PlusAchtergrond

Een enorme vuurzee legde Amsterdam in 1421 in de as

Aangewakkerd door de wind legde op 13 april 1421 een enorme vuurzee Amsterdam in de as. De brand kwam niet als een verrassing, maar stortte veel stadgenoten wel in het verderf.

null Beeld Shutterstock
Beeld Shutterstock

Iedereen in middeleeuws Amsterdam hield er rekening mee dat het ooit zou gebeuren: een grote brand die alles in vlammen liet opgaan. De huizen waren net zo goed als de koggeschepen nog allemaal van hout, dat zeker in periodes van droogte een willige prooi van de vlammen was. De rieten daken waren regelrechte toortsen, die aangewakkerd door de wind binnen een mum van tijd een vonkenregen over de hele stad konden verspreiden.

Nonchalant was de houding ten opzichte van het brandgevaar zeker niet. Vanzelfsprekend deden de Amsterdammers aan brandpreventie. Jaarlijks werden er twaalf ‘guede knapen’ gekozen en beëdigd tot brandmeesters. De stad was van noord naar zuid in vier lange stroken verdeeld, waarbinnen ieder zijn eigen deel van de stad had om over te waken. De brandmeesters hadden bevoegdheden om bij de mensen naar binnen te gaan en toezicht te houden op de brandveiligheid.

Prent uit 1782, van Simon Fokke, van de grote brand van 1452. Beeld Stadsarchief
Prent uit 1782, van Simon Fokke, van de grote brand van 1452.Beeld Stadsarchief

Waken was niet het enige wat ze deden. Er waren bepalingen over hoe men zich in geval van brand diende te gedragen; timmerlieden, bijvoorbeeld, moesten met brandbijlen naar de brand gaan. En we vinden in de oudste brandkeur (van 1413) voorschriften die iets duidelijk maken over de huizen van de stad. Het stads­bestuur bepaalde dat in kamers zonder schoorsteen en van minder dan drie meter breed geen vuur mocht worden gemaakt. Ook was het verboden om kaarsen tegen de ‘wanden van den huyze of an houte’ te laten branden. Ovens moesten zo ruim staan dat men er omheen kon lopen, ze mochten dus niet tegen de wand staan. De enige uitzondering gold voor ovens in stenen huizen, maar die waren er bijna niet.

Voor de daken golden ook regels. Niemand mocht een nieuw huis of gebouwtje slechts met riet dekken. Het riet moest aan de buitenkant een duim dik worden geleemd met gebeerde – door mest gemengde – klei, zodat vonken er niet zo makkelijk vat op kregen. Op overtreding van deze regel stond een boete van vijf pond Hollands (guldens), een enorm bedrag.

Pek en teer

Daarnaast was het verboden om huizen met pek of teer te besmeren en het bestuur deed zelfs zijn best om ook de opslag van pek of teer en het gebruik ervan binnen de voorburgwallen geheel en al te verbieden.

Alle maatregelen ten spijt brak op 13 april 1421 een enorme brand uit. De Lage Landen werden toen geteisterd door de ingewikkelde Hoekse en Kabeljauwse twisten. Ook de Utrechtse bisschop Frederik III van Blankenheim mengde zich in de onderlinge oorlog tussen de Hollandse steden. Hij was met steun van Leiden, Kampen en Deventer in 1420 een oorlog begonnen met de Hollandse graaf Jan van Beieren en voerde herhaalde aanvallen op Amsterdam uit. Het is niet ondenkbaar dat de Amsterdamse stadsbrand was aangestoken door Utrechtse troepen aan de zuidkant van de stad.

Nieuwe Kerk in aanbouw

Aangewakkerd door een zuidenwind vraten de vlammen zich vanaf de Bindwijkerpoort aan het Spui een weg door de Kalverstraat, om al snel over te slaan naar andere delen van de stad. In de Kroniek van Johannes de Beke is te lezen dat een derde van de stad afbrandde. Getroffen werden de Kapel ter Heilige Stede in de Kalverstraat, het Sint Elisabethgasthuis met het aanpalende stadhuis aan de Dam en ook de Nieuwe Kerk, die op dat moment nog in aanbouw was en verre van voltooid.

Het nasmeulen zal nog enige tijd hebben geduurd, maar de brand zelf was waarschijnlijk kort en hevig. Het is niet bekend of er slacht­offers zijn gevallen. Voor sommige getroffenen was de brand ongetwijfeld een financiële strop, die ze nooit meer te boven kwamen, maar voor de stad lijkt de brand een impuls te zijn geweest tot uitbreiding. In de jaren na de brand zien we grote stedenbouwkundige activiteiten. De aanvallen op de stad en de brand gaven aanleiding om de stadsverdediging te verbeteren en het stedelijk gebied te vergroten.

Huizen van steen

De Amsterdammers deden ondertussen wat ze eerder ook al hadden gedaan: ze bouwden hun huizen van hout. Baksteen diende in andere steden in Nederland al om huizen mee te bouwen, maar bleef in Amsterdam vooral in gebruik voor het metselen van schoorstenen. Pas ver in de 16de eeuw gingen de Amsterdammers hun huizen van steen maken. Voorlopig hoopten ze maar dat het een tijd zou duren voordat de stad weer door zo’n catastrofe werd getroffen. Dat ze dachten dat die zou komen, stond ook in de nieuwe erfpachtaktes geschreven. En die verwachting kwam uit. In 1452 woedde weer een stadsbrand, veel groter nog dan die van 1421.

Gabri van Tussenbroek is hoogleraar stedelijke ­identiteit en monumenten aan de Universiteit van Amsterdam

Titel
De Nieuwezijdse Kapel ging in 1452 in vlammen op, maar de daar bewaarde hostie uit het Mirakel van Amsterdam (1345) overleeft opnieuw het vuur. Prent uit 1639, van Boëtius à Bolswert. Beeld Stadsarchief
TitelDe Nieuwezijdse Kapel ging in 1452 in vlammen op, maar de daar bewaarde hostie uit het Mirakel van Amsterdam (1345) overleeft opnieuw het vuur. Prent uit 1639, van Boëtius à Bolswert.Beeld Stadsarchief
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden