PlusAnalyse

Eten bestellen in de app, persoonlijke chatbot aan en je spreekt geen mens. Ideaal! Of toch niet?

Een praatje met de groenteboer is essentieel voor het functioneren van een maatschappij. Beeld Hollandse Hoogte / Nederlands Fotomuseum
Een praatje met de groenteboer is essentieel voor het functioneren van een maatschappij.Beeld Hollandse Hoogte / Nederlands Fotomuseum

Een steeds groter deel van ons leven speelt zich digitaal af: van boodschappen bestellen en daten tot onderwijs volgen of vergaderen. Het kan allemaal zonder direct menselijk contact. Door corona heeft die digitalisering een nog grotere vlucht genomen, met flinke gevolgen voor de sociale cohesie in de stad.

Het is nog niet zo lang geleden dat we voor alles waarnaar we verlangden, iemand moesten spreken. We moesten naar een reisbureau wanneer we op vakantie wilden, met vakkenvullers en caissières praten tijdens het boodschappen doen, een taxichauffeur bellen om onze rit naar huis te boeken en een hotel binnenstappen om een kamer te reserveren.

Kijk eens waar we twee decennia later zijn: de moderne stedeling hoeft met bijna niemand meer te praten om zijn leven te leiden, laat staan dat hij zijn huis hoeft te verlaten. Er zijn chatbots, bezorgservices en automatische reserveringssystemen. Door Uber hoeven we geen taxi meer aan te houden, via Tinder niemand meer aan te spreken in het café of op straat (met de kans een blauwtje te lopen) en met Helpr hoeven we geen schoonmaker te benaderen, we kiezen via de app gewoon de goedkoopste uit.

Misschien wordt het nog extremer. Mark Zuckerberg, ceo van Facebook, vertelt in een interview met nieuwssite The Verge dat zijn sociale netwerk zich klaarmaakt om een ‘metaversebedrijf’ te worden. Hoewel de metaverse nog een concept is, en niemand lijkt te weten hoe het er precies uit gaat zien, staat vast dat het een soort geïdealiseerde opvolger van het internet wordt. Een virtuele ruimte zoals Fortnite, waarin ­iedereen, vertegenwoordigd door zijn avatar, beweegt, communiceert en werkt. We kunnen er mensen ontmoeten, vrienden maken, een baan vinden, producten kopen, ontspannen, ­eigenlijk alles wat we normaal ook doen.

Een veilig alternatief voor de boze, misschien wel eeuwige ‘viruswereld’, zoals techwebsite Wired scherp opmerkt.

Interactie, uitgegumd

We leven nog niet in de metaverse, maar nieuwe technologieën en apps zijn al jarenlang bezig om ons te ‘verlossen’ van de ongemakkelijke, menselijke communicatie die we moeten bezigen in de fysieke wereld. Door de pandemie is dit proces behoorlijk geïntensiveerd.

Nog meer online vergaderen, daten en bestellen. Maar ook: online concerten en musea ­bezoeken, borrelen en met vrienden afspreken. We kunnen online een psycholoog bezoeken, tekenen voor een huis of werken aan ons seks­leven. Er zijn zelfs bedrijven die in hun reclamecampagne benadrukken dat we onze hele ­bestelling kunnen afronden zonder met iemand te hoeven praten. En wanneer we dan toch op een terrasje zitten, kunnen we via een qr-code de bestelling doorgeven. Zo wordt het ongemak van de menselijke interactie langzaam uitgegumd.

null Beeld Hollandse Hoogte / Louis van Par
Beeld Hollandse Hoogte / Louis van Par

‘Frictieloos design in optima forma,’ noemt filosoof Miriam Rasch dat in haar boek Frictie. Ze doelt op apps die de communicatie compleet van ons overnemen. ‘Apps als Uber en Airbnb zorgen ervoor dat we niet meer bang hoeven zijn voor potentieel vervelende interacties met ­anderen. Ze worden teruggebracht tot transacties. De apps creëren een omgeving waarin mensen geen moeite hoeven doen om elkaar te begrijpen of te kennen.’ De impliciete boodschap: menselijke communicatie is vervelend.

Digitale kopie van onszelf

Terwijl juist die kleine ontmoetingen in de stad, de smalltalk met een passant of een winkelmedewerker, ons het gevoel geven dat we ons ergens thuisvoelen, zegt stadsgeograaf Jos Gadet. “Daardoor maken we deel uit van onze omgeving en voelen we dat we erbij horen. Virtuele gesprekken kunnen dat niet evenaren: die zijn veel doelmatiger en minder spontaan.”

Volgens cultuursocioloog Siri Beerends, promovenda aan de Universiteit Twente en onderzoeker bij medialab Setup, wordt het potentiële menselijke contact op allerlei vlakken binnen ons leven weggesneden. Als voorbeeld noemt ze ‘mood management’-apps die ons opmonteren wanneer we somber zijn. Of een app die ons door de nasleep van onze relatiebreuk heen helpt. “Er is zelfs een app die belooft een digitale kopie van onszelf te maken in de vorm van een chatbot. Hoe meer persoonlijke data we aanleveren, hoe meer de chatbot op ons gaat lijken.”

Sinds het uitbreken van de coronacrisis werd de app flink meer gedownload dan daarvoor. “Veel mensen voelen zich aangetrokken tot dit soort frictieloze communicatie of vriendschap,” zegt Beerends.

Door de coronapandemie kwam het fysieke ­leven tot stilstand, en gingen we ons noodgedwongen nóg meer begeven in de virtuele wereld. Beerends: “Daardoor wennen we nog meer aan het virtuele gemak en de afwezigheid van fysieke interactie. Dat vinden we over het algemeen prettig, want voor veel mensen is fysieke interactie best vermoeiend. Hun lichaam in de fysieke ruimte een plek geven, de willekeurigheid van een sociale situatie waarin van alles kan gebeuren, het interacteren met de verkoper, waar ze misschien geen zin in hebben. Dat kunnen ze makkelijk ontwijken met een app.”

Smart city

Dat grotere palet van digitale interacties kan kwalijke gevolgen hebben voor de publieke ruimte, zegt filosoof Haroon Sheikh. Hij noemt de Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han, die het in zijn werk heeft over het verdwijnen van de ‘ander’ in onze samenleving.

“De ander als figuur die tegenover ons staat, met een volledig eigen wil, die ons verrassend behandelt, iets brengt wat we nog niet kennen. Die ander wordt meer en meer weggedrukt, omdat de mensen die we tegenkomen heel erg worden gesorteerd, vergeleken en voorbereid op een manier dat we ze eigenlijk van hun andersheid hebben losgemaakt. Een Uberbezorger is zo gedisciplineerd dat wanneer hij een keer iets verrassends doet, hij op zijn kop krijgt. Het is dus iemand die niets nieuws bij mij naar binnen kan brengen, zoals een ober dat kan doen met een verrassende of humoristische opmerking. De Uberbezorger doet het kunstje zoals van hem wordt verwacht. Hij heeft geen ruimte om als een ‘ander’ persoon tegenover me te staan. De ander waar we toevallig tegen aanbotsen in de kroeg of op een verjaardag, die niet is voorbereid, van tevoren is vergeleken en daarmee dus echt een volledig onverwachte invloed op ons kan hebben, komt steeds meer onder druk te staan door al die online processen.”

Schim uit het verleden: elkaar ontmoeten in het café. Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo
Schim uit het verleden: elkaar ontmoeten in het café.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Het doet denken aan de ideeën voor ‘smart cities’ die de laatste jaren zo in opkomst zijn. Het doel is telkens om het leven van de stadsbewoners makkelijker en efficiënter te maken. De Amerikaanse socioloog Richard Sennett ­beschrijft in zijn boek Stadsleven (2018) zo’n ­metropool van de toekomst, en ziet dat juist als een potentiële dystopie, omdat de steden zijn uitgerust met gebruiksvriendelijke technologie die burgers versuft. Er is geen sociaal weefsel, het stadsgevoel ontbreekt. Het leeft en bruist er niet. Mensen willen er dus in potentie ook niet wonen. Want, zo laat hij zien door meerdere psychologen te citeren: we houden van nature van weerstand. Bijvoorbeeld van een ongemakkelijk of schurend gesprek.

Ook de coronapandemie laat zien dat veel mensen helemaal niet op zo’n digiwereld zitten te wachten. Sommige thuiswerkers lieten werkgevers weten tegen de muren op te vliegen bij gebrek aan sociale interactie, met name jongeren hadden vaker psychische problemen door een gebrek aan menselijk contact en op zonnige dagen zocht iedereen massaal de parken op: ­samen.

En ook die onverwachte en dus potentieel ongemakkelijke contacten hebben zo hun voordeel. Ze zorgen ervoor, zegt Beerends bijvoorbeeld, dat we veerkrachtige mensen worden die kunnen omgaan met tegenslag. “Een blauwtje ­lopen in de kroeg is pijnlijk voor ons ego, maar goed voor ons relativeringsvermogen. Bovendien schept het een band om samen iets ongemakkelijks mee te maken. Dat gebeurt online minder makkelijk. We moeten er echt voor naar buiten, de hort op.”

Dode, functionele stad

Wanneer er steeds een frictielozer en gemakkelijker online alternatief is voor de werkelijkheid, zal het leven zich meer en meer thuis gaan ­afspelen, en minder in de openbare ruimte. Het zet de ‘derde plaats’, een term die de Amerikaanse stadssocioloog Ray Oldenburg omschreef in zijn boek The Great Good Place (1989), onder druk. Daarmee bedoelt hij plekken, buiten het huis en werk (de eerste en tweede plaats), die als basis dienen voor het gemeenschappelijke ­leven, en belangrijk zijn voor de sociale cohesie en maatschappelijke betrokkenheid van inwoners, zoals cafés, boekwinkels, parken, coffeeshops, kappers, scholen en bioscopen. We ontspannen er, daar zijn bevordert onze creativiteit, we komen er bekenden tegen en leggen nieuwe contacten.

“De laatste jaren wordt de stad meer gerationaliseerd, efficiënter gemaakt,” zegt Sheikh. Terwijl de kracht van de stad, verwijzend naar het klassieke boek van Jane Jacobs, The Death and Life of Great American Cities (1961), vaak is dat verschillende functies over elkaar heen plakken en in dat tussengebied interessante dingen gebeuren, waardoor de stad levendig wordt. “Een dode stad is een functionele stad. Juist die overlap tussen wonen, werken en de publieke ruimte is belangrijk. De onverwachte ontmoeting, de slager die omkijkt naar de kinderen die buiten spelen. De digitale wereld die van ons huis ons bastion maakt, lijkt een zekere verwaarlozing van die ruimte tussen mensen onderling.”

null Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad
Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad

De Amerikaanse journalist Derek Thompson besprak het werk van Ray Oldenburg in een recent essay voor The Atlantic. Hij stelt dat de derde plaats al steeds meer uit ons leven aan het verdwijnen was, en dat corona nog een trap na geeft. Hij noemt de bioscoop als voorbeeld van een plek waar mensen samenkomen. ‘Het ultieme gemeenschappelijke ritueel, een ervaring waarvan de technologie gelijktijdigheid en saamhorigheid vereiste, en die nu is veranderd in de ultieme persoonlijke activiteit: Netflix bingen, op de bank, alleen.’

Thompson heeft een mooie definitie voor gemeenschap: ‘Daar waar je steeds komt opdagen’.

Maar: hoeveel van dat soort plekken zijn er straks nog in de stad, wanneer we alle sociale ervaringen kunnen vervangen door een verbeterde virtuele ervaring?

Gelukkig is er ook, of juist, hoop. Cultuursocioloog Beerends zegt dat we tijdens de coronacrisis weliswaar menselijke taken zodanig uithollen en versimpelen dat we ze makkelijker kunnen digitaliseren, zoals online onderwijs terugbrengen tot louter informatieoverdracht, maar dat studenten en docenten zich daar wel tegen verzetten. “Voor nieuwsgierigheid, creativiteit en reflecterend vermogen bleek meer nodig dan een goede internetverbinding.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden