PlusAchtergrond

Het orgel van de Nieuwe Kerk kende zijn weerga niet, maar was wel omstreden

De Nieuwe Kerk is al eeuwen een plek voor nationale herdenkingen en koninklijke inhuldigingen. Hoog bovenin de kerk hangt het grote zeventiende-eeuwse orgel, ‘dat zyn weerga in gansch Neêrlant niet heeft.’

Het orgel van de Nieuwe Kerk, goed voor ‘een leugenachtigh, ja bedriegelijck geluyt door den Duyvel gedre­ven'. Beeld Dida Mulder
Het orgel van de Nieuwe Kerk, goed voor ‘een leugenachtigh, ja bedriegelijck geluyt door den Duyvel gedre­ven'.Beeld Dida Mulder

Historicus Olfert Dapper (1636-1689) vond het orgel van de Nieuwe Kerk het mooiste orgel van Nederland: ‘Ten Westen boven den ingang is ook een uitmuntendt en zeer groot nieuw orgel gestelt, dat zyn weerga in kostelijkheidt, noch wel klinkende toon, in gansch Neêrlant niet heeft,’ schreef hij.

De komst van het orgel had een dramatische voorgeschiedenis, die Dapper in zijn Historische Beschryving der Stadt Amsterdam uiteenzet: op 11 januari 1645 was een groot deel van de Nieuwe Kerk in vlammen opgegaan. De oorspronkelijke houten gewelven, het meubilair en de kunstschatten gingen daarbij verloren.

De Amsterdammers zaten echter niet bij de pakken neer. Op last van de burgemeesters en de vroedschap, de regering van de stad, werd met man en macht gewerkt aan het herstel. Op 10 mei 1648 opende de kerk weer haar deuren. Het nieuwe orgel was nog in de maak, net als het koorhek, een ontwerp van Johannes Lutma, met traliewerk in de vorm van plantenranken, fantasiezuiltjes en engelenkopjes. Aan de enorme preekstoel moest Albert Vinckenbrinck toen nog beginnen.

Het ongekend grote orgel tegen de westmuur, uiteindelijk uitgerust met 5005 pijpen, werd gebouwd door Hans Schonat, daarna vergroot en verbeterd door Jacob van Hagerbeer en voltooid door Roelof Barentszn Duyschot en zijn zoon Johannes. Stadhuisarchitect Jacob van Campen ontwierp de kas van het orgel en Jan Gerritszn van Bronchorst beschilderde de luiken. Beeldhouwer Artus Quellinus uit Antwerpen maakte de figuren op en onder het orgel. Die beelden lijken van marmer, maar de meeste zijn van beschilderd hout. Alleen de pilasters onderaan zijn van echt marmer.

Muziek als zangkunst

De onderwerpen op het orgel zullen door Van Campen zijn bedacht, in samenspraak met Quellinus. In 1655 werden zowel het stadhuis als het orgel feestelijk in gebruik genomen. Joost van den Vondel schreef er een lang gedicht op, de Inwydinge van ’t Stadhuis t’Amsterdam, waarin hij ook de herboren Nieuwe Kerk bezingt en de scènes op de orgelluiken bewondert: ‘Men ziet hier gene verf, maer louter ziel en leven.’

Op de binnen- en de buitenkant van de luiken staat het oudtestamentische verhaal over David en Saul uitgebeeld. Het beeldhouwwerk onder het middendeel van het orgel toont een menigte naakte kinderfiguurtjes, die ook al op verschillende muziekinstrumenten spelen. Daartussen lijken drie gevleugelde vrouwen het orgel te dragen. Het zijn sirenen, half vrouw, half vogel, die ‘orenstrelend’ kunnen zingen. Een vrouw met een liedbundel en een globe verbeeldt ‘de muziek als zangkunst’. Voor zulke personificaties bestonden handige voorbeeldboeken.

Alles op en rond het orgel heeft betekenis: een hemelglobe verwijst naar de hemelse oorsprong van harmonieuze samenklanken, de lier is het instrument van de god Apollo, beschermer van de kunsten en aanvoerder van de negen muzen, en ook de zwaan, die zijn kop met geopende snavel omhoog richt, zit daar niet zomaar. Het verhaal van de stervende zwaan, die in doodsnood de mooiste geluiden kan voortbrengen, komt bij veel auteurs uit de klassieke oudheid voor. Helemaal bovenaan het orgel staan nog eens twee muzen, Calliope en Polyhymnia, en tussen hen in alweer koning David, herkenbaar aan zijn harp en zijn scepter.

Streng gereformeerden hadden het liefst helemaal geen orgel in de kerk gezien. Het was in hun ogen overbodige luxe en zou mensen maar op zondige gedachten brengen. Met moeite hadden ze geaccepteerd dat veel stadsbestuurders orgelspel buiten de dienst toestonden (of zelfs aanmoedigden). Maar orgelspel bij de eredienst was ze echt een stap te ver.

‘Bedriegelijck geluyt’

Een groot voorstander van orgelmuziek was Constantijn Huygens, de secretaris van stadhouder Frederik Hendrik. Hij en Jacob van Campen kenden elkaar goed: Van Campen had Huygens geadviseerd bij het bouwen van zijn huizen in Den Haag en Voorburg, en ook een portret geschilderd van Huygens met zijn vrouw Suzanna van Baerle.

Huygens publiceerde in 1641 het boekje Gebruyck en Ongebruyck van ’t Orgel in de Kercken der Vereenighde ­Nederlanden. Hij ergerde zich aan het valse gezang in de kerk: ‘(…) het laet sich onder ons veeltijds aenhooren, als ofter meer gehuylt oft geschreeuwt dan menschelick ghesongen worden.’

Orgelbegeleiding verbeterde de samenzang en bovendien bleven de gemeenteleden bij het verlaten van de kerk door de orgelmuziek in een vrome stemming en vervielen ze niet in het ‘beklappen’ van het lief en leed van de familie, in geklets over gezondheid of nieuwe kleren. Dat orgelspel ‘te werelds’ voor de kerk was, vond Huygens onzin: binnen de kerken werden immers ook ‘met wereldschen pronk’ begrafenissen gehouden.

Detail van het orgel. Behalve de pilaren eronder is alles wat marmer lijkt beschilderd hout. Beeld Stadsarchief Amsterdam
Detail van het orgel. Behalve de pilaren eronder is alles wat marmer lijkt beschilderd hout.Beeld Stadsarchief Amsterdam

Tegenstanders bekritiseerden Huygens, met name de Utrechtse theoloog Gisbert Voetius. Het felst toonde zich de bejaarde Haagse predikant Johan Jansz Calckman. Orgelspel was ‘een leugenachtigh ja bedriegelijck geluyt door den Duyvel gedreven,’ schreef hij in Antidotum. Dat was al kras, maar vervolgens viel hij Huygens en de stadsbestuurders aan en hoonde dat ze met een zware molensteen om de nek in zee geworpen moesten worden. Van de Haagse Kerkenraad moest hij excuses maken. Uiteindelijk werd het pleit gewonnen door Huygens. Geleidelijk gingen de Hollandse steden overstag, Amsterdam in 1680. Vanaf dat jaar klonk het orgel in De Nieuwe Kerk ook bij het psalmgezang tijdens de diensten.

Befaamde organisten

Niet de minsten bespeelden het orgel in de Nieuwe Kerk. Anthoni van Noordt, telg uit een beroemde Amsterdamse organistenfamilie, werd in 1664 als organist aangesteld in de Nieuwe Kerk en bleef bijna tien jaar. Hij was een leerling van Dirck Jansz Sweelinck, zoon van de beroemde Jan Pietersz Sweelinck, allebei organist van de Oude Kerk. Van Noordt publiceerde in 1659 het Tabulatuur-Boeck van Psalmen en Fantasyen, dat bewerkingen voor orgel bevat van enkele psalmen en zeven fantasieën. Meer recent was Gustav Leonhardt (1928-2012) vaste organist; Bernard Winsemius is dat sinds 1981. Op 1 januari 2013 is ook Henk Verhoef benoemd tot vaste organist.

Dit is een bewerking van een artikel uit het zomernummer van Ons Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden