PlusInterview

Ghanees Amsterdamse Rudy Asibey had als 13-jarige graag 10.000 man op de Dam gezien

Rudy Asibey: ‘Als Nederlander van kleur kun je niet op tv je emoties tonen: voor je het weet ben je weer die boze zwarte vrouw.’ Beeld Sharon Jane
Rudy Asibey: ‘Als Nederlander van kleur kun je niet op tv je emoties tonen: voor je het weet ben je weer die boze zwarte vrouw.’Beeld Sharon Jane

In de nasleep van de dood van George Floyd schreef de Ghanese Amsterdamse Rudy Asibey (30) Ik hoop, over opgroeien in Nederland als zwarte vrouw. ‘Ik had als 13-jarige zo graag willen zien hoe 10.000 man op de Dam stonden te protesteren tegen racisme.’

U bent op het idee voor het boek gekomen in de tuin van documentairemaker Lize Korpershoek, schrijft u in het nawoord.

“Ik leef in een wereld met veel schrijvers om me heen, mede omdat ik een tijd voor Vice heb gewerkt: dat vind ik geweldig. Toen ik op de verjaardag van Lize was, heb ik mijn redacteur ontmoet. We hadden het over een heleboel boeken die ik had gelezen, en zij benaderde mij om een boek te redigeren zodat het de juiste taal bevatte. Na de gebeurtenissen rondom George Floyd ben ik veel gaan delen op Instagram: zo heb ik opgeschreven waarom ik vind dat Nederland activistischer zou moeten zijn. Dat is uiteindelijk een boek geworden.”

Wat deed wat gebeurde in de nasleep van de dood van George Floyd met u?

“Aan de ene kant was het positief wat loskwam: ik dacht dat er eindelijk verandering zou komen, een betere toekomst voor mijn broertje, mijn neefje, mijn nichtjes. Vandaar ook dat ik deze titel uitkoos. Ik had als dertienjarige zo graag willen zien hoe tienduizend man op de Dam stonden te protesteren tegen racisme. Het voelde alsof witte mensen ook zeiden: het kan zo niet langer. Aan de andere kant vroeg ik me af: waarom nu pas? Waarom moet er iets in Amerika gebeuren, anno 2020, zodat we met z’n allen opstaan?”

Die balans tussen hoop en frustratie is ook in uw boek te lezen. U bent marketingconsultant. Vindt u het überhaupt uw taak, als Nederlander van kleur, om het over racisme te hebben?

“Ik houd van eerlijkheid, dus heb ik het ook eerlijk in het boek opgeschreven: laten we het over racisme hebben, al ben ik moe om erover te praten. Ik denk niet dat het als Nederlanders van kleur onze taak is om racisme uit te leggen aan mensen die het niet willen snappen – mensen die een vraag stellen, maar eigenlijk al een antwoord in hun hoofd hebben.”

Hoe bereiken we hen dan?

“Via onze witte bondgenoten. Die moeten met hun ooms en tantes en opa’s en oma’s gaan praten. Ik zie bijvoorbeeld hoe presentator Tim Hofman zijn honderdduizenden volgers iets leert, en hoe makkelijk dat hem afgaat. Het is als persoon van kleur ook nogal wat om het telkens weer over racisme te hebben: het is slecht voor je mentale gezondheid, en je wordt er ook gewoon boos van. En dat heeft ook weer consequenties. Als Nederlander van kleur kun je niet op tv je emoties tonen: voor je het weet ben je weer die boze zwarte vrouw.”

In het boek vertelt u over een racistische aanval in uw woonplaats Zwanenburg toen u dertien was. U bent verbaal en fysiek aangevallen door een groepje Lonsdalejongeren. Hoe was het om dat op te schrijven?

“Dat was het allermoeilijkste hoofdstuk om te schrijven. Het was heftig: de helft van wat er op dat moment gebeurde, kon ik me niet meer volledig herinneren. Ik heb er echt voor gezeten om die hele dag opnieuw te beleven. Daarnaast heb ik mijn dagboek erbij gepakt, om terug te kunnen lezen wat ik ervoer, vooral in de dagen erna. Ik heb het als kind bewust niet opgeschreven, merkte ik. De dag na de aanval stond enkel in mijn dagboek: ‘Gister was een kutdag, we hebben het er niet meer over.’”

Was dat uw confronterendste ervaring met racisme?

“Het was de climax. Het bouwde zich op hiernaartoe. Het is gelukkig ook nooit erger geworden dan dit, maar het is ook niet alsof het racisme hierna verdween. Aan de ene kant heb ik het incident opzijgeschoven: de dag erna zat ik weer met diezelfde jongens in de bus. Nu denk ik echt: waarom? Het voelt alsof ik een ander persoon was toen, een ander leven had. Ik weet wel dat ik sinds dat moment besefte: ik moet begrijpen waar dit vandaan komt. Ik moet onderzoek doen naar mezelf, ik moet mij inlezen in mijn geschiedenis. En elk jaar, stapje voor stapje, werd ik sterker. Nu besef ik wie ik ben.”

Is dit boek een kroon op die zoektocht naar uzelf?

“Ik had lang moeite om te zeggen dat ik Nederlander ben. Ik dacht heel lang: ik ben Ghanees, en ik ben Amsterdams, want in Amsterdam voelde ik me altijd al thuis. Als kind voelde ik al dat ik niet geaccepteerd werd in Zwanenburg, en na de racistische aanval dacht ik al helemaal: prima, ik ben kennelijk geen Nederlander? Dan claim ik mijn Ghanese kant. Dan hoef ik ook geen Nederlander te zijn. Pak mijn paspoort maar, ik hoef het niet.”

“Toen ik 25 werd, kantelde dat beeld. Ik realiseerde me: ik betaal belasting hier, ik ben hier geboren, ik heb hier gestudeerd, ik spreek ABN… ik ben gewoon een Nederlander. Nu kan ik trots met een Ghanese en Nederlandse vlag tegelijk zwaaien. Nu weet ik dat dat naast elkaar mag bestaan.”

null Beeld

Rudy Asibey, Ik hoop (Uitgeverij Spectrum), € 14,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden