PlusAllard Pierson

Het 19de-eeuwse studentenleven: meisjes en drankgelagen

De kennismakingstijd ligt vanwege corona plat. Het Allard Pierson toont daarom onder meer groenenalbums, die een inkijkje geven in het 19de-eeuwse studentenleven.

Studentica van Christaan Frederik Schreve, met in het midden zijn groenen­album.Beeld Jakob Van Vliet

‘In de Plantage staat een huis, de Koningskroon geheten. Daar zijn dit jaar de groenen thuis. En worden er niet uitgesmeten.’ Conservator Esther Boeles ­citeert een gedicht uit het zogeheten groenen­album van Christiaan Schreve, een soort vriendenboekje waarin aankomende studenten zichzelf moesten introduceren met een vers, verhaal of ­tekening. Het betreft één van de slechts drie overgeleverde 19de-eeuwse Amsterdamse groenenboeken. De bijdragen variëren, zo ook de kwaliteit van tekst en tekeningen. Vaak gaan ze over meisjes, maar ook over drankgelag: ‘Zij drinken bier en heel veel bier. En eten een taai broodje. Maar gaan ze eindelijk van hier, Dan is’t een aardig zoodje.’

De collectie die Boeles beheert, toont de geschiedenis van onderwijs, onderzoek, studentenleven en de academische rituelen aan de Universiteit van Amsterdam (sinds 1877) en haar voorganger uit 1632, het Athenaeum Illustre. Deze verzameling is begonnen met de collectie portretten van beroemde en geleerde mannen – zoals Erasmus, Vondel, Vossius en Barlaeus – die Gerardus van Papenbroeck in 1743 aan het Athenaeum Illustre schonk. In de 20ste eeuw breidde de verzameling zich steeds verder uit met oraties, studentenalmanakken, prenten, penningen, collegedictaten, wetenschappelijke instrumenten, onderwijsmodellen, foto’s en archieven.

Studentica

Boeles is als conservator druk met het inrichten van een nieuwe vitrine met universiteits­geschiedenis, voor de tentoonstelling De Creatieve Stad, onderdeel van de nieuwe museumopstelling Van Nijl tot Amstel, die vanaf 15 september te zien is. Onderwerp van de eerste expositie is het 19de-eeuwse studentenleven.

Zo zal het groenenalbum van Christaan Frederik Schreve te zien zijn. Ook zijn nagelaten collectie studentica, waaronder uitnodigingen, deelnamebewijzen en menukaarten, geeft een mooi beeld van zijn studententijd. Schreve slaagde in 1892 voor zijn artsexamen. “Dat de kennismakingstijd door de coronamaatregelen plat ligt, leek me een aardige aanleiding om aandacht aan het studentenleven te besteden.”

Veel in de collecties draait om de hoogleraren, die met hun onderzoek natuurlijk hun stempel op de UvA hebben gedrukt. Daarom zijn hun archieven vaak bewaard en zijn ze vaak geportretteerd. “Maar zonder studenten geen universiteit.”

Ondanks dat er slechts drie groenenalbums in de collectie zitten, gaat Boeles ervan uit dat ze eind 19de eeuw in de mode waren. “Mijn collega in Utrecht heeft er een stuk meer in de collectie.” Stiekem hoopt ze dat ooit meer Amsterdamse exemplaren opduiken.

Classicus Aegidius W. Timmerman refereerde in zijn memoires (1938) naar het gebruik, in een anekdote over de groenbijdrage van de latere componist Alphons Diepenbrock: ‘Ik zei tot hem te gaan zitten en in het openliggend groenenboek een vers te schrijven en een teekening te maken, “en zet er dan bij wat je liefhebberij en je ideaal is, zooals je voorgangers deden, kijk maar na.” Ik weet niet of deze gewoonte nog onder studenten bestaat, maar in onze jeugd hield bijna iedereen er een groenenalbum op na.’

Bladerend in het groenenboek van Timmerman stuit de conservator op een bijdrage uit 1880 over Multatuli, slechts twintig jaar na het verschijnen van de Max Havelaar. “Kijk nou, geschreven door… Christaan Frederik Schreve! Hebben we gewoon even op een doordeweekse ochtend een heuse ontdekking gedaan.”

Kunstkenner en topchirurg

De Zwitser Otto Lanz (1865-1935) werd in 1902 hoog­leraar chirurgie aan de Amsterdamse Gemeentelijke Universiteit. Hij werd bekend met zijn studie naar de blindedarm, die volgens hem nergens voor diende. Als bewijs voerde hij met succes blindedarmoperaties uit op twee van zijn kinderen. Lanz maakte faam met het uitblijven van littekens na zijn operaties en was een verwoed verzamelaar van vroege Italiaanse kunst: hij omschreef zichzelf als de ‘beste kunstkenner onder chirurgen en beste chirurg onder kunstkenners’. Jan Toorop maakte in 1927 dit portret van de medicus. De kunstcollectie van Lanz werd in 1941 door zijn weduwe onder dwang afgestaan aan Hitler, voor zijn Führermuseum in Linz. Na de bevrijding keerden de werken terug naar Nederland.

Dit is de 13de aflevering uit een reeks over het Allard Pierson, het museum en kennisinstituut voor de erfgoedcollecties van de Universiteit van Amsterdam, dat in september vier jaar van veranderen, uitbreiden, verbouwen en herinrichten afrondt. Een aantal afdelingen is nu al te bezoeken. Online reserveren is mogelijk, maar niet langer vereist: allardpierson.nl Bezoek gratis de exclusieve Parooldag op zondag 13 september: parool.nl/allardpierson

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden