Plus

Heibel in de herberg: oude akkefietjes vastgelegd

'Siet daer, dat geef ik u!' Met die woorden smeet de dronkenlap een graspol, waarmee hij net zijn gat had afgeveegd, naar de echtgenote van de Amsterdamse koopman Pieter Hooft. Zomaar een zomeravond in 1639, in de tuin van een pleisterplaats aan de Gaasp.

De Amsterdamse tekenaar Jurriaan Andriessen maakte in 1790 deze schets bij 'de herberg aan de Gaasp', die hier is afgebeeld met enkele gasten buiten. Beeld Het Utrechts Archief

Afgelopen november vierde stadsdeel Zuidoost het vijftig­jarig bestaan van de Bijlmer als buurt. Het gebied is natuurlijk veel ouder: de Bijlmermeer werd in 1626 voor het eerst droog­gelegd. Langs de rand van de polder, aan de Ringsloot, kwamen boerderijen te staan. Enkele daarvan werden door hun Amsterdamse ­eigenaren uitgebreid tot buitenplaatsen met flinke tuinen, waar ze de zomer konden doorbrengen.

De Hulk
In een van de boerderijen aan de Ringsloot, bij de uiterste zuidoosthoek van de Bijlmerpolder, was herberg De Hulk gevestigd. Het etablissement stond 'voor ofte over de Gaasp', tegenover de plek waar nu het Tulip Inn Riverside staat en het verkeer hoog boven het water over de A9 raast.

In 1639 waren de herberg en de naastliggende boerderij Gaasperdam eigendom van de Amsterdamse koopman Pieter ­Gerritsz Hooft. Hij had er een fraaie siertuin en een grote moestuin bij aangelegd.

Waar herbergen zijn, wordt gedronken en waar gedronken wordt, ontstaat vaak gedoe. Op 16 juli 1640 verscheen Sywert Jacobs op verzoek van de herbergierster Janneken Hendrichs op het kantoor van notaris Jacob Westfrisius in Amsterdam, om daar een verklaring af te leggen over een gevalletje openbare dronkenschap ruim een jaar eerder bij De Hulk.

Jacobs liet een kort maar gedetailleerd verhaal vastleggen over een zekere Pieter Bruijnen, ook wel 'Joncker' genoemd, die in de buurt van de herberg in 'gehiel beschoncken' toestand 'sijn broeck affgestreecken en sijn behoeff gedaen' had. En de graspol waarmee hij zijn kont had afgeveegd, zou hij hebben gegooid naar de echtgenote van Pieter Hooft, een buitengewoon onbehoorlijke actie.

Pieter Gerritsz Hooft (1597-1656) was een uiterst respectabele Amsterdammer. Diaken bij de doopsgezinde kerk op het Singel, regent van het Aalmoezeniersweeshuis en het Sint Jorishof, kerkmeester van de Waalse Kerk en eigenaar van een huis op de Herengracht.

Hij was getrouwd met Weyntje Schouten, de dochter van de rijke brouwer en koopman Laurens Cornelisz Schouten, die tot de elite van Weesp behoorde; haar oom Lambert zat er in de vroedschap. Kortom, geen mensen naar wie je met je dronken kop zomaar een graspol met poep kunt gooien.

Zakken vol geld
Het verhaal is daarmee nog niet afgelopen. De notaris noteerde een opmerkelijke wending. Pieter Bruijnen kon volgens getuige Sywert ­Jacobs nauwelijks op zijn benen staan en was niet in staat zijn broek op te hijsen. Hij probeerde het wel, maar telkens vielen zijn kleren weer op de grond. Al struikelend in 'de vuiligheijd' vroeg hij de hulp van Jacobs, in ruil voor twee biertjes. Die stemde toe.

Tijdens het ophijsen en vastbinden van de kleding merkte Jacobs dat de man niet alleen drie broeken aanhad, maar ook dat zijn zakken waren gevuld met geld. Even ­later probeerde de dronkaard in de herberg de kroeggangers te imponeren met zijn handel vol geldstukken: "Siet daer, boere ­jongens, kont gij mij dat wel nae doen?"

Waarom Sywert Jacobs het hele verhaal een jaar later bij de notaris in Amsterdam formeel op papier liet zetten, op verzoek van de herbergierster, blijft onduidelijk. Was Pieter Bruijnen later beroofd door de 'boere jongens' en had Jacobs daar de schuld van gekregen? Had Bruijnen zijn rekening niet betaald? Had de herbergierster problemen gekregen met haar huisbaas, de ­familie Hooft? De archieven geven er vooralsnog geen uitsluitsel over.

Bijlmermeer
Twee jaar later raakte Pieter Gerritsz Hooft in de schulden. Hij moest zijn huis aan de Herengracht verkopen. Met Weyntje keerde hij terug naar Weesp. De buitenplaats en de herberg bleven echter nog lang in de familie.

Honderd jaar na het incident was Daniel Hooft (1721-1782) de eigenaar en, bijgevolg, dijkgraaf. De Bijlmer was als polder echter bepaald geen succes. Drie keer - in 1631, 1636 en 1656 - liep hij weer gedeeltelijk onder, in het Rampjaar 1672 werd hij om defensieve redenen onder water gezet. In 1678 werd de polder weer drooggemalen, maar na opnieuw een dijkdoorbraak tijdens een zware voorjaarsstorm in april 1702 gaf men de moed op.

Dijkgraaf Daniel Hooft spande zich rond 1750 in voor een nieuwe drooglegging. Hij maakte die niet meer mee: pas in 1825 was het zover.

Herberg De Hulk bleef eeuwenlang in functie. Gaasperdam en het nabijgelegen Gaasperzicht veranderden daarna in de 19de eeuw herhaaldelijk van uitbater en eigenaar. Gaasperzicht heette dan steevast 'Boerenhofstede met Koffiehuis'.

Op de topografische kaart van 1925 staat in dit hoekje van de polder nog altijd een herberg Gaasperzicht vermeld. Op een enkele uitzondering na zijn alle historische boerderijen en buitenplaatsen in de ­Bijlmer bij de aanleg van de nieuwe woonwijk gesloopt.

Een uitgebreide versie van dit artikel is te vinden in het aprilnummer van 'Ons Amsterdam'.

Alle Amsterdamse Akten

Notaris Jacob Westfrisius hield kantoor in de Kerkstraat. Hij had een veel uitgebreider takenpakket dan zijn ­collega's van nu. Zijn akten besloegen de hele lappendeken van het ­Amsterdam uit de 17de eeuw.

In het project 'Alle Amsterdamse Akten' worden deze notarisarchieven met behulp van honderden vrijwilligers toegankelijk gemaakt, thuis vanachter de computer of op woensdagmiddag in het Stadsarchief Amsterdam. Meer ­informatie: alleamsterdamseakten.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden