PlusExclusief

Conservator Stephanie Archangel: ‘Het Rijksmuseum was de kans om mijn eigen geschiedenis te onderzoeken’

Stephanie Archangel: ‘Eerst dacht ik: niemand lijkt daar op mij, het Rijksmuseum is geen plek voor mensen zoals ik.’ Beeld Erik Smits
Stephanie Archangel: ‘Eerst dacht ik: niemand lijkt daar op mij, het Rijksmuseum is geen plek voor mensen zoals ik.’Beeld Erik Smits

Vroeger dacht Stephanie Archangel: het museum is geen plek voor mensen zoals ik. Sindsdien ontdekte de conservator van het Rijksmuseum in de collectie een enorme hoeveelheid verbeeldingen van zwarte vrouwen in de kunst.

Robert Vuijsje

Stephanie Archangel heeft alle uitspraken wel gehoord. “Ar-chanel, alsof het de merknaam is van een dure tas. Als ik in de wachtkamer zit bij de dokter en de assistent staat op een papier aarzelend naar de naam van de volgende patiënt te kijken, dan weet ik al: nu ben ik aan de beurt.”

“Ik heb het kunnen herleiden naar 1874, naar Michaela Archangel op Curaçao. Archangel was haar tweede voornaam, daar hoorde nog een achternaam bij, maar die is toen eraf gehaald bij de burgerlijke stand. Ik weet niet zeker of zij in slavernij is geboren of niet.”

Vindt u het een mooie naam?

“Ik ben er blij mee. Mijn dochter heet nu zo, we vonden het mooier dan de achternaam van haar vader.”

Was dat een moeilijke beslissing?

“We konden het samen bespreken. De standaard is altijd geweest dat de keuze voor een achternaam vanuit de man gebeurt, maar als je bij de gemeente komt, is het allebei gewoon een optie.”

Wat altijd de standaard is geweest en hoe dat later kan veranderen: het is een deel van Stephanie Archangels werk als conservator voor het Rijksmuseum. Het recentste voorbeeld is de discussie over de keuze om het woord ‘bersiap’ niet te gebruiken bij de tentoonstelling Revolusi!, die 11 februari begint.

In de vergaderzaal, met uitzicht op het Museumplein, wordt nu gewezen naar een grote stapel papier met afbeeldingen van schilderijen. “Dit is mijn leven, de zestiende- en zeventiende-eeuwse geschiedenis en schilderkunst. Over Indonesië in de vorige eeuw weet ik echt te weinig om iets te kunnen zeggen over bersiap. Bij ons werken ongeveer veertig conservatoren, onderverdeeld in beeldende kunst en geschiedenis.”

U zit wel in de Werkgroep Terminologie, toch?

“Ja, we proberen termen bij de tijd te houden. Zo’n term wordt in de historische context geplaatst en waar nodig aangevuld. Daar vallen mensen over, maar in de rest van het leven gebeurt het ook. Vroeger zeiden we wijf. Een paar eeuwen terug was dat een neutrale term, zoals het woord vrouw nu.”

“Bij de tentoonstelling over slavernij werden we geconfronteerd met het woord ‘weggelopen’. Een hond loopt weg, of een kind. Wanneer iemand vlucht voor zijn leven en je noemt dat weglopen, dan neem je de ernst van de zaak niet mee.”

In 2003, op haar zeventiende, verhuisde Stephanie Archangel van Curaçao naar Amsterdam. “Ik woon nu langer hier dan daar. Mijn eerste doel was: de middelbare school afmaken, dan mocht ik naar Nederland om te studeren. Daar werd ik mee opgevoed: iedereen die wilde studeren, verhuisde naar Nederland.”

“Toen ik voor het eerst terug was op Curaçao zag ik pas hoe klein het eiland is, de kilometers werden in verhouding geplaatst. Ik werd boos op mijn moeder: waarom wilde je me vroeger daar niet brengen omdat het te ver weg was? Dan ging het om een plek die vijf minuten verderop lag.”

In Amsterdam waren de afstanden wat groter. “Als student van buiten kreeg je woonruimte toegewezen. Ik kwam terecht in Uilenstede, net over de grens met Amstelveen. Als ik dat vertelde, lieten mensen me altijd weten: hm, ja, Uilenstede, dat is geen Amsterdam.”

Wat studeerde u?

“Eerst natuurlijk rechten, voor mijn ouders. Daarna sociologie, waarover zij vroegen: kun je daar wel werk mee vinden? Bij die studie kreeg ik een vriendin van wie de ouders in een museum werkten. Haar vader werkte bij het Niod en haar moeder was Hoofd collectie in het Anne Frank Huis. Ineens zag ik: aha, dus dit werk bestaat ook. Dat wist ik niet.”

“Op Curaçao had ik als kind schilderles gehad. Ik kende alleen het Tula Museum. Daar had je zalen waar voorwerpen lagen, muziekinstrumenten ook. Is dat kunst? Voor een eiland waar lezen en schrijven lang verboden zijn geweest, tijdens de slavernij, was muziek de kunstvorm waarin mensen zich konden uitdrukken. Daar groeide ik mee op, niet met Europese schilders.”

Hoe word je conservator in een museum?

“Als student had ik een museumkaart en het viel me op hoe weinig mensen van mijn leeftijd ik zag. Ik voelde echt de noodzaak voor een inhaalslag, het kan dat anderen dat niet hadden. Voor mijn scriptie besloot ik dit te onderzoeken: hoe kunnen we jongeren naar het museum trekken?”

“Na mijn studie benaderde ik alle musea waar ik interviews had gemaakt. Alleen het Joods Historisch Museum reageerde. Een baan konden ze me niet aanbieden, wel een stage. Daar ontdekte ik dat een conservator onderzoek kan doen en er een boek over schrijven. Ik zag hoeveel bewaard was gebleven van de Joodse geschiedenis en dacht: hoe zit dat met mijn geschiedenis?”

Na het Joods Historisch Museum volgden dienstverbanden bij het Amsterdam Museum en Het Rembrandthuis. “Die zijn allemaal themagebonden, het is afgebakend: een tentoonstelling moet een link hebben met het hoofdonderwerp van het museum. Bij het Rijksmuseum heb je grotere mogelijkheden. Ik zag het als dé kans om mijn eigen geschiedenis te onderzoeken. Het heet het Rijksmuseum, maar Nederland is groter dan dit Europese land, het bestrijkt de hele wereld.”

“Eerst dacht ik: niemand lijkt daar op mij, het is geen plek voor mensen zoals ik. Tot ik bedacht: als ik niet solliciteer, wie geeft mij dan niet die baan? Doen zij dat of ik, doordat ik het niet eens probeer? Uiteindelijk kreeg ik de functie van junior conservator, voor een tentoonstelling over de Tachtigjarige Oorlog.”

Wat vond u over uw eigen geschiedenis?

“Wij zijn geconditioneerd om te denken dat er tijdens de zeventiende eeuw nog geen zwarte bewoners van Amsterdam bestonden.”

Wijzend naar de papieren op tafel: “De mens is altijd op zoek naar zichzelf en ik vond mensen zoals ik, in zeventiende-eeuwse kunst. Ik dacht dat het er niet veel zouden zijn, maar ik heb nu 93 bladzijden met afbeeldingen van zwarte vrouwen uit die tijd, in de Rijksmuseumcollectie. Ik zocht ook verder in andere musea, bij 140 objecten ben ik gestopt. Het is gewoon zoveel meer dan ik dacht.”

“Meestal kwamen ze mee als dienstbodes van Sefardische Joden die vluchtten uit Portugal. In dit deel van Nederland was slavernij verboden, maar waren ze echt vrij? Dat is een complexe vraag. Juridisch waren ze niet tot slaaf gemaakt, maar ze werden mogelijk wel zo behandeld. Terwijl ze ook werden gezien als onderdeel van het gezin, als nanny, of maîtresse. Wat het frustrerend maakt: van slechts één van die vrouwen weet ik honderd procent zeker hoe ze heet. Je komt zo dichtbij en kunt er net geen vinger achter krijgen wie het is.”

Het eerste schilderij dat ze zag was van mannen. Twee Afrikaanse mannen, van Rembrandt, het hangt in het Mauritshuis. “Voor het eerst zag ik zwarte mensen die waardig werden afgebeeld op een schilderij uit die tijd. Gewoon front and center, in de hoofdrol. Niet aan de zijkant, in dienst van hun slavenhouder. Ik kreeg er rillingen van.”

“Tijdens het onderzoek voor de tentoonstelling over de Tachtigjarige Oorlog merkte ik dat Amsterdam in die periode groeide van 30.000 naar 200.000 inwoners. Dit was toen het centrum van de wereld. De groei bestond uit migranten, voornamelijk uit de rest van Europa. Scandinavië, Duitsland, Polen, maar ook Turkije. Deze stad is altijd gemengd geweest, vol nieuwkomers, het is Amsterdam eigen. Je zou kunnen zeggen dat de bevolkingssamenstelling in die tijd precies hetzelfde was als nu.”

Werd er ook net zo op gereageerd?

“Dat is helaas moeilijk te bewijzen.”

CV

Stephanie Archangel (Curaçao, 1985) is conservator bij het Rijksmuseum. Eerder had ze functies bij het Joods Historisch Museum, het Amsterdam Museum, het Rembrandthuis en het Nationaal Comité 4 en 5 Mei.

De stad van... Stephanie Archangel



Echt Amsterdams
“Op Curaçao deden je ouders de fiets achter in de auto en reden ergens heen waar je kon fietsen. Het was geen vervoermiddel. Als ik hier interactie heb met andere fietsers en echt meedoe, dan voel ik me Amsterdams.”

Huur of koop
“Van mezelf mag ik de hoop blijven koesteren dat ik ooit nog de mogelijkheid zal krijgen om in deze stad een huis te kopen. Maar eigenlijk heb ik geaccepteerd dat het niet meer gaat gebeuren.”

Drukte versus rust
“Door corona is alles omgedraaid. Vroeger zocht ik thuis rust, maar dat is nu mijn werkplek geworden. Of ik ging naar het park, alleen is dat nu vol wandelende mensen. Op mijn werk was het druk, maar nu ga ik daarheen om rustig te kunnen werken. Mijn collega’s zitten toch thuis.”

Randstad versus provincie
“Ik begrijp de Amsterdamse arrogantie, het is een geweldige stad. Concert, theater, tentoonstelling: alles is hier. En op de fiets, hè. Zo dichtbij, dat is uniek. Maar een situatie waarin de ene mens zich meer of minder voelt dan de andere is nooit fijn.”

Accent
“Ik hoor vaak dat ik wel heel erg ABN praat voor iemand die van Curaçao komt. Of ik dat moet opvatten als een compliment, ik weet het niet. Engels, Spaans en Papiaments spreek ik ook zonder accent.”

Robert Vuijsje.  Beeld Erik Smits
Robert Vuijsje.Beeld Erik Smits

Serie

Amsterdammers klagen graag over de snel veranderende stad, maar willen hier toch blijven wonen. Hoe werkt dat, vraagt schrijver Robert Vuijsje (Alleen maar nette mensen, Salomons ­oordeel) zich af in een wekelijkse interviewserie met bekende en minder bekende Amsterdammers. Dit is aflevering 5. Eerder interviewde hij Cliff en Polo Chan van restaurant Nam Kee, ondernemer Mohamed Mahdi, Jeroen Krabbé en actrice Dilan Yurdakul. Lees hier ons interview met Robert Vuijsje over zijn serie.

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden