Plus Serie: Vogelen

De roofvogel voelt zich thuis in het Amsterdamse Bos

Vogelaar Arjan Dwarshuis speurt parken, bossen en achter­tuinen af naar de ruim 300 vogelsoorten die de stad rijk is. Deze week: vele toppredatoren voelen zich thuis in het Amsterdamse Bos.

Beeld Ted Struwer

De spaarzame zonnestralen die door het dichte bladerdak schijnen werpen smalle lichtbundels op de met das­look bedekte bosbodem, waar vermolmde boomstammen kriskras over elkaar heen liggen. Langs het pad staan knoestige oude beuken vol tonderzwammen en spechten­gaten en van alle kanten klinkt de zang van merels en zanglijsters: even waan ik me in een Oost-Europees oerbos. Je zou het niet zeggen, maar ik bevind me op slechts een kwartiertje fietsen van het centrum van Amsterdam.

Het Amsterdamse Bos is tussen 1934 en 1970 aangelegd, ter uitbreiding van de recreatie­faciliteiten van de hoofdstad. In de jaren dertig bood dit project werk aan vele duizenden mensen die door de crisis werkloos waren geworden. Daarna brak een duistere episode aan: tijdens de Tweede Wereldoorlog werden Joodse gevangenen door de bezetter gedwongen om aan de aanleg van het bos te werken. De meeste van hen zijn uiteindelijk gedeporteerd naar Duitsland en Polen.

Na de oorlog werd het werkverschaffingsproject hervat en in 1970 werden de allerlaatste bomen, symbolisch, door kinderen geplant. Nu is het een van de belangrijkste natuurgebieden van Amsterdam en omgeving, met meer dan 150 soorten bomen en ruim 200 vogelsoorten.

Als een torpedo

Vanaf een bruggetje zie ik nog net hoe een ijsvogel laag over het water de hoek om schiet, als een schitterende blauwe schicht. Deze tropisch ogende vogeltjes nestelen in zelf uitgegraven gangen in steile oevers en tussen de wortels van omgevallen bomen. Ze jagen op visjes vanaf laaghangende takken boven het water. Als ze een prooi in het vizier hebben duiken ze als een torpedo, met hun dolkvormige snavel vooruit, het water in: een doorzichtig extra ooglid fungeert als een soort duikbril, waardoor hun ogen niet beschadigd raken. Hoewel hun naam anders doet vermoeden, houden ze absoluut niet van ijs (‘ijs’ komt van ijsblauw).

Tijdens de strenge vorstdagen van februari en maart vorig jaar is de ijsvogelpopulatie dan ook gehalveerd. Gelukkig kunnen ze jaarlijks wel drie legsels van vier tot acht jongen groot­brengen en nu we steeds meer zachte winters hebben zal de populatie zich ongetwijfeld snel herstellen.

Ineens klinkt boven mijn hoofd een klaaglijk gefluit, wat ik zo snel niet kan thuisbrengen. Het geluid verplaatst zich richting de open plek bij de geitenboerderij. Ik spring op mijn fiets en zet de achtervolging in. Als ik het schaduwrijke bos uitkom moeten mijn ogen even wennen aan het felle zonlicht, maar dan ontwaar ik een forse roofvogel, die met licht omlaaggebogen vleugels boven de boomtoppen cirkelt. Ik pak mijn kijker en stel scherp. Hij heeft een lange, gebandeerde staart, een fijn schubjespatroon op de onderzijde en een smalle, uitstekende kop met sprekende felgele irissen: een wespendief.

In tegenstelling tot de ijsvogel is de naam van deze vogel wél uitstekend gekozen. De wespendief is namelijk verzot op bijen en wespen. Hij volgt ze naar hun nest en graaft ze dan uit, waarna hij zich te goed doet aan de larven, de poppen en zelfs de honing. Van de volwassen insecten verwijdert hij eerst de angel voordat hij ze opeet, door ze met hun achterlijf langs een tak te wrijven; de stugge, schubachtige veren op zijn kop en de dikke huid op zijn poten beschermen hem tegen eventuele steken. Daarbij is hij tot zekere hoogte immuun voor hun gif.

Tijdens het broedseizoen vervoert hij de raten naar zijn nest en voert ze aan zijn kuikens. De meeste wespendieven keren pas eind mei terug uit hun overwinteringsgebieden in Afrika, zodat ze hun jongen kunnen grootbrengen tijdens de wespenpiek, in de maanden juli en augustus.

De wespendief is een veelzijdige vogel en in tijden van wespenschaarste wil hij ook weleens eieren, jonge vogels, kleine zoogdieren, reptielen en amfibieën verschalken.

De wespendief klapt een paar keer snel met zijn vleugels boven zijn lichaam en voert dan een korte, golvende duikvlucht uit. Dit ritueel wordt een paar keer achter elkaar herhaald: hij is aan het baltsen.

Vermoedelijk probeert hij een vrouwtje, dat ergens vanuit een verdekte positie zit toe te kijken, het hof te maken. Hopelijk slaagt hij hierin en zal hij, net als vorig jaar, samen met haar een jong grootbrengen. Deze specialistische roofvogel broedt alleen in oude, uitgestrekte bossen, dus het is een goed teken dat hij zich hier permanent gevestigd heeft.

Alleseter

Sinds de aanleg heeft het Amsterdamse Bos een grote ontwikkeling doorgemaakt, dat blijkt wel uit de vele roofvogelsoorten die zich hier thuis voelen. Naast de wespendief broeden er ook boomvalken, sperwers, buizerds en haviken. Om populaties van dergelijke toppredatoren te huisvesten is een gezond ecosysteem met voldoende rust en grote hoeveelheden prooi­dieren nodig. Kennelijk voldoet het Amsterdamse Bos aan deze vereisten.

Als kersje op de taart hebben we er dit jaar een nieuwe broedvogel bij gekregen: de raaf. Deze schuwe alleseter kan wel twee keer zo groot worden als de veel algemenere zwarte kraai. Sinds de raaf in de jaren zeventig in Nederland is geherintroduceerd is hij weer langzaam toegenomen en wellicht is dit broedpaar in het Amsterdamse Bos een voorbode voor een nieuwe Amsterdamse populatie. En wie zal het zeggen, misschien is de volgende nieuwkomer wel de zeearend. Als we zuinig zijn om onze natuurgebieden is alles mogelijk.

Bosvogels

Ze voelen zich thuis in uitgestrekte, oude bossen met een rijke variëteit aan planten en dieren. 

Wespendief

Beeld Ted Struwer

Iets groter dan buizerd, met langere, zwaar gebandeerde staart en vleugels. Zeer variabel in kleur. Jonge vogels hebben donkere irissen en volwassen vogels gele. Uitgesproken ­zomergast die pas eind mei terugkeert en begin september alweer vertrokken is.

IJsvogel

Beeld Ted Struwer

Kleine, schuwe viseter met korte oranje pootjes en lange, dolkvormige snavel. Schitterende ijblauwe bovenzijde, knaloranje onderzijde en witte keel. Broedt in oevers en tussen boomwortels van omgevallen bomen langs vegetatierijke waterpartijen.

Boomvalk

Beeld Ted Struwer

Compacte valk met lange, spitse vleugels en recht afgesneden staart. Donkergrijze bovenzijde en witte onderzijde met zwarte vlekken en kenmerkende roestbruine ‘broek’. Zomergast: jaagt vooral op libellen die hij al vliegend oppeuzelt.

Havik

Beeld Ted Struwer

Krachtige, aan bos gebonden roofvogel met grijze bovenzijde en fijn gebandeerde witte onderzijde. Witte wenkbrauwstreep en lichtoranje iris. Beduidend groter dan zeer gelijkende sperwer, met meer afgeronde staart. Standvogel: jaagt op vogels en kleine zoogdieren.

Raaf

Beeld Ted Struwer

Enorme, zwarte kraaiachtige met zeer zware snavel, lange, spitse vleugels en wigvormige staart. Alleseter met uitgestrekt territorium. Zeer schuw, vermijdt menselijke omgeving.

Zomerserie

Arjan Dwarshuis heeft in veertig landen bijna 7000 vogelsoorten ­gespot. Hij schreef er het boek Een ­bevlogen jaar over. In deze ­zomerserie richt hij zijn verrekijker op de vogels in Amsterdam.

1. De stad
2. Vondelpark
3. Schinkelbos
4. Westelijk ­Havengebied
5. Amsterdamse Bos
6. Polder IJdoorn en Kinseldam
7. Waterland

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden