CBS. Hieruit kwam uiteindelijk, na de ­Tweede Wereldoorlog, het Centraal Planbureau (CPB) voort. Tinbergen was de eerste directeur. Daarmee leeft de geest van wat in 1931 in het ­Koloniaal Instituut te Amsterdam werd besproken, toch een beetje voort in Nederland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden