PlusAchtergrond

De zilveren schat van rampschip Rooswijk - verslag van een laatste reis

Het VOC-schip Rooswijk vertrok in de winter van 1740 naar Indië, volgeladen met handelswaar en zilver, maar het verging al voor de Engelse kust. Rooswijk 1740 vertelt het verhaal van het schip en de gedoemde bemanning.

Maritiem archeoloog Martijn Manders met een zilveren munt uit het wrak van de Rooswijk. Beeld Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed - Michael Pitts
Maritiem archeoloog Martijn Manders met een zilveren munt uit het wrak van de Rooswijk.Beeld Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed - Michael Pitts

Het vertrek van de VOC-schepen Berkenrode, Beu­kenstijn, Vis en Rooswijk vanaf de Rede van Texel was een kleine aankondiging waard in de Amsterdamsche Courant van 12 januari 1740. Wat dan nog niemand weet, is dat de Rooswijk twee dagen eerder in een storm voor de kust van het Engelse graafschap Kent met man en muis is vergaan. Pas eind januari vernemen de bewindhebbers van de VOC-Kamer van Amsterdam het nieuws. Voordeel van die zeereis van slechts één dag is dat ze de nabestaanden van de verdronken 237 opvarenden niets hoeven uit te betalen.

Voor de Amsterdammer Daniel Ronzieres was het zijn eerste reis als schipper, na ruim vier­duizend dagen dienst voor de VOC. Het zat hem mee, zo leek het. Voor de Rooswijk was het de tweede reis, na een retourreis naar Batavia vol tegenspoed. Zo was het schip toen vier maanden na het vertrek van Texel pas ter hoogte van Bordeaux, waar het al de Kaap had moeten ronden. De Kaapverdische Eilanden werden pas na 142 dagen bereikt, met een door scheurbuik aanzienlijk geslonken bemanning. Eenmaal in Batavia telde de Rooswijk nog slechts 190 van de oorspronkelijk 263 aangemonsterde bemanningsleden.

24 namen bekend

De naam van het schip en de schipper, het aantal opvarenden en de noodlottige ondergang, dat was lang alles wat er bekend was over de Rooswijk. Naast het archeologisch maritiem ­onderzoek voor de Engelse kust doken historici de archieven in op zoek naar sporen. Twee ­genealogen stuitten toevallig op de met schulden achtergebleven weduwe van de Rotterdammer Barend Lont, opperstuurman van de Rooswijk. Een zoektocht, die werd ondersteund door de vrijwilligers van het Project Alle Amsterdamse Akten van het Stadsarchief, leverde nog meer vondsten op: van de 237 bemanningsleden zijn nu 24 namen bekend.

Op basis van de herontdekte namen heeft ­Laura van der Haar in Rooswijk 1740 de levens van enkele opvarenden geromantiseerd. Korte levensverhalen, met mogelijke motieven om huis en haard te verlaten voor het aanmonsteren in Amsterdam voor een ongewis overzees avontuur. Gewaagd, maar het werkt. Vooral ­omdat de belevenissen van de geromantiseerde personages verweven zijn met de duiksessies van maritiem archeoloog Martijn Manders naar de restanten van het noodlottige schip.

Hoog zilvergehalte

Het wrak van de Rooswijk werd in 2000 ontdekt door de Londense timmerman Ken Welling, die in zijn vrije tijd de zandbodem van Goodwin Sands afspeurde op verstoringen. Het was misschien wel de vondst van zijn leven, dat volgeladen VOC-schip. De amateurduiker zocht steun bij de bekende Britse schatduiker Rex Cowan, een man met ervaring en goede contacten met het Nederlandse ministerie van Financiën. Gezonken VOC-schepen zijn nog altijd eigendom van Nederland, waar ze ook liggen.

Op de reis naar Indië verging de Rooswijk al voor de kust van Engeland, net als dit door zeeschilder Willem van de Velde vastgelegde oorlogsschip. Olieverf, circa 1680. Beeld Rijksmuseum
Op de reis naar Indië verging de Rooswijk al voor de kust van Engeland, net als dit door zeeschilder Willem van de Velde vastgelegde oorlogsschip. Olieverf, circa 1680.Beeld Rijksmuseum

De eerste twee duikcampagnes van Cowan, in 2004 en 2005, waren vooral gericht op het ­bovenhalen van het vele zilver dat aan boord was. Volgens de papieren waren er 36.000 zilvermunten aan boord, met een hoog zilver­gehalte, voor aankoop van thee en porselein in Batavia. De eerste bovengehaalde zilverstaven en munten werden door Cowan snel geveild, ­tegen de zin van de archeologische dienst van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en ­Wetenschappen. De rijksarcheologen moesten toen nog hun meerdere erkennen in de boekhouders van Financiën, maar dat zou snel veranderen.

In 2007 besloot het Verenigd Koninkrijk de Rooswijk aan te wijzen als scheepswrak met historische waarde, wars van het contract tussen Cowan en de Nederlandse staat. Alle activiteiten werden stilgelegd. In Den Haag gingen ­diverse ministeries snel met elkaar in overleg om voortaan een wrak niet direct aan de hoogste bieder te verkopen. Het resultaat van dat ­besluit is de huidige opgraving, in 2017 gestart door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in ­samenwerking met Historic England. En met het duikbedrijf van Rex Cowan als uitvoerder.

Ingenaaide munten

Rond 1740 was de wereldwijde zilversmokkel op zijn hoogtepunt. Zilver werd in landen als ­Mexico en Bolivia gedolven en naar Europa verscheept. In Azië was een zilvermuntje nog meer waard dan in Europa. ‘Het enige wat de bemanning van de Rooswijk hoefde te doen, was blijven zitten, het muntgeld onderweg bij zich zien te houden en vooral: niet doodgaan,’ stellen Manders en Van der Haar. Het is een verklaring voor de latere vondst van eindeloos veel munten met een laag zilverpercentage, vaak voorzien van een gaatje. Muntstukken die voor de reis zaten ingenaaid in kledingstukken van de opvarenden.

Oppersmokkelaar was schipper Daniel Ronzieres. In de maanden voorafgaand aan de reis ging hij liefst acht geldleningen aan, die werden vastgelegd door vier notarissen. Ronzieres leende bij elkaar 17.000 gulden, goed voor twintig jaarsalarissen voor een schipper. Die zilveren munten zaten in kisten, vastgenageld in zijn hut – smokkelwaar dat mogelijk een onderdeel was van ‘de zilverberg’ waar Rex Cowan in 2005 op stuitte in het volledig uit elkaar geslagen achterschip. Wat de schatduiker met zijn team precies heeft bovengehaald, blijft een mysterie. De cijfers variëren, afhankelijk van de gebruikte ­database. Het gerucht gaat dat de duikers ­destijds voor een deel in natura zijn betaald.

Knekelput

De resten van de Rooswijk liggen op 25 meter diepte verspreid bij de verraderlijke zandbanken van Goodwin Sands, negen kilometer voor de kust van het Engelse Kent. Het is één grote knekelput, met de overblijfselen van duizenden verdronken zeevarenden. ‘Hoge officieren en doorgewinterde schippers en kapiteins, maar ook jonge weesjes, scheepsjongens en nietsvermoedende passagiers,’ aldus maritiem archeoloog Martijn Manders en schrijver Laura van der Haar in hun boek Rooswijk 1740.

Martijn Manders en Laura van der Haar: Rooswijk 1740. Balans, € 23,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden