PlusGeschiedenis

De Amsterdamse bodem is eeuwenlang opgehoogd met klei, riet, mest en afval

De veengrond onder Amsterdam zakt en zakt en daarom is de bodem eeuwenlang opgehoogd met kleizoden, rietmatten, mest en afval. Vaak heel systematisch, blijkt uit archeologisch onderzoek.

Archeologische opgraving in de Dirk van Hasseltssteeg in 1994. Het maaiveld uit 1325 ligt door alle ophogingen door de eeuwen heen nu ruim 5 meter onder het huidige maaiveld.Beeld Monumenten en Archeologie, gemeente Amsterdam

De eerste Amsterdammers moesten wel van aanpakken weten. De ­dertiende-eeuwse smederij waarvan archeologen in 1979 de resten vonden onder de Nieuwendijk, werd in vijftig jaar maar liefst tien keer opgehoogd. In het drassige veen langs de Amstel zorgden terpen voor droge voeten, maar nooit voor lang. Uit de opgravingen bleek dat de smederij elke vijf of tien jaar opnieuw kon beginnen. “Ze moesten het huis verplaatsen of slopen, de terp ophogen en alles weer opbouwen,” vertelt archeoloog Ranjith Jayasena, die al vijftien jaar onderzoek doet voor de gemeentelijke dienst Monumenten en Archeologie.

In zijn vorige week verschenen boek beschrijft Jayasena hoe de smid alles aangreep – kleizoden, mest en zijn eigen afval, zoals gebroken vaatwerk. De gevolgen van het voortdurende ophogen zijn goed terug te zien in de kronkelige loop van de Nieuwendijk loopt.

De Warmoesstraat daarentegen is al sinds 1250 kaarsrecht. “Dat is gewoon een dijklichaam,” zegt Jayasena op die andere hoofdas uit het prille begin van de stad. “Hier is het een centraal gestuurde aanpak geweest. Op de Nieuwendijk waren het individuele terpjes die aan elkaar groeiden. Dat was meer een rommeltje.

Handen uit de mouwen

Na een serie stormvloeden was het IJ rond het jaar 1170 een open verbinding naar zee geworden. Hoe zompig ook, aan de monding van de Amstel ontstond een nederzetting. “Ineens werd het afvoerputje van het gebied een aantrekkelijke plaats om je te vestigen.”

Daarvoor moesten de eerste Amsterdammers echter wel flink de handen uit de mouwen steken. Het grond- en baggerwerk is tot de dag van vandaag doorgegaan, beschrijft Jayasena in het onderzoek waarop hij in december is gepromoveerd aan de Universiteit van Amsterdam. De enige steeg tussen de buitendijkse bebouwing van de Warmoesstraat biedt uitzicht op het water van het Damrak. “Eerst lag hier alleen een oeverlandje.”

Het is sensationeel als je erbij stilstaat hoeveel breder de Amstel hier, tussen de Nieuwendijk en de Warmoesstraat, was voordat in de veertiende eeuw aan weerskanten de oevers werden opgehoogd en volgebouwd. “Ongeveer net zo breed als bij de Hogesluis en de Weesperzijde, zo’n 170 meter. Eigenlijk is dit water,” zegt Jayasena. “Zo heette het Damrak toen ook: Op ’t Water. Het is allemaal aangeplempt.”

Het grondwerk kreeg een vervolg aan het havenfront en daarna, in de zeventiende eeuw, in een lange reeks stadsuitbreidingen. In Amsterdam is het een gebed zonder eind: “Ga je grond opbrengen, dan zal het door het gewicht nog meer zakken.”

Dat inklinken is een sluipend proces geweest. Jayasena berekende dat sinds de Gouden Eeuw de bodem met 2 tot 2,5 meter is gedaald en opgehoogd. Vanaf de zestiende eeuw werd het grondwerk systematisch aangepakt door het Stadsfabrieksambt. “Daarvoor hadden ze de afdeling Graaf- en Modderwerk. Dat is ook de titel van mijn boek geworden.”

Over het Stadsfabrieksambt is al veel bekend uit geschreven bronnen, zegt Jayasena, maar door opgravingen is het beeld compleet gemaakt. In 1660, bij de aanleg van Oostenburg, ging men precies zo te werk als in 1595 op Vlooienburg, waar tegenwoordig het Waterlooplein ligt. “Eind zestiende eeuw werd een techniek ontwikkeld die goed beviel. Ze hebben die toen verder bij alle grote uitleggen toegepast.”

Schat aan informatie

Over kade en oeverland ging eerst een dikke laag afval. Daaraan was geen gebrek omdat de stad hierop het monopolie had. Daaroverheen gingen klei- en veenbrokken uit de grachten die tussen de eilanden werden gegraven. Alles werd afgedekt met een dikke laag baggerspecie van uitgediepte grachten en het IJ. Het gebruikte afval biedt een schat aan informatie. “Het is een dwarsdoorsnede van de gebruiksgoederen van Amsterdammers op dat moment. Het gevonden aardewerk is afkomstig uit alle windstreken wat dan weer van alles zegt over Amsterdam als handelsstad in die periode.”

Het boek biedt een totaalbeeld van 65 jaar archeologische opgravingen in Amsterdam. “Wat wij archeologen doen is eigenlijk ook graaf- en modderwerk. Allemaal puzzelstukjes.”

Ranjith Jayasena: Graaf- en modderwerk – een ­archeologische stadsgeschiedenis van Amsterdam. Matrijs, 29,95 euro.

Oer-geul onder het IJ

Nog altijd komt aan elke uitbreiding van de stad graaf- en modderwerk te pas, al wordt sinds de negentiende eeuw vooral zand gebruikt. “Aanplempen en ophogen is een vast onderdeel bij de groei van de stad.”

Wel is de stad tegen een grote hindernis aangelopen: de oer-geul onder het IJ. Deze pas in de jaren negentig van de vorige eeuw goed in kaart gebrachte sleuf in de ondergrond is zo diep dat heipalen hier geen houvast krijgen. Die geul was er de oorzaak van dat bij de bouw van het Centraal Station in 1881 de overkapping steeds verzakte. “Als men had geweten dat dat door het oer-IJ kwam, was het plan hier het station te bouwen daar misschien wel op afgeketst. Op Zeeburgereiland ging het ook mis in één hoek, daar begrepen ze eerst niks van.”

Bij de bouw van IJburg volgen de verschillende eilanden de oergeul. “IJburg is om de geul heen gebouwd.”

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden