Amsterdam Bewaar

Chemiebedrijf Lanxess sluit fabriek Amsterdam

Chemiebedrijf Lanxess gaat zijn fabriek in Amsterdam sluiten.
Chemiebedrijf Lanxess gaat zijn fabriek in Amsterdam sluiten. © Google Streetview

Chemiebedrijf Lanxess gaat zijn fabriek in de Amsterdamse haven sluiten. Daarbij verliezen 95 mensen hun baan en komt er na zestig jaar een einde aan de productie van bestrijdingsmiddelen langs het Noordzeekanaal.

Na zestig jaar komt een einde aan de productie van bestrijdingsmiddelen langs het Noordzeekanaal. Het Duitse Lanxess kreeg de fabriek in handen toen het in april het Ame­rikaanse Chemtura overnam. De fabriek vlak bij de Hempont is overbodig, concludeert Lanxess nu.

Tot een paar jaar terug waren er hoge verwachtingen van de heel zuivere synthetische olie die hier wordt gemaakt. Daarvoor werd in 2013 nog een splinternieuwe installatie geopend.

Deze olie is bijvoorbeeld geschikt voor de automatische versnellingsbak van personenauto's in het duurdere segment en als smeermiddel voor windmolens - een groeimarkt, redeneerde Chemtura destijds.

Ontmanteld
Maar de afgelopen jaren is een heel nieuwe formule voor deze basisoliën op de markt gekomen, legt een woordvoerder van Lanxess uit. Dat zette de markt op zijn kop. Een fabriek van Lanxess in Canada produceert sindsdien meer dan genoeg om de hele wereldmarkt te bedienen.

Eind volgend jaar loopt bovendien het contract af met de afnemer van het voorproduct voor insecticiden dat de fabriek ook maakt. Dan wordt de fabriek stilgelegd, definitief. De eerste helft van het personeel komt medio volgend jaar zonder werk te zitten. Lanxess is nog in onderhandeling met de vakbonden over een sociaal plan.

Eind 2018 ligt de hele fabriek stil, waarna die ontmanteld wordt. Lan­xess gaat het terrein dan teruggeven aan de Amsterdamse haven. Het havenbedrijf is verrast door het nieuws en kan nog niet zeggen welke bestemming het terrein zal krijgen.

De productie van bestrijdingsmiddelen kent een tumultueus verleden langs het Noordzeekanaal. De huidige fabriek sluit volgend jaar na bijna een halve eeuw op het huidige terrein en was eerder in handen van Duphar (de chemietak van Philips), Solvay-Duphar en Solvay Pharmaceuticals.

In een fabrieksgebouw van Philips Duphar kwam het in 1963 tot een explosie bij het maken van halffabricaat voor ontbladeringsmiddel. Schoonmaken lukte niet, het pand werd dichtgemetseld. De fabriek werd in 1973 vanwege de verbreding van het kanaal gesloopt.

Duizenden vaten afval
Uit een reconstructie van het aanvankelijk verzwegen ongeluk door Vrij Nederland bleek dat van de veertien werknemers die als eerste de fabriek in werden gestuurd, dertigers veelal, er vier twaalf jaar later niet meer leefden, vier arbeidsongeschikt waren en nog eens twee kwakkelden met hun gezondheid.

In 1980 werden op de vroegere vuilstortplaats in de Volgermeerpolder bij Broek in Waterland duizenden vaten met chemisch afval gevonden. Op sommige vaten was de afzender nog te lezen: Philips Duphar.

Het afval moet in de jaren zestig op de gemeentelijke vuilstortplaats zijn beland, toen de fabriek werd ingeschakeld voor de productie van het vanwege de Vietnamoorlog beruchte ontbladeringsmiddel Agent Orange.

De overheid heeft nooit kunnen aantonen dat Philips Duphar daar als enige chemisch afval had laten dumpen. De schade, die in de tientallen miljoenen liep, kwam daardoor helemaal bij de overheid te liggen.

Het gif in de ondergrond is sinds de eeuwwisseling ingekapseld met veen en folie. Maar nog altijd is de Volgermeerpolder zwaar verontreinigd. "Je zult moeite moeten doen om een viezere plek op de wereld te vinden," zei beheerder Ed Buijs vorig jaar in NRC.