PlusInterview

Grote tentoonstelling over Joodse roofkunst en de impact op nazaten: ‘Het gaat ook om erkenning van het leed’

Emile Schrijver (l), directeur van het Joods Cultureel Kwartier en Rijksmuseumdirecteur Taco Dibbits. Beeld Marc Driessen
Emile Schrijver (l), directeur van het Joods Cultureel Kwartier en Rijksmuseumdirecteur Taco Dibbits.Beeld Marc Driessen

Voor een grote expositie over door de nazi’s geroofde kunst slaan het Rijksmuseum en het Joods Cultureel Kwartier de handen ineen. In het nog te openen Holocaustmuseum moet vooral de impact op de slachtoffers invoelbaar worden. Een dubbelinterview met Taco Dibbits (Rijksmuseum) en Emile Schrijver (Joods Cultureel Kwartier). ‘We willen de Joden hermenselijken.’

Hanneloes Pen

Het ministerie van OCW kondigde vorig jaar aan meer vaart te willen maken met het herkomstonderzoek naar naziroofkunst. Nazaten van getroffen families, zo was het devies, moeten actief worden benaderd om onteigende en geroofde kunstwerken terug te krijgen. Een deel is teruggegeven, maar de overheid beheert nog steeds 3800 objecten, veelal ondergebracht bij musea.

Vijf onderzoekers van het Rijksmuseum zijn sinds 2012 bezig de herkomst van de vermeende roofkunst te achterhalen. Ook het Joods Museum heeft onderzoek gedaan naar de herkomst van de collectie. Het Rijksmuseum en het Joods Cultureel Kwartier willen vanuit dit onderzoek in 2024 een tentoonstelling organiseren rondom tien casussen van onteigende dan wel geroofde objecten. Het doel is vooral de impact op de nazaten te laten zien. Een dubbelinterview met Taco Dibbits (Rijksmuseum) en Emile Schrijver (Joods Cultureel Kwartier).

Het is voor het eerst dat het Rijksmuseum en het Joods Cultureel Kwartier samenwerken.

Taco Dibbits: “In het nazisysteem ging het om de ontmenselijking van de Joden. De eerste stap was de onteigening van bezit, die onteigening was heel ingrijpend. De onderzoekers van het Rijksmuseum zijn erachter gekomen dat ook na de oorlog objecten zijn verworven met een betwist verleden. Bij ons gaat het om onder meer porselein, zilver, meubels en schilderijen. Ik vond dat we daar een tentoonstelling aan moesten wijden; het was voor ons een no-brainer om dat samen te doen.”

Emile Schrijver: “Het Rijksmuseum heeft de kracht en het gezag die dit onderwerp verdient. Wij hebben de ervaring om de complexiteit van de emotionele impact te laten zien. Het wordt de eerste grote, tijdelijke tentoonstelling van het Nationaal Holocaustmuseum. Het doel van de nazi’s was Joden te ontmenselijken, wij willen hen hermenselijken.”

Dibbits: “En natuurlijk komt de tentoonstelling in het nieuwe Holocaustmuseum en het Joods Museum. Het Holocaustmuseum is een historische plek en draagt bij aan de beleving van de bezoeker.”

Waarom treedt u nu al naar buiten over een tentoonstelling in 2024?

Dibbits: “Ik heb dat destijds ook met de slavernijtentoonstelling van vorig jaar gedaan. Al in 2016 heb ik aangekondigd dat we die tentoonstelling gingen doen. Ik vind het belangrijk dat we nu het signaal geven aan de maatschappij dat we aandacht besteden aan tijdens de Tweede Wereldoorlog onteigende en geroofde kunst.”

Om te laten zien dat u niet achterblijft?

Dibbits: “Nee, dat interesseert me niet. Het is goed om het nu te doen. Als je me vraagt: komt het niet te laat? Ja, het komt vijftig jaar te laat, maar beter laat dan nooit.”

Schrijver: “Het onderwerp is nu actueel. Musea zijn al jaren met het onderzoek naar onteigende en mogelijk geroofde kunst bezig. We willen het publiek openheid van zaken geven en de resultaten ongecensureerd delen, met alle eventuele gevolgen van dien. Er is nu veel meer te vinden dan twintig jaar geleden. Bronnen zijn digitaal beschikbaar en archieven zijn open. Dat we het pas in 2024 doen is ook een strategie; misschien komen er nog casussen boven. We roepen mensen op: als iemand denkt aanspraak te kunnen maken op een voorwerp, dan kijken we daar in samenwerking met de Restitutiecommissie serieus naar.”

Waarom doen andere musea niet mee, zoals het Stedelijk Museum? Dat heeft het in de oorlog verkregen schilderij Bild mit Häusern van Wassily Kandinsky na vele rechtszaken teruggeven aan de erven Lewenstein. Het schilderij zou goed passen in de expositie, temeer daar de erven hun emoties erover lieten zien.

Schrijver: “Het Rijks is het grootst, wij zijn Joods en wij vonden elkaar in dezelfde houding: als spullen niet van jou zijn, moet je die spullen niet willen hebben. Dat is een andere houding dan: laat de Restitutiecommissie zich erover uitspreken. Dit project moet ook wel behapbaar blijven. En het is interessant om nu eerst de stukken uit het Rijks te laten zien.”

Dibbits: “Misschien kan het Stedelijk een volgende keer meedoen aan een tentoonstelling met het Joods Cultureel Kwartier.”

Waar komen de objecten en schilderijen voor de tentoonstelling vandaan?

Dibbits: “Het merendeel van de tentoongestelde objecten komt uit het Rijks. Het gaat onder meer om schilderijen, porselein, zilver en meubels.”

Schrijver: “Het gaat niet alleen om topstukken in de tentoonstelling, het kan bijvoorbeeld ook om een doodgewone achttiende-eeuwse zilveren kidoesjbeker voor de wijnzegening gaan, met een handelswaarde van misschien 500 euro. Zo’n beker kan voor de familie een enorme emotionele waarde hebben. Die emotie moet je onderkennen. Ook een dergelijk klein object geeft ze hun geschiedenis terug.”

Dibbits: “De roof van een klein object kan net zo ontwrichtend zijn.”

De commissie-Kohnstamm, die het beleid van de Restitutiecommissie heeft geëvalueerd, oordeelde in 2020 dat Nederland zich meer moet inspannen voor de teruggave van door nazi’s geroofde kunst. Wat is er sindsdien gebeurd?

Dibbits: “Toen ik in 2002 bij het Rijks kwam, werd het nog als een probleem gezien en werd er ook niet veel over roofkunst gesproken. Terugvragen van roofkunst werd vaak weggezet als: de nazaten willen geld, want het wordt meteen verkocht. Maar dat komt doordat er meerdere nazaten zijn. Je kunt een schilderij nu eenmaal niet in stukken verdelen.”

“Er was onderzoek nodig. Kunst die niet van ons is, moet terug naar de families van wie de geschiedenis is weggevaagd. Het gaat ook om erkenning van het leed.”

Schrijver: “Ook wij hebben zo’n twintig objecten in het Joods Museum die bijvoorbeeld voor de oorlog in bruikleen zijn gegeven. De nazaten hebben zich nooit meer gemeld. Wij proberen hen te traceren. Maar het is niet altijd op te lossen. Ga maar eens bewijzen dat die drie generaties later nazaten zijn.”

“We zoeken totdat de onderste steen boven is. Maar waar we vaak tegenaan lopen, is dat we soms met wel vijftien erfgenamen te maken hebben. Wie is dan de rechthebbende? Met een notaris kijken we ernaar.”

Wat voor tentoonstelling moet het worden?

Dibbits: “We willen niet het systeem en de systematiek van de roof, die duizelingwekkend is, laten zien, maar het volledige plaatje. Achter alle objecten zitten mensen. Deze expositie gaat over mensen en familiegeschiedenissen die een relatie hebben tot een object.”

“We hebben een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor een empathische omgang met onteigeningsproblematiek. We willen daarnaast een signaal afgeven dat antisemitisme nog steeds niet weg is en begrip creëren van het aangedane leed, dat nog steeds impact op de volgende generaties heeft.”

‘Gezicht op de Gouden Bocht in de Herengracht vanuit het westen’ (1672) van Gerrit Berckheyde. Beeld Collectie Rijksmuseum
‘Gezicht op de Gouden Bocht in de Herengracht vanuit het westen’ (1672) van Gerrit Berckheyde.Beeld Collectie Rijksmuseum

Hoe wordt dit in beeld gebracht?

Schrijver: “We presenteren tien casussen van een dwarsdoorsnee van Joodse eigenaren uit Nederland die werden beroofd of gedwongen afstand moesten doen van hun kunstvoorwerpen: van rijke, Joodse kunstverzamelaars tot een succesvolle boekhandelaar en minder rijke Joden die bestolen werden van doodgewone dingen als een tapijt, een servies of minder mooie meubels. Aan de hand van egodocumenten, foto’s, brieven, films, interviews of een inventaris, wordt die pijn invoelbaar. Na de oorlog werd daar met weinig empathie mee omgegaan.”

Dibbits: “Deze wijze van tentoonstellen geeft een heel intiem beeld van de mensen die erachter zitten. Zij moesten bewijzen dat de kunstvoorwerpen van hen waren.”

Zijn er al casussen uit te lichten?

Schrijver: “Een is een perkamenten rol met ochtendgebeden die de Amsterdamse kostuumverkoper Chaim Mordechai Binger speciaal voor zijn kleinzoon in 1827 had gemaakt. Zijn nazaten schonken het object in 1931 aan het Joods Historisch Museum. In 1943 werd het echter in beslag genomen en naar Duitsland gebracht.”

“Een andere casus is het schilderij De Gouden Bocht in de Herengracht in Amsterdam vanuit het westen van Gerrit Berckheyde uit 1672 uit de collectie van de Joodse kunstverzamelaar Jacques Goudstikker dat in het Rijks hangt. Weduwe Goudstikker moest nota bene enkele jaren na de oorlog betalen voor teruggave van het schilderij waar haar man zo van hield. We zoomen in op die kille manier van handelen van vlak na de oorlog en de ambtelijke taal die men gebruikte.”

Speciaal voor zijn kleinzoon maakte Chaim Mordechai Binger in 1827 een perkamenten rol met ochtendgebeden met manteltje.  Beeld Collectie Rijksmuseum
Speciaal voor zijn kleinzoon maakte Chaim Mordechai Binger in 1827 een perkamenten rol met ochtendgebeden met manteltje.Beeld Collectie Rijksmuseum

Drie van de tien casussen

Casus Binger

Chaim Mordechai Binger (1756-1830), kostuumverkoper in de Zwanenburgerstraat in Amsterdam en kalligraaf van Hebreeuwse teksten, maakte verschillende religieuze voorwerpen. Speciaal voor zijn kleinzoon maakte hij in 1827 een perkamenten rol met ochtendgebeden met bijbehorend manteltje. Nazaten van Binger schonken de objecten in 1931 aan het Joods Historisch Museum.

In 1943 werden de voorwerpen door de ERR, een organisatie van de NSDAP die culturele goederen uit de bezette gebieden roofde, naar Duitsland overbracht. Na de oorlog ging het manteltje naar het Israël Museum in Jeruzalem en de rol naar het Joods Historisch Museum.

Casus Goudstikker

Het schilderij De Gouden Bocht in de Herengracht in Amsterdam vanuit het westen van Gerrit Berckheyde uit 1672 hangt in het Rijksmuseum. Het werk is afkomstig uit de collectie van de Joodse kunsthandelaar Jacques Goudstikker (1897-1940). Het was in zijn bezit op het moment van de vlucht en het is in 1952 gerestitueerd aan zijn weduwe Dési Goudstikker. Ze kreeg het terug omdat haar man er zo aan gehecht was, maar ze moest er wel 2000 gulden voor betalen. Zij heeft hierover haar diepe teleurstelling uitgesproken in een egodocument. Het werk wordt in de tentoonstelling opgenomen om te laten zien hoe de restitutie vlak na de oorlog verliep.

Casus De Mesquita

Graficus Samuel Jessurun de Mesquita (1868-1944) maakte in 1922 een portret van zijn 17-jarige zoon Jaap. Het gezin werd in 1944 weggevoerd uit hun huis. Het echtpaar werd naar Auschwitz gedeporteerd, waar ze zijn vermoord. Jaap stierf in Theresienstadt. De houtsnede is te zien in het Rijksmuseum.

Zijn oud-leerling M.C. Escher was ontzet toen hij het overhoop gehaalde atelier aan de Linnaeuskade aantrof. ‘Het grafische werk lag in onbeschrijfelijke wanorde over de vloer verspreid. In 5 minuten raapte ik zooveel mogelijk bij elkaar als ik kon torsen. De volgende dag keerde ik terug om te trachten nog meer te redden, maar het was te laat – voor de deur stond een verhuiswagen, de woning werd op last van de Duitschers leeggehaald. Deze collectie blijft in mijn bezit tot iemand van de familie die er recht op heeft, gevonden wordt,’ schreef Escher 10 juli 1945 op een briefje.

Portret van Jaap Jessurun de Mesquita, gemaakt door zijn vader Samuel Jessurun de Mesquita. Beeld Collectie Rijksmuseum
Portret van Jaap Jessurun de Mesquita, gemaakt door zijn vader Samuel Jessurun de Mesquita.Beeld Collectie Rijksmuseum

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden