Plus Geschiedenis

Het Museumplein was een speelruimte in naoorlogse betonwoestijn

Het basketbalveld op het Museumplein bestaat 65 jaar. Het werd in 1954 geopend als antwoord op de oprukkende stad. Basket­ballegende Ton Boot vervolmaakte hier als schooljongen al spelend zijn spel.

Basketballende jongeren op het Museumplein in 1955. Beeld Stadsarchief

Het Museumplein is de wieg van heel veel sporten. Van atletiek bijvoorbeeld. In 1886 was op deze plek de eerste officiële wedstrijd van Nederland, toen nog een ‘hardlooperij’ genoemd.

Ook voor het Nederlandse basketbal is dit plein heel belangrijk, want hier werd in 1954 de buitenlucht opgezocht, deze week precies 65 jaar geleden. Tot dat moment was basketbal in Nederland strikt een binnensport geweest, vanaf 1930 in het gebouw van de AMVJ bij het Leidseplein en later ook in de Apollohal.

Op 16 oktober 1954 stonden er tientallen jongens en meisjes op het Museumplein klaar om de nieuwe basketbal- en volleybalvelden te ­bestormen. ‘De drumband Oranje Nassau sloeg er zijn mooiste roffels voor,’ schreef de verslaggever van De Waarheid, waarna een lange reeks toespraken van stedelijke notabelen volgde. Pas daarna werd het veld overgenomen door de ­jonge sporters.

Bouwverbod uit 1942

Het belang van dit basketbalveld reikte veel ­verder dan wat vierkante meters erbij voor de beoefenaars van de sport. Het was vooral een antwoord op de betonwoestijn, die tijdens de wederopbouw genadeloos oprukte. Overal verrezen nieuwe huizen, nieuwe wegen en nieuwe fabrieken, maar voor sport en recreatie was geen aandacht. 

Een nationaal bouwverbod uit 1942 voor gymnastieklokalen werd na de bevrijding simpelweg gehandhaafd, tot woede van de sportverenigingen. De gemeente Amsterdam ramde begin jaren vijftig hoogstens wat basketbalpalen in de grond van braakliggend terrein, zoals in 1951 bij de Jozef Israëlskade.

Een gebrek aan licht en lucht was in 1952 reden om de Sportraad Amsterdam op te richten. ‘Meer sportterreinen, meer oefengelegenheden voor indoorsporten, samenwerking in het ­belang van de sport,’ claimde dit nieuwe orgaan meteen bij aanvang, tot ergernis van de verantwoordelijke PvdA-wethouder Albert de Roos.

Twee jaar later legde de raad haar zorgen vast in een nota: ‘De terreinnood is veelal een naoorlogs verschijnsel; gedurende de bezettingsjaren gingen vele terreinen verloren. Bovendien kon er in die jaren en kort na de bevrijding nauwelijks aandacht worden besteed aan de aanleg van nieuwe complexen, zodat geen voorzieningen worden getroffen in verband met het sterk groeiende aantal sportbeoefenaren.’

Uit pure verveling trokken jongeren daarom baldadig door de stad, waar ook het Algemeen Handelsblad zich erg bezorgd over maakte. ‘Het kind dat alleen maar eens flink wil uitrennen in die anderhalf uur die ligt tussen het gedwongen stilzitten op school en de maaltijd thuis, waar moet dat kind naar toe in Amsterdam?’ schreef de krant op 12 januari 1951. ‘Waar kan je hier een geïmproviseerd rovertjesspel doen, waar krijgertje spelen, waar spanning en avontuur beleven zonder onder een auto te komen of door een agent te worden berispt?’

Centrum van het universum

Het Algemeen Handelsblad kwam met een concreet voorstel voor een speciaal speelterrein. ‘Een terrein dat voor dit doel al zo voor de hand ligt is het voormalige ijsclubveld op het Museumplein. Ten slotte is dat nu een drassig, nutteloos stuk grond, waar iedereen zich maar aan ergert.’ En precies daar werd drie jaar later het basketbalveld geopend, voor generaties aan basketballers het centrum van hun universum.

Hier lag ook de basis van Ton Boot, een van de beroemdste basketballers die Amsterdam heeft gekend. Het Parool had het zestig jaar geleden al scherp gezien in een eerste artikel over dit enorme talent. ‘Hij speelt in zijn vrije tijd regelmatig op het Museumplein, of elders; hij traint eigenlijk niet, maar vervolmaakt zijn spel al spelend.’

Zo oordeelt ook basketbalarchivaris Jacob Bergsma in een terugblik op deze sportlegende. ‘Voordat Ton Boot naar school ging, pijnigde hij zijn lichaam elke ochtend met het eindeloos herhalen van basketbalfundamentals. Dat ­begon met het iedere keer opnieuw ophangen van zijn eigen netje aan de kale, gemeentelijke ringen. Het nemen van 400 schoten was voor Boot niet genoeg; hij nam net zoveel schoten als nodig was om 400 keer raak te schieten!’

Erelid van de bond

Afgelopen zomer werd op het Museumplein het wereldkampioenschap 3x3 basketbal georganiseerd, een nieuwe variant van de sport. Vlak voor aanvang van het toernooi werd Boot gehuldigd tot erelid van de Nederlandse Basketball Bond – op de plek waar zijn imposante loopbaan was begonnen en met zicht op het veld waar zijn sport 65 jaar geleden de buitenlucht opzocht als statement tegen de oprukkende betonwoestijn.

Eerste club stamt uit 1931

De bakermat van het Nederlandse basketbal ligt in Amsterdam. In 1930 werd in het gebouw van de Algemene Maatschappij voor Jongeren (AMVJ) aan het Leidsebosje de eerste demonstratiewedstrijd gespeeld. Een jaar later richtte de AMVJ de eerste basketbalclub van Nederland op.

De vrouwen speelden in 1933 hun eerste officiële basketbalwedstrijd in het Turngebouw, nu Jeugdtheater De Krakeling. In het AMVJ-gebouw ging in 1934 ook de eerste basketbalcompetitie van Nederland van start met vijftien ploegen, waarvan zeven van de AMVJ.

Basketbal nam met de bevrijding in 1945 een enorme vlucht door de onderlinge wedstrijden tussen Canadese militairen. Twee jaar later werd in ­Amsterdam de Nederlandse Basketball Bond (NBB) opgericht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden