Plus Klapstoel

Edwin Schimscheimer: ‘Toen ging voor mij de hemel open’

Edwin Schimscheimer (1960) is componist, arrangeur, producent, dirigent, zanger en pianist. Zaterdag geeft hij voor de negentiende keer leiding aan het Kinderprinsengrachtconcert, live te zien op NPO3.

Edwin Schimscheimer op de klapstoel. Beeld Harmen De Jong

Watergraafsmeer

“Ik ben er geboren in de jaren zestig, de tijd waarin het leek alsof altijd alles alleen maar ­beter kon worden. Mijn hele familie komt uit Amsterdam-Oost. Wij woonden met het gezin in bij de ouders van mijn vader op het Linnaeushof, met voor de deur een tennisbaan, waar hij les gaf. Ik heb er maar een jaar gewoond, want door het werk van vader verhuisden we naar Brabant: eerst naar Oss en later naar Uden. Amsterdam is een stuk van mijzelf en toch voel ik me niet een echte Amsterdammer. Maar ook geen Brabander. Het is altijd blijven kleven: waar hoor ik nou? Kun je nagaan hoe het is voor iemand die in een ander land geboren is. Dat lijkt me verschrikkelijk moeilijk.”

Misdienaar

“Alle jongens in Uden werden misdienaar. Dat ging in Brabant automatisch. Ik zat op de Paulusschool en tegenover de Paulusschool had je de Pauluskerk, dus dan weet je het wel. Het had ook grote voordelen: je ging met de andere misdienaars een dagje naar de Efteling en had het misdienaarsreisje. Maar het mooiste was: in de jaren zeventig had je de jongerenmis met beatmuziek. Mijn vriendje Toon drumde en speelde op de elektrische gitaar. Geweldig. Als je gewoon muziek ging maken in de kerk, ving je twee vliegen in één klap: je had aan je plicht voldaan en deed toch iets leuks.”

Gimmick

“Mijn eerste bandje. Ik was veertien en speelde piano, mijn broer Marcel van elf speelde bas en mijn broer Bob van negen de drums. We werden begeleid door Ben de Boer, ome Ben voor ons. Die kwam ook uit Amsterdam en speelde jazzgitaar. Zijn zoon Mick was een echt showbinkie. Die speelde in The Tumbleweeds en had al een hit: Somewhere between. Daar keken wij enorm tegenop. Ze hadden succes en hij had een auto, weet je wel. De jongste dochter, Brigitte, werd bij ons zangeres. Een kinderbandje, maar dankzij ome Ben zaten we wel meteen op het goede spoor. Ik heb een brief geschreven naar het ­kinderprogramma Stuif es in en we mochten komen. Helaas hebben we de Gouden Stuiver niet gewonnen, maar als je toen op televisie kwam, wist de hele wereld het. Zeker in zo’n dorp was je meteen een sensatie.”

Martin Dairy

“Vier kleine visjes moesten opeens leren zwemmen in de grote zee. Er werd aan ons getrokken. Gimmick werd Martin Dairy. Ik had iemand ­gezien die dat op zijn shirt had staan en dacht: dat is het. Het slaat nergens op, maar ik heb in mijn leven wel vaker rare impulsen gevolgd. In onze blinde ambitie hebben we mijn jongste broer aan de kant geschoven. Dat hadden we nooit moeten doen. Maar goed, in 1980 wonnen we in Hilversum Poptalent 80, de voorloper van de Grote Prijs van Nederland. Als prijs mochten een single maken: Johnny. Dat werd niks.”

Piano

“Zoals ik het spanningsveld tussen Amsterdam en Brabant heb, heb ik dat ook tussen piano en gitaar. Mijn vader speelde gitaar, gezellige liedjes van Eddy Christiani. Op de gitaar kun je re­latief eenvoudig liedjes maken, maar de piano opent de deur naar een andere wereld: klassiek en jazz. In Uden had ik een pianolerares, daar kwamen van die voorbeeldige pianomeisjes. Ze zagen er niet alleen prachtig uit, ze haalden ook negens voor wiskunde, dat werk. Een van die meisjes speelde op een voorspeelavond de eerste nocturne van Chopin in bes mineur. Toen ging voor mij de hemel open. Zoiets had ik nog nooit gehoord.”

Kinderprinsengrachtconcert

“De befaamde Joop Stokkermans heeft me ervoor gevraagd en ik ben niet meer weggegaan. Je ziet in de kinderen en de bekende artiesten die meedoen het positivisme groeien. Ze ontmoeten elkaar op het podium en in no time gebeurt er iets. Die artiesten, Trijntje Oosterhuis, Jamai of Nick en Simon, horen hun eigen lied in een ander, door mij gearrangeerd jasje, met mooie instrumenten en een orkest. En dat kind denkt: ik mag met die artiest spelen! Er lukt iets in mijn leven! Misschien dat ik weet wat voor waarde dat heeft, omdat ik er zelf zo naar heb verlangd. Dat er iemand is, een soort ome Ben, die zegt: speel maar, het is goed, je mag er zijn, jij met die bekende artiest. Het werkt alle kanten op: naar het kind, naar het orkest, naar de artiest en naar het publiek. Ik vind dat mooi om te doen: mensen een beetje optillen.”

Lied voor de koning

“De koning werd vijftig en ik werd door de Oranjeverenigingen gevraagd een lied te maken. Ik dacht: dat wordt hem, na dat vreemde koningslied dat voor de inhuldiging was gemaakt. Maar meer dan een rimpeltje werd het niet. Ik ben ooit voorgesteld aan Beatrix. Toen ik haar een handje gaf, zag ik dat ze een pukkeltje had bij haar neus. Zo leek ze meer op een oude tante dan op de koningin.”

Berdien Stenberg

“Dat was niet mijn ultieme droom, nee. De Rondo Russo op haar fluit. Maar wat moet je? Het was 1984, ik zat op conservatorium in ­Hilversum en was net vader geworden. Ik werd gevraagd met haar te spelen door haar manager en dacht: dan heb ik tenminste een baantje en verdien ik wat geld. Vijftig optredens in het theater per jaar, twee tournees in Japan. Ik heb het vier jaar gedaan en daarna heb ik acht jaar gespeeld bij René Froger. Dat is ook niet helemaal koosjer, wil je zeggen? Kijk, met jongens van het conservatorium speelde ik in de Paul Natte Band. Elke zondag begeleidden wij allerlei artiesten voor de radio. Ook René Froger, die net succes had met Een eigen huis. Hij dacht: lekkere band. Zo gaan die dingen.”

Televisie

“In de jaren negentig had ik een studiootje in het NRCV-gebouw in Hilversum. Ik zat daar ­elke dag en zo leerde ik vormgever Peter van Loenhout kennen, die de leaders maakte voor hun tv-programma’s. Daar klikte ik leuk mee, dus op een gegeven moment maakte ik voor al die programma’s de muziek. Ik wil niet zeggen dat ik nu financieel onafhankelijk ben, maar dat leverde wel geld op. Ik heb één keer de jackpot gewonnen, toen ik de herkenningsmuziek mocht maken voor Nederland 1. Die is vier jaar op tv geweest, voor en na elk programma. De hele dag door. Dat is echt groot geld. Met alleen je piano of gitaar hou je als muzikant echt het hoofd niet boven water, zeker nu niet meer.”

Songfestival

“Dat was toch wel wat. Een instituut. Ik dacht: het zou toch mooi zijn als ik daar nog eens aan mee kan doen. Ik had al een aantal jaar liedjes ingestuurd tot ik in 1992 Wijs me de weg schreef. Bij Conamus vonden ze het prachtig, maar ­niemand wilde het zingen. Ik heb een vriend gevraagd: Humphrey Campbell. Ik had hem zien optreden met zijn broers: onweerstaanbaar. Ze konden ook heel goed bewegen. Ik dacht: als die het gaan doen, moet het lukken. Ik speelde zelf mee op een antieke accordeon, die ik voor 200 gulden had gekocht van de man die mijn studio verbouwde. We zijn in Malmö als negende geëindigd. Op de dag van de voorronde in Hilversum overleed mijn moeder aan kanker. Ze was er graag bij geweest, ze had haar jurk al klaarliggen. Heel dubbel: het was mijn eerste grote succes. Twee jaar later schreef ik Waar is de zon voor Willeke Alberti.”

Franciscus van Assisi

“De troubadour van God. Ik weet niet hoe dat met anderen zit, maar ik ben altijd een beetje zoekende. Op een gegeven moment volgde ik een cursus cultuurgeschiedenis van de LOI. In een boekje stond: als u ooit in de gelegenheid bent, ga dan naar het klooster van Chevetogne, dat wordt gedeeld door Byzantijnse en Latijnse monniken. Je bleek er ook in retraite te kunnen. Op de slaapkamer vond ik een kinderboek over Franciscus van Assisi, van Jean Dulieu, die ook Paulus de Boskabouter heeft geschreven. Omdat ik geen zak te doen had in dat klooster, ben ik er een voorstelling van gaan maken. Elke keer als ik er kwam, werkte ik eraan, acht jaar lang. Aanvankelijk dacht ik: er zit geen hond op te wachten, maar het mondde toch mooi uit in een musical en een tv-programma met het Metropole Orkest.”

Herman Brood

“Een aparte snoeshaan. Ik kwam hem tegen op een muziekgala met die manager van hem, Koos van Dijk. We zaten te jammen en te pielen, zoals dat gaat met muzikanten. Dat hoorden ze. Dus was het: ‘Hé, hé, jullie daar!’ Zodoende werd ik producer van Back to the corner, de cd waarop Herman met een bigband speelt. Tijdens de opname in de Wisseloord Studio’s zei iemand: laten we ook meteen My Way opnemen. Even snel. Dat zou helemaal niet op die cd komen, maar echt met het idee: als het dadelijk afgelopen is met Herman… Die wist zelf ook heel goed wat we aan het doen waren, zo goochem was hij wel. Ik deed de pianopartij. Het werd zijn enige nummer 1-hit. Na zijn dood. En ik mocht erop meespelen!”

Van binnen naar buiten

“Een album met mijn eigen liedjes. Luisterliedjes noemen de mensen dat. Heel persoonlijk. Een reflectie op mijn eigen leven. Eerst ga je bij jezelf naar binnen en met de nieuwe wetenschap die je daar opdoet, treed je weer naar buiten. Door dat professionele leven van mij ben ik overal terechtgekomen, maar dat jongetje met zijn liedjes ben ik onderweg nooit helemaal kwijtgeraakt. Het is fijn dat ik er weer iets van naar boven kan halen. Ach, er zit niets anders op dan doen wat bij je past.”

Mark Minkman

“Ik ken hem niet, maar Paradiso natuurlijk wel. Ik heb er vroeger wel gespeeld. Dan zat je in de kelder in zo’n kleedkamer en dacht je: al die ­beroemde bands hebben hier toch ook maar in die achenebbisj rotzooi gezeten.”

Kinderprinsengrachtconcert, 17.25 uur, NPO3

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden