PlusAchtergrond

De Amsterdamse lantaarnopsteker die slachtoffer werd van politiegeweld

Lantaarnopsteker Gerrit L’Ecluse was al twintig jaar een vertrouwd gezicht in de Leidsepleinbuurt, toen hij door een misverstand in de cel belandde. Door het politiegeweld raakte de 64-jarige ambtenaar in 1910 blijvend invalide.

Maarten Hell en Marius van Melle
Een lantaarnopsteker op een van de Amsterdamse grachten, in 1903. Opsteker was een nuttig maar zwaar beroep. Beeld Johannes Baptista Bickhoff / Stadsarchief Amsterdam
Een lantaarnopsteker op een van de Amsterdamse grachten, in 1903. Opsteker was een nuttig maar zwaar beroep.Beeld Johannes Baptista Bickhoff / Stadsarchief Amsterdam

Gerrit Pieter Adrianus L’Ecluse, zoals de lantaarnopsteker voluit heette, werd geboren in de buurt van de oostelijke eilanden, als zoon van een sjouwer. In zijn jonge jaren voer hij op de koopvaardijvloot en vervulde hij zijn dienstplicht bij de zeemilitie. Na zijn huwelijk met Sophia Elisabeth Heibloem, in 1871, zocht L’Ecluse emplooi aan land als arbeider. Het stel kreeg tien kinderen, van wie slechts drie de volwassen leeftijd bereikten.

Het gezin L’Ecluse woonde achtereenvolgens in de omgeving van de Marnixstraat en in De Pijp, om uiteindelijk neer te strijken in de Jordaan. In straf tempo verhuisde L’Ecluse daar nog acht keer binnen een straal van soms enkele meters van de Passeerdersstraat.

In 1886 begon Gerrit L’Ecluse zijn dienstverband als lantaarnopsteker: eerst bij de Imperial Continental Gas Association, daarna bij de gemeente, die vanaf 1898 de straatverlichting ging verzorgen. Opsteker was een nuttig maar zwaar beroep, aangezien de toenmalige gaslantaarns handmatig dienden te worden aangestoken, gedoofd en onderhouden. Belangrijk daarbij was het schoonmaken: een beroet venster geeft immers weinig licht.

Rond 1910 telde Amsterdam 9441 lantaarnpalen met gaslampen, al was er een gestage opmars bezig van elektrische verlichting op drukke pleinen en in winkelstraten. Vanaf 1907 had ook de Leidsestraat de eerste elektrische booglampen, hoewel de bruggen over de grachten – waar hechtingspunten ontbraken – het moesten doen met ouderwetse gaslantaarns.

Paniek

Het schoonhouden van het lampenglas was een secuur en niet geheel risicoloos klusje voor de lantaarnopstekers. Ze moesten op een hoge ladder klimmen en dan flink wrijven met een doek gedrenkt in spiritus. Op maandagavond 25 april was Gerrit L’Ecluse hiermee bezig, toen hij plotseling ter aarde stortte. Hij krabbelde op en nam plaats op de stoep van een sigarenwinkel. De sigarenverkoper en voorbijgangers meenden dat de lantaarnopsteker te diep in het glaasje had gekeken.

Ze meldden dit aan de politiepost op het Leidseplein, waarvandaan algauw twee dienders kwamen opdagen. Die sleurden de lantaarnopsteker mee, omdat hij zelf niet op zijn benen kon staan, en vroegen hem of hij soms spiritus had gedronken. L’Ecluse verklaarde dat de spiritus voor zijn schoonmaakwerk was, maar de agenten geloofden hem niet en sloten hem op in een van de arrestantenhokken. Omdat hij weigerde te gaan liggen op een houten bank, smeten de agenten hem ruw neer, waardoor zijn hoofd de muur raakte.

In huize L’Ecluse was intussen paniek uitgebroken. He was al rond middernacht, waar was de pater familias gebleven? De oudste zoon ontdekte dat vader vastzat op het Leidseplein, maar mocht hem daar niet bezoeken: ‘Het is hier geen poppenkast,’ bitste de dienstdoende agent.

De volgende morgen begreep de politie dat het om een vergissing ging en kwam L’Ecluse op vrije voeten. Thuis in de Passeerdersstraat constateerde een arts dat L’Ecluse een beroerte had gehad. De zoon van de lantaarnopsteker ontstak in woede. Hij diende een klacht in bij het parket wegens vrijheidsberoving en mishandeling, maar alleen die laatste wilde de officier van justitie in behandeling nemen.

Uitkering van 97 gulden

Eind april 1910 stelde het sociaaldemocratische gemeenteraadslid Jos Loopuit schriftelijk vragen aan de burgemeester naar aanleiding van de mishandeling. Volgens hem paste deze in de ‘geest van toenemende ruwheid bij ons politiekorps’ (zie kader). Op de gemeenteraadszitting van 4 mei noemde Loopuit enkele andere recente voorbeelden van onnodig hard politieoptreden, met name tegen socialisten. Ook hekelde hij de weigering van agenten om assistentie te verlenen aan een in de Haarlemmer Houttuinen spontaan bevallen vrouw, omdat zij ‘maar een straatmeid’ zou zijn.

De net aangetreden burgemeester Antonie Roëll ging uitsluitend in op de zaak L’Ecluse. Deze bleek weliswaar niet dronken te zijn geweest, maar vier burgers hadden zulks gemeld aan de politie. Een ander raadslid had bovendien persoonlijk gezien dat de opsteker op straat niet was gesleept of mishandeld, maar was gedragen door de dienders.

Het slachtoffer was inmiddels opgenomen in het Binnengasthuis. Ondanks de ziekenhuisbehandeling kon hij zijn linkerarm niet meer gebruiken en moest hij met een stok lopen. Zijn werk als lantaarnopsteker was hierdoor onmogelijk geworden. Tot zijn pensionering in maart 1911 leefde het gezin L’Ecluse van een gemeentelijke uitkering, daarna een pensioentje van 97 gulden per jaar.

Op 25 september 1915 overleed Gerrit L’Ecluse. Van de klacht over zijn onterechte arrestatie en mishandeling is nooit meer wat vernomen.

Dit is een bewerkte aflevering uit de artikelreeks ‘Hier gebeurde het’, uit het aprilnummer van Ons Amsterdam.

Hoofdcommissaris van de politie Hubert Hordijk, die bekendstond als 'Stalen Bart'. Beeld Collectie Bernard F. Eilers
Hoofdcommissaris van de politie Hubert Hordijk, die bekendstond als 'Stalen Bart'.Beeld Collectie Bernard F. Eilers

Stalen Bart

Ten tijde van de ruwe arrestatie van lantaarnopsteker Gerrit L’Ecluse stond de politie onder leiding van hoofdcommissaris Hubert Hordijk. Deze voormalige militair had tijdens de spoorwegstakingen van 1903 een detachement infanteristen geleid en droeg toen al de beangstigende bijnaam ‘Stalen Bart’, vanwege zijn rechtlijnigheid.

Sociaaldemocraten in de Gemeenteraad protesteerden geregeld bij de burgemeester over het politieoptreden tegen de arbeidersbeweging. Een jaar na de kwestie L’Ecluse barste de bom: een staking van havenarbeiders in de zomer van 1911 escaleerde tot ‘de bloednacht van Kattenburg’, waarbij Stalen Bart zelfs het leger inzette.

Tegelijkertijd bracht de Franse president een staatsbezoek aan Amsterdam, waarbij de hoofdcommissaris persoonlijk een dreun uitdeelde aan een Franse fotograaf. De buitenlandse delegatie was ontstemd. Vanwege dit optreden was de positie van hoofdcommissaris Hordijk onhoudbaar geworden. Stalen Bart ging op ziekteverlof en werd in 1914 vervangen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden