Plus Achtergrond

Deze tentoonstelling wil Nederlanders bijspijkeren over Suriname

Meer dan vierhonderd jaar gedeelde geschiedenis en toch weten de meeste Nederlanders bar weinig over Suriname. De Grote Suriname-tentoonstelling in De Nieuwe Kerk wil daar verandering in brengen.

Dirk Valkenburg schilderde in 1707 slaafgemaakten op een suikerplantage in Suriname. Beeld Statens Museum Kopenhagen

Zonder Suriname had Duitsland misschien wel de Tweede Wereldoorlog gewonnen. Van de Amerikaanse bommenwerpers die Hitlers oorlogsindustrie platlegden en de Führer op de knieën dwongen, was 82 procent ­gebouwd met bauxiet uit Suriname. Het land was toentertijd ’s werelds grootste exporteur van deze aluminiumgrondstof en zou dat lang blijven.

Zonder Suriname zou het er een stuk slechter voorstaan met de mondiale biodiversiteit. Hoewel het land een bescheiden hoekje van de Amazone beslaat, kent het een bijzonder hoge soortendichtheid: 1985 dieren en 7906 planten, waaronder meer mangrovebos dan het complete Caraïbische gebied bij elkaar. De natuurlijke rijkdom is te danken aan een bebossingsgraad van 93 procent – geen ander land kan daaraan tippen.

Zonder Suriname zou de Joodse cultuur nooit zo sterk geworteld zijn in de Nieuwe Wereld. Al in 1639 zetten de eerste Sefardische Joden, verjaagd en opgejaagd door het rabiaat antisemitische Portugal en Spanje, er voet aan wal. Ze stichtten een staat in een staat en gaven de suikerproductie een ongelooflijke oppepper. Met de opbrengsten bouwden ze in 1685 de eerste stenen synagoge op het Amerikaanse continent en financierden ze later een gebedshuis in Manhattan.

Het zijn drie voorbeelden uit een enorme berg feiten, verhalen en weetjes over Suriname waar de gemiddelde Nederlander geen weet van heeft. Vreemd eigenlijk als je bedenkt dat Nederland een langere geschiedenis deelt met Suriname dan met bijvoorbeeld Limburg. En dat ruim 350.000 Nederlanders, velen van hen Amsterdammers, hun wortels hebben in dat Zuid-Amerikaanse land.

Niet wit over zwart

“Toen wij voorbereidend onderzoek deden bleken vooral jongeren bedroevend weinig te weten over Suriname,” motiveert hoofd tentoonstellingen Marlies Kleiterp De Grote Suriname-tentoonstelling in De Nieuwe Kerk. “Suriname is uit het collectieve geheugen verdwenen, terwijl er nauwe banden waren en zijn. We hebben eerder tentoonstellingen gemaakt over Marokko en Turkije, ook landen met Nederlandse connecties, dus deze expositie past in een traditie.”

De huidige slavernijdiscussie speelt volgens Kleiterp zeker een rol. “Want waar vond die slavernij plaats? In Suriname. Er zijn eerder tentoonstellingen over dit onderwerp geweest maar wij willen een breder, meer omvattend perspectief presenteren. Daarom noemen we het ook De Grote Suriname-tentoonstelling.”

Marlies Kleiterp, conservator De Nieuwe Kerk, hoopt Suriname terug te brengen in het collectieve geheugen.

Dat grote slaat zeker op de omvang: zo’n driehonderd voorwerpen, van opgezette dieren tot hedendaagse kunst. Nu vergaan textiel, hout en metaal in het tropische klimaat van Suriname waar je bijstaat en kent het land geen lange conserveringstraditie, dus zijn veel historische stukken afkomstig uit Nederlandse musea en collecties. De Nieuwe Kerk heeft veel moeite gestoken in het lokaliseren en lenen van bijzondere objecten uit het Nationale Archief Suriname en het particuliere Koto Museum in Paramaribo. “Dit mocht geen tentoonstelling worden van wit over zwart,” stelt Kleiterp met nadruk. “Daarom hebben we in de twee jaar voorbereidingstijd ook gewerkt met tientallen Surinaamse adviseurs, zowel daar als hier.”

Surinamers zijn in de tentoonstelling aanwezig in audio-interviews en filmpjes, maar ook in de vorm van het kinderboek dat Humberto Tan schreef voor de gelegenheid. Samenwerking met het Kwaku Festival en Surinaamse media moet ervoor zorgen dat ook Surinamers in Nederland de tentoonstelling bezoeken.

Koloniale misdadigheid

De Nieuwe Kerk maakt vaak chronologische presentaties, ‘van-tot-jes’ in hun eigen jargon. Zo’n periodeafbakening past hier niet. De Grote Suriname-tentoonstelling is daarom opgezet als thematisch mozaïek, om de complexe materie toch behapbaar te maken voor een breed publiek. Het is een soort visuele biografie van een land en zijn bewoners.

Het eerste van de acht hoofdstukken die het verhaal van Suriname vertellen, gaat over een groep die vaak vergeten wordt: de inheemsen of oorspronkelijke bewoners. Zij wonen in kleine gemeenschappen in het binnenland, spreken negen verschillende talen en hebben een verleden dat negenduizend jaar teruggaat. Zij leefden als jagers en verzamelaars en bedreven bescheiden landbouw toen aan het eind van de zestiende eeuw de eerste westerlingen arriveerden. Geesten van de zee, noemden ze die, en ze offerden goud aan ze. Dat wakkerde de westerse veroveringsdrang nog eens extra aan.

Veren danskroon (Olok), Wayana, voor 1907. Beeld Nationaal Museum van Wereldculturen

Suriname was in eerste instantie een Britse kolonie maar werd in 1667 geruild tegen Nieuw Amsterdam, het latere New York. De West-­Indische Compagnie, met de stad Amsterdam als grootaandeelhouder, ging het uitbaten als wingewest. Oude kaarten laten zien hoe langs de rivieren smalle stroken land werden gecultiveerd tot plantages met namen als Katwijk, Alkmaar, Purmerend en Voorburg.

De kolonisatie markeerde het begin van vier eeuwen migratiegeschiedenis. De Joden behoorden tot de vroege nieuwkomers. Duitse avonturiers en Hollands gevangenistuig stroomden daarna binnen. Vanaf 1873 werden op grote schaal contractarbeiders uit India aangevoerd, al snel gevolgd door scheepsladingen Javanen. De meeste migranten leefden onder erbarmelijke omstandigheden, vergelijkbaar met horigen. Toch kan dit beschouwd worden als een beschavingstreetje hoger dan de slavernij waar de hele plantage-economie – en daarmee de kolonie – op was gebouwd.

De tentoonstelling staat uitgebreid stil bij dit misdadige verleden. In de tot contemplatie stemmende kapel wordt verteld over de twee maanden durende zeereis die de tot slaaf gemaakte Afrikanen maakten, wat niet iedereen overleefde. Een kromboei illustreert de onmenselijke behandeling die hun wachtte op de plantage. Winti-attributen laten zien dat zij toch hun eigen identiteit behielden. Een flink aantal van hen wist het oerwoud in te vluchten, waar ze hun eigen marrondorpen stichtten en een eigen cultuur ontwikkelden, in de kerk aanwezig in de vorm van houtsnijwerk.

Decembermoorden

Ook de moeilijke onderwerpen uit een recenter verleden komen aan bod. De schilderijen van Iris Kensmil houden de herinnering levend aan de Decembermoorden, de executie in 1982 van vijftien tegenstanders door het militaire ­regime-Bouterse. De 39 lege stoelen rond de gedekte tafel van kunstenaar Marcel Pinas staan symbool voor de evenzovele slachtoffers die vielen toen regeringstroepen vier jaar later op zoek naar het junglecommando van Ronnie Brunswijk een bloedbad aanrichtten onder marrons.

Maria Sibylla Merian tekende deze prent in een boek uit 1730 over de insecten in Suriname. Beeld De Nieuwe Kerk

Eigenlijk werkt de hele tentoonstelling toe naar een beter begrip van Suriname nu, onderwerp van het slothoofdstuk dat onder meer de groene japon toont die prinses Beatrix droeg bij de onafhankelijkheidsceremonie in 1975. De plantage-economie heeft plaatsgemaakt voor bauxiet- en goudmijnen. De historische houten binnenstad is uitgeroepen tot werelderfgoed. Maar als jong, ultiem multicultureel land zit Suriname nog volop in het proces van ‘nation building’. De vijf grote bevolkingsgroepen, allemaal vertegenwoordigd met eigen kleding en keukens, komen dichter tot elkaar. Dat kan ook niet anders in een land dat vier keer zo groot is als Nederland maar ruwweg evenveel inwoners heeft als Den Haag. Men viert elkaars feest­dagen, er wordt steeds meer onderling ­getrouwd en voorzichtig zet de ontzuiling in.

Tegelijkertijd zit de studiezaal van het Nationaal Archief in Paramaribo iedere dag vol met bezoekers die sporen van hun voorouders zoeken. Het zelfbewustzijn groeit. Ook Surinamers zelf willen meer weten over hun eigen land.

De Grote Suriname-tentoonstelling: t/m 2/2, De Nieuwe Kerk.

Over de maker en de herkomst van dit eeuwenoude topstuk is vrijwel niets bekend. Beeld Stichting Surinaams Museum

Precolumbiaans masker is topstuk

Het topstuk van de tentoonstelling is een bruine ovalen schijf die niet groter is dan een A4’tje en zo’n twee kilo weegt. Er zijn twee ogen in te herkennen, wenkbrauwbogen en een neus. Met een beetje gevoel voor drama is te zeggen dat dit het oudste gezicht van Suriname is.

Omdat het uit anorganisch steen is gehouwen, is koolstofdatering hier niet van toepassing. Afgaande op de grondlaag in Albina waarin het masker is gevonden, schatten archeologen de leeftijd op 800 tot 1100 jaar. Het wordt dan ook getypeerd als pre­columbiaans, om aan te geven dat het ouder is dan de ‘ontdekking’ van Amerika door Columbus.

Dit masker is enig in zijn soort in het noordelijk deel van Zuid-Amerika. Slechts één keer eerder was het stuk in Nederland, toen alleen voor een ­select groepje onderzoekers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden