Plus Geschiedenis

Gevleugeld en onmisbaar voor de stad

Dirk Florijn en Jan Bievink waren hoender- en vogelkopers in het Amsterdam van de 18de eeuw. Hans Wendte, een verre nazaat, dook in de geschiedenis van hun gilde.

Willem Jodocus Mattheus Engelberts schilderde rond 1830 dit tafereel van twee vrouwen die hun inkopen doen bij de kraam van een poelierster. beeld amsterdam museum Beeld Amsterdam Museum

‘Hé, ouwe koopman, luister eens, loop je me zomaar voorbij? Dat kun je niet maken man! Waar heb je je oog op laten vallen, op een zwaan van overzee, een rotgans of een eend? Ik heb net uit Koog aan de Zaan een partij woerden en talingen binnengekregen. Kijk, dit zijn brileenden, daar hebben we smienten, dat is een vogel om u tegen te zeggen! En hier heb ik een pijlstaart, het edelste beestje dat in de lucht vliegt, daarvan heb ik er nog een stel. Wil je geen Kamper vogels, helemaal geplukt?’ 

Levendig beschrijft Gerbrand Adriaansz. Bredero in Moortje (1615) een Amsterdamse markt door de ogen van ene Kackerlack, die met een oude kennis door de stad loopt.

Kackerlack had geen belangstelling voor de vogels, de hoender- en vogelkopers ongetwijfeld wel. In Amsterdam was het poeliersbedrijf eeuwenlang in handen van het Hoender- en Vogelkopersgilde. Aanvankelijk zaten ze in een gilde met de vleeshouwers en de viskopers, maar vanaf 1660 gingen ze zelfstandig verder. Hoenderkopers verhandelden voornamelijk kippen, en verder fazanten, patrijzen, duiven en pauwen. Vogelkopers legden zich toe op eenden, en ook ganzen, zwanen, kalkoenen en snippen behoorden tot hun waar.

Alles door elkaar

Uit de jaarlijkse voordracht voor overlieden (bestuursleden) van het Hoenderkopersgilde tussen 1731 en 1760 blijkt dat ‘hoenderkopers’ van ‘vogelkopers’ werden onderscheiden. Zelfs was het enige tijd zo dat het bestuur moest bestaan uit twee hoenderkopers en twee vogelkopers. Maar het verschil was niet altijd even duidelijk en extra verwarrend is dat ook hoenderwinkeliers zich bij het gilde konden aansluiten. Het liep door elkaar heen.

Neem Jan Abbing: hij had eerst een hoenderwinkel en heette later een vogelkoper. En Hendrik Bievink was geruime tijd hoenderkoper én vogelkoper, maar deed kennelijk ook in konijnen, want zijn winkel op Binnen Bantammer­straat 16 werd in 1784 aangeduid als ‘het huis daar de twee konijnen uithangen en vogelwinkel in gedaan wordt’.

Het gilde had het monopolie op de handel op de hoenderen en vogelmarkten op het Halplein aan de Nes en de Kippenhoek op de Botermarkt, het huidige Rembrandtplein. Niet-gildeleden mochten alleen op maandag op de Botermarkt hun waar aanbieden. Het was strikt verboden om met geplukte of ongeplukte hoenderen, kapoenen en kalkoenen langs de deuren te lopen.

Amsterdam had een grote behoefte aan kippen en eenden, vooral voor eigen consumptie. Ze waren gemakkelijk te krijgen en goedkoop. Als levende have gingen ze op kleine schaal ook mee met VOC-schepen. Het pluimvee leverde bovendien veel bijproducten op, zoals eieren, dons en schrijfveren.

Eendenkooien

De hoenderen liepen in groten getale rond op boerenerven, in boomgaarden en weilanden buiten Amsterdam en zullen door veel boeren met boter, kaas en eieren op de markt zijn aangeboden of rechtstreeks aan de hoenderkopers verkocht. Met de eenden was het anders. Die waren jachtwild, afkomstig van eendenkooien in Noord-Holland, op de Waddeneilanden en in Wieringen, in Friesland, Utrecht en de Kop van Overijssel.

De kooien waren vaak (deels) eigendom van de Amsterdamse vogelkopers. Ze leenden geld aan de kooiker, die kon terugbetalen in natura. Zo leende Gerrit Noot (1748-1811) aan de kooien Vanglust in de Zijpepolder (Noord-Holland) en die te Hallum (Friesland). Hij was ook eigenaar van de kooi in de Gemeenschapspolder (Bloemendalerpolder) bij Muiden. Vogelkoper Gerrit Abbink was in 1798 huurder van de grote eendenkooi bij het Naardermeer en eigenaar van de ‘oude kooi’ in Castricum, die nog altijd bestaat als de eendenkooi Van der Eng.

De vogels bereikten Amsterdam met de reguliere beurtschippers, die ‘lijndiensten’ onderhielden met alle vogelgebieden, ook met de Waddeneilanden. Bekend is dat vanaf Wieringen, waar veel kooien waren, elke woensdag in de zomer een speciale schuit richting de stad ging met manden vol gevangen vogels. Het waterwild uit de Kop van Overijssel ging via Meppel met de beurtschipper naar Amsterdam voor poelier Dirk Gerritsen in de Nes.

Het Amsterdamse Hoender- en Vogelkopersgilde was niet bijzonder groot. Een lijst van gildebroeders uit 1688 bevat 47 namen en door de eeuwen heen domineert een klein aantal families de bedrijfstak. Tot aan de ontbinding van het gilde in 1798 – en de definitieve afschaffing in 1818 – waren lieden als Jan Brackonje, Gerrit Noot, Hendrik Noot, Pieter Oijens en Dirk Florijn meerdere keren overman. Deze hoender­families waren onderling door huwelijken met elkaar verbonden en vormden zo een hecht netwerk. Een van die families had een keten van ­zeker zeven­tien hoender- en vogelkopers (en -koopsters) die zich uitstrekte over minstens 188 jaar en zes generaties.

In het meinummer van Ons Amsterdam staat een uitgebreide versie van dit verhaal: onsamsterdam.nl.

Joodse poeliers

De gilden werden in 1818 definitief afgeschaft. Zo verdween het monopolie op de uitoefening van het beroep van hoenderkoper en vogelkoper en werd ook het mono­polie op de markt bij de vleeshal aan de Nes doorbroken. De beroepsnaam ‘poelier’ werd gemeengoed. 

Met de burgerlijke gelijk­stelling in 1796 konden ook de Joden voor het eerst het beroep van poelier gaan uitoefenen. Een van de eerste Joodse poeliers in Amsterdam was Philip Levie Soester (ca. 1754-1812), waarna nog zes generaties Soester in het vak volgden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.