Plus

Dit tehuis bood eindelijk een plek 'voor den arbeider'

Tochtige hokken, lekkende zolderkamers: alleenstaande arbeiders waren lang overgeleverd aan het kostgangersysteem. Er was één bouwfonds dat zich het lot van de ongehuwde werkende mannen aantrok.

Het restaurant van de Atva, hier in 1936, was in feite een volksgaarkeuken. Beeld Stadsarchief

Na bijna tien jaar onderhandelen, vergaderen en plannen maken kon burgemeester Willem Tellegen op 5 september 1918 het eerste Amsterdamsch Tehuis voor Arbeiders (Atva) feestelijk openen. Eindelijk had ook Amsterdam 'een tehuis dat gedacht is voor den valide arbeider, die bereid is voor een goede woning een goede prijs te betalen'.

Het Atva was bestemd voor alleenstaande arbeiders, die ondanks de Woningwet van 1901 waren aangewezen op het kostgangerschap in tochtige kelders of op lekkende zolderkamers. De Vereeniging Amsterdamsch Bouwfonds, opgericht in 1905, trok zich het lot van de alleenstaanden aan. In navolging van wat directeur H.C.A. Henny ­elders in Europa had gezien, bouwde het fonds aan de Marnixstraat een woonhuis voor mannelijke arbeiders.

Het had niet veel gescheeld of dit sociale project was nooit uitgevoerd. Het Bouwfonds had de grootste moeite gehad om met de door de overheid toegezegde middelen een geschikte locatie te vinden.

Pas in 1913 kregen ze de beschikking over het perceel aan de Marnixstraat, op de plaats van de voormalige Amstel-Suikerraffinaderij. De keuze voor Jan van der Pek als architect lag voor de hand. Hij was de huisarchitect en medeoprichter van het bouwfonds en een ware 'volksarchitect'. Veel van zijn collega's vonden dat er aan 'volkshuisvesting' eigenlijk geen eer te behalen viel.

Volksgaarkeuken
Het arbeiderstehuis telde 350 eenpersoonsslaapkamers van 2,20 bij 3,10 meter, met een eigen wastafel plus spiegeltje, een raam dat open kon, een bed met kapokmatras, hoofdkussen en beddengoed, een tafeltje, een stoel en een afsluitbare kast.

De vloeren waren van hout­graniet en bovenaan de grijs behangen wanden zat een houten lijst om foto's en schilderijtjes aan op te hangen. Toiletten, poetskamers, voetbaden en badkamers waren er in de gangen. De bewoners deelden verder een grote gezelschapszaal, een eetzaal en een 'gezellige' lees-, schrijf- en koffiekamer. Het restaurant was in feite een volksgaarkeuken, waar bewoners en niet-bewoners tegen gereduceerd tarief konden eten.

Het bouwfonds legde veel nadruk op de begeleiding van de bewoners. Vijf woningopzichters hielden toezicht op 'het juiste gebruik van de woningen'. Nieuwe huurders moesten worden opgevoed tot modelhuurders, die ook in hun ­latere wooncarrière goede huurders zouden blijven. De was werd eens per week centraal gedaan, er was een schoonmaakdienst en wie zich niet hygiënisch gedroeg, moest het pand uit.

Het was juist deze nadruk op 'goede bewoning' die ervoor zorgde dat de doelgroep minder ­belangstelling toonde dan verwacht. De vele ­extra's boden niet op tegen het gevoel van betutteling. Daarbij liep door al die extra's de huur te hoog op voor gewone arbeiders. Het Atva moest al snel andere groepen ongehuwde huurders zoeken, zoals ambtenaren, kantoorpersoneel en vaklieden.

In de Tweede Wereldoorlog werd het Atva door de Duitsers ontruimd, maar na de oorlog keerde het oude leven weer terug. Een 'enorme bijenkorf met alleen mannetjesbijen', schreef een krant in 1952. De gemiddelde verblijfsduur van de bewoners was een jaar, volgens het Algemeen Handelsblad in juli 1963. Slechts dertig mannen woonden er al langer dan twintig jaar en het waren lang niet meer alleen arbeiders die er onderdak vonden.

370 gulden huur
Het Atva bleef tot het eind van de jaren zestig onder min of meer dezelfde omstandigheden functioneren; toen raakte het ouderwetse systeem uit de tijd. De woningopzichters werden afgeschaft, er kwam leegstand. Het gebouw verviel langzaam en sloop dreigde, tot het in de ­jaren zestig op de rijksmonumentenlijst kwam te staan.

De renovatie begon in 1975, na de fusie van het bouwfonds met de Algemene Woningbouw­vereniging. De 350 kleine kamers werden verbouwd tot 171 woningen van zo'n 30 tot 60 m². Studenten en starters op de woningmarkt trokken erin - en voor het eerst ook vrouwen.

Jan Schaefer, de net afgetreden staatssecretaris van Stadsvernieuwing, opende het nieuwe pand in 1977. Het was een feestelijke gebeurtenis, net als in 1918, al kon het communistische dagblad De Waarheid niet nalaten enig azijn te gieten. 'Of de alleenstaanden met de huren ­tevreden zijn, is een tweede. Ex-staatssecretaris Schaefer mocht dan trots zijn dat hij het gebouw mocht komen openen, hij zei geen woord over het feit dat de mensen met een minimum­inkomen, voor wie dit gebouw toch bedoeld is, huren van 260 tot 370 gulden per maand voor hun alleenstaandenwoning zullen moeten ­betalen.'

In 2017 is het Atva, dat nu wordt beheerd door woningcoöperatie Stadgenoot, opnieuw gerenoveerd.

Het Amsterdamsch Tehuis voor Arbeiders (Atva) aan de Marnix­straat, rond 1918. Beeld Fotocollectie Eerste Wereldoorlog

Passanten

Op de bovenste verdieping van het Atva waren passantenkamertjes voor enkele nachten. Grotere groepen reizigers, nogal wat afkomstig uit Oost-­Europa, konden terecht in grotere slaapzalen. In 1959 vond bijvoorbeeld het Joegoslavisch Zang- en Danstheater uit Sarajevo, 110 man sterk, er onderdak. Vijf jaar later haalde het ­tehuis de kranten toen twee Poolse deelnemers aan de wielerronde Olympia's Tour de benen namen voor het verkrijgen van asiel in het Vrije Westen: Roman Chtiej, tweevoudig Pools ­wegkampioen wielrennen, en ­Waldemar S¿owi¿ski.

In het aprilnummer van Ons Amsterdam staat een uitgebreide versie van dit ­artikel, zie ook onsamsterdam.nl.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.