PlusAchtergrond

De laatste Amsterdamse begijn bad zó vaak: ze meende te weten wat God wilde

Na haar intreding trad Agatha Kaptein toe tot de Amster­damse begijnen, bij wie ze een leven van soberheid tegemoet ging. Gestaag nam het aantal medezusters op het Begijnhof af, tot ze als laatste over was. Vijftig jaar geleden overleed ze.

De Engelse Kerk of Begijnenkerk uit 1419, gezien vanuit het poortje naar het Spui. Tekening door Reinier Vinkeles, uit 1768.  
 Beeld Stadsarchief
De Engelse Kerk of Begijnenkerk uit 1419, gezien vanuit het poortje naar het Spui. Tekening door Reinier Vinkeles, uit 1768.Beeld Stadsarchief

Op 23 mei 1971 ontsliep op het Begijnhof ‘na een lang­durige en pijnlijke ziekte’ Zuster Antonia. Ze was geboren als Agatha Kaptein en 84 jaar oud. Enkele kranten maakten er weemoedig melding van: met Zuster Antonia was ‘het laatste begijntje’ van Amsterdam overleden. Er was een einde gekomen aan een religieuze gemeenschap die meer dan zes eeuwen lang op dezelfde plaats had geleefd. Al in 1346 bestond er in Amsterdam een ‘beghynhuys’; in 1389 was er voor het eerst sprake van een hof.

Begijnenzusters waren geen kloosterlingen, maar vrouwen die kozen voor een eenvoudig, teruggetrokken bestaan in gezelschap van ­geloofsgenoten. Ze legden wel een gelofte af, maar bleven in juridische zin zelfstandig en konden, als ze dat wilden, het hof verlaten – om te trouwen, bijvoorbeeld. De meeste huizen in het hof waren particulier bezit en aan de kwaliteit valt af te lezen dat veel zusters uit de betere Amsterdamse families kwamen.

Zelfheiliging

Zuster Antonia was geboren in Akersloot, een katholiek dorp aan het Alkmaardermeer, als achtste in een gezin met dertien kinderen, van wie er vier in hun eerste jaar stierven. Vader Adrianus Kaptein (1854-1940) was landbouwer en veehouder en telg uit een katholiek geslacht dat tot in de 17de eeuw terugging. Hij behoorde zeker niet tot de mindere dorpsbewoners. Van 1905 tot in de jaren dertig was hij bestuurslid van de lokale Coöperatieve Christelijke Boerenleenbank.

Wanneer precies Agatha voor een leven in het Amsterdamse Begijnhof koos, is onbekend. Evenmin waarom. In juli 1926 overleed haar moeder, Elisabeth Swart, en drie maanden eerder verloor ze haar enige broer, Reinier. Zes van de zeven zussen waren al getrouwd. Agatha en haar jongere zus Koosje woonden nog thuis bij hun vader Arie, inmiddels dik in de zeventig. Agatha zal zich hebben bezonnen op haar toekomst; misschien maakte de erfenis van haar moeder het mogelijk dat ze zich in het Begijnhof inkocht. In 1932 wordt ze op de Amsterdamse woningkaarten als bewoonster van Begijnhof 26 vermeld. Ze is dan 45 jaar oud.

‘Bekeering der onkatholieken’

Het Begijnhof was een instelling ‘die een ­tusschenstaat vormt tusschen het leven in de wereld en het kloosterleven’. Zo stond het in de statuten van 1926, die elke maand aan de zusters werden voorgelezen. De afzondering maakte het gemakkelijker ‘de zelfheiliging te bewerken’. De begijnen wijdden zich aan de devotie tot het Heilig Sacrament en baden ‘voor de bekeering der onkatholieken in ons Bisdom.’

Vrouwen konden pas intreden vanaf hun dertigste en alleen als ze van onbesproken gedrag waren. Dat betekende ook dat ze niet ‘bevlekt’ mochten zijn door ‘onechte geboorte’ of ‘eerloosheid der ouders’. Ze moesten ongehuwd zijn – weduwen mochten ook – en dienden een kapitaal van ten minste 650 gulden te storten. Uit de rente ontvingen de zusters een toelage. Na een jaar proeftijd legden ze de ‘tijdelijke ­gelofte’ af van zuiverheid en gehoorzaamheid.

Een begijn moest in haar eigen onderhoud kunnen voorzien. Ze hadden eigen inkomsten, betaalden gewoon huur en bekostigden zelf hun habijt. Veel begijnen werkten buiten de deur, als ziekenverzorgster of in het onderwijs. Sommigen bewoonden een heel huis, anderen één of meer kamers. Het was wenselijk dat twee of meer zusters samenwoonden. Ze mochten dienstboden hebben.

Nog elk jaar op 2 mei wordt het graf van Cornelia Arens (gestorven in 1654) versierd met bloemen. Hier doen twee van de laatste begijnen dat, ergens in de jaren zestig. Beeld Stadsarchief
Nog elk jaar op 2 mei wordt het graf van Cornelia Arens (gestorven in 1654) versierd met bloemen. Hier doen twee van de laatste begijnen dat, ergens in de jaren zestig.Beeld Stadsarchief

Gelofte van armoede

Zuster Antonia had het getroffen: ze woonde in het huis Bethanië, uit 1736, met een fraaie halsgevel en in het interieur rijk stucwerk en gesneden kamerdeuren. Begijnhof 26 was in 1862 ­ingericht tot Convent Bethanië voor de negen toen nog resterende begijnen. In 1950 woonden er tien zusters. Dat jaar richtte Antonia met moeder-overste Josephine en de zusters Bernadette en Johanna een schriftelijk verzoek aan de deken van het bisdom Haarlem, de Geestelijke Vader van het hof.

Meerdere zusters wilden graag een gelofte van armoede afleggen, schreef Josephine, om zo dichter bij God te komen. En om nog een tweede reden: de meeste zusters konden niet langer rondkomen van hun rente. Met de gelofte van armoede werd het makkelijker, aldus de ­moeder-overste, om ze ‘naar behoefte’ te helpen uit de gezamenlijke kas. Antonia ondertekende zo te zien met een bibberende hand.

Zware loutering

Er is weinig bekend over hoe Antonia haar leven in het Begijnhof vormgaf. Ze leidde een devoot leven, zegt het bidprentje dat na haar overlijden werd gedrukt, ‘haar dagen verdelend in gebed, aanbidding en goede werken. Met de sterke wil, haar eigen, is zij trouw geweest in gehoorzaamheid, reinheid en stipte armoede.’ Haar laatste jaren waren door ziekte ‘een zware loutering’. De deken van Amsterdam, Jac. van der Hoogte, prees in de uitvaartrede haar inzet voor de ­missie en de Nederlandse priesters in Frankrijk. Antonia schoot bezoekers van het Begijnhof aan voor een gift en bad zo vaak ‘dat ze meende te weten wat God wilde’. Antonia kreeg haar laatste rustplaats in het zustergraf op begraafplaats Sint Barbara.

Huisregels voor een geordende dag

Het leven in het Begijnhof kende een geordende loop: bezoek aan de mis om half zes ’s ochtends, daarna werkzaamheden, koffiedrinken, gemeenschappelijk gebed, een paar uur vrije tijd, enzovoort. Natuurlijk werden de zusters geacht sober en eenvoudig te leven. Het huurreglement van 1917 schreef ‘stilzwijgen’ voor tot 12.00 uur en tussen 16.30 en 18.30 uur.

Er waren nogal wat verboden. Zo mochten personen van het mannelijk geslacht niet blijven overnachten. Evenmin was het toegestaan om ­wasgoed buiten te drogen, buiten ­bepaalde tijden matten te kloppen en duiven, kippen, honden en andere viervoetige dieren te houden. Er was een uitzondering: één kat, dat mocht.

Koen Kleijn is hoofdredacteur van Ons Amsterdam: onsamsterdam.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden