PlusReportage

De witkar van Provo was zijn tijd ver vooruit

Toen de stad in de jaren zeventig vastliep door de vele auto’s werd de witkar geïntroduceerd: een deelauto die, zo bleek, zijn tijd ver vooruit was. De meeste witkarren zijn verloren gegaan, maar in Schalkwijk wordt er een helemaal gerestaureerd.

Marc Kruyswijk
Martin IJdo is deskundige op het gebied van museale restauratie van technische objecten. Beeld Daphne Lucker
Martin IJdo is deskundige op het gebied van museale restauratie van technische objecten.Beeld Daphne Lucker

Het lijkt een beetje op het stalen onderstel van een ouderwets rijtuigje. Het chassis van de witkar is zojuist handgeschilderd met zwarte verf, precies zoals dat bijna een halve eeuw geleden moet zijn gebeurd. Destijds in de fabriek van Spijkstaal, een van de drie plekken waar de legendarische witkarren werden geproduceerd.

Bomvrij is misschien het juiste woord. Alles aan het onderstel ademt degelijkheid. Het ziet er een beetje uit alsof het door een smid is geconstrueerd: mits goed onderhouden lijkt dit chassis er te zijn voor de eeuwigheid. En toch is het voertuig als geheel ontmanteld door Martin IJdo, dé deskundige in Nederland als het aankomt op de museale restauratie van technische objecten. Op de werktafel staat het onderstel, ernaast onder meer de wielen en remblokken. En even verderop in IJdo’s magnifieke werkruimte in Fort Honswijk aan de Lek in Schalkwijk, staat de polyester kap van de witkar.

Marineterrein

Het is duidelijk dat die nog de nodige liefde en aandacht behoeft. Maar als het eenmaal af is, vermoedelijk over een paar maanden, moet de witkar (ook rijdend) te zien zijn op het Marineterrein, waar Nemo een extra locatie heeft, speciaal gericht op volwassenen.

Voor wie het mocht zijn vergeten: de witkar geldt als deelvervoer avant la lettre. Bedacht en ontworpen door Luud Schimmelpennink, de provo die eind jaren zestig toetrad tot de Amsterdamse gemeenteraad. Schimmelpennink ergerde zich aan de problematische vormen die de opkomst van de auto in de stad met zich meebracht en bedacht zijn wittefietsenplan: 2000 collectieve fietsen die door iedereen zouden kunnen worden gebruikt.

Toen deze deelfietsen werden afgewezen kwam Schimmelpennink met een alternatief, zijn Witkarplan: een collectief motorvoertuig, ook wel bekend als ‘Elektriese Munt-Oto’, een soort cilindervormig golfkarretje op drie wielen. Wie een witkar wilde gebruiken, moest lid worden van een vereniging en kon aanvankelijk voor een gulden per vijf kilometer een witkar lenen bij een van de vijf stations in de binnenstad. Een rit diende ook weer op zo’n station te eindigen, waarna de accu’s van de witkar binnen zeven minuten konden worden opgeladen.

Vijf stations in de stad

Het had veel voeten in aarde, maar op 21 maart 1974 opende Irene Vorrink, destijds minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, het eerste witkarstation, aan het Amstelveld. Vanaf dat jaar was het systeem in gebruik met 25 voertuigen en vier, later vijf, stations op het Amstelveld, de Elandsgracht, de Nieuwmarkt, de Oude Brugsteeg en het Spui.

Echt van de grond zou het nooit komen, volgens Schimmelpennink wegens tegenwerking door de gemeente, die te moeilijk zou doen over de vergunningen. In 1986 besloot de vereniging zichzelf op te heffen omdat de doelstelling, 25 stations en 125 voertuigen, niet was gehaald.

Liefde en aandacht

Hoeveel witkarren er nog over zijn is onzeker. Vast staat dat Nemo twee exemplaren in bezit heeft. Een ervan is voor iedereen te zien in het wetenschapsmuseum, de andere wordt nu gerestaureerd door IJdo. En die beschikt in ruime mate over de benodigde liefde en aandacht.

IJdo pakt de zaken serieus aan. De witkar wordt zo goed mogelijk in originele staat teruggebracht, maar met een aantal concessies om veilig gebruik mogelijk te maken. “Ik moet ’m weer rijdend krijgen. Dat betekent dat je soms onderdelen moet vervangen die tegenwoordig niet meer precies zo te vinden zijn. Ik registreer alles en de onderdelen die ik verwijder worden allemaal opgeslagen. Dat mag niet verloren gaan.”

IJdo gaat heel ver in zijn reconstructie. Neem bijvoorbeeld de zittingen van de witkar. Het schuim dat erin zit heeft de tand des tijds niet doorstaan. “Maar die zittinkjes zijn niet meer precies zo te vinden. Daar moet ik nog iets voor verzinnen.”

‘Ik registreer alles en onderdelen die ik verwijder, worden allemaal opgeslagen. Dat mag niet verloren gaan.’ Beeld Daphne Lucker
‘Ik registreer alles en onderdelen die ik verwijder, worden allemaal opgeslagen. Dat mag niet verloren gaan.’Beeld Daphne Lucker

Bewezen techniek

Of de hendeltjes waarmee de richtingaanwijzer en de verlichting worden bediend. “Die bleken afgebroken. Ik heb onderzoek gedaan. Een particuliere eigenaar wees mij in de richting van een Fiat 500. Google is je beste vriend, want vervolgens kwam ik erachter dat die destijds uit de Fiat 850 Spider kwamen. Die kon ik gelukkig nieuw bestellen bij een Fiatspecialist. Dat is dan wel echt een eurekamoment.”

De witkar is IJdo allesbehalve tegengevallen; het is een degelijk vervoermiddel. “Er is destijds gebruik gemaakt van bewezen techniek. De elektronica, of misschien beter de mechatronica, is hufterproof.”

Aaibaar karretje

De witkar was zijn tijd ver vooruit. Dat blijkt wel nu het concept deelvervoer de laatste jaren een vlucht heeft genomen. Met dank aan betere accu’s, maar ook doordat de smartphone de toepassingen veel praktischer maakt. IJdo denkt dat de stations die nodig waren om de witkarren op te laden een succesvolle implementatie het meest ingewikkeld maakten. “Ik denk dat ze dat is opgebroken. Op allerlei centrale plekken in de stad grote installaties, mensen wilden dat niet.”

Voor het ontwerp heeft IJdo vooral lof. “Het is een aaibaar karretje. Natuurlijk is het een beetje oubollig, met die ronde koplampjes voorop. De witkar is vreselijk leuk, mooi door z’n eigen lelijkheid. Het object is een vervoermiddel met een verhaal, een verhaal dat zijn tijd vooruit was weliswaar, maar wel een mooi verhaal.”

Van de witkar zijn voor zover bekend in totaal 38 exemplaren gebouwd. Enkele musea en particulieren beschikken nog over een exemplaar, waaronder het Amsterdam Museum en het Nationaal Bus Museum. Ook bij autoverhuurbedrijf KAV is een exemplaar aanwezig.

Het idee in de jaren zeventig was dat door de stad verspreid stations zouden komen. Hier kon een van de autootjes worden opgepikt en van daaruit kon naar een ander station worden gereden. Met dertig kilometer per uur. Daar aangekomen reed de auto het station binnen richting een parkeerstrook voor maximaal tien auto’s en een stroomrail waarmee automatisch contact werd gemaakt, zodat de accu’s meteen konden worden opgeladen.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden