Plus

Brand Paleis voor Volksvlijt sloeg een gat in hart van de stad

Precies negentig jaar geleden brandde het Paleis voor Volksvlijt tot de grond toe af en werd een gat geslagen in het culturele hart van Amsterdam, vergelijkbaar met de Notre-Dame in Parijs. Na lang soebatten kreeg het plein weer een bestemming, maar niet alle Amsterdammers waren daar blij mee.

April 1929, het Paleis voor Volksvlijt nasmeulend van de verwoestende brand. Beeld Collectie Stadsarchief Amsterdam

'Nimmer stond de Amsterdamse brandweer zoo machteloos,' schreef een van de Amsterdamse kranten nadat in de nacht van 18 op 19 april 1929 het Paleis voor Volksvlijt door een vlammenzee was verwoest.

'Wie de brand gezien heeft zal dit schouwspel zijn levensdagen niet vergeten. Nooit is in de annalen der hoofdstedelijke brandweerhistorie een dergelijke gebeurtenis geboekstaafd, een brand van een dergelijke ­omvang en felheid in het hartje van de stad, waarbij een monument uit de jaren van de moderne opkomst van Amsterdam verloren ging.'

Amsterdammers verbaasden zich over de brandbaarheid van dit paleis van ijzer en glas; binnen een paar uur kwam de grote glazen koepel, waarop een beeld met fakkel, met een formidabele klap naar beneden. Toen wisten de Amsterdammers: met het Paleis voor Volksvlijt is het voorgoed gedaan.

Rariteitenkabinet
Oorspronkelijk gebouwd als tentoonstellingsgebouw werd het Paleis voor Volksvlijt het hart van het Amsterdamse amusementsleven. Hier stelde de beroemde Franse ballonvaarder Nadar in 1865 zijn Le Géant tentoon, destijds de grootste luchtballon ter wereld.

De jaarlijkse hondenshows en automobieltentoonstellingen waren populair. Amsterdammers gingen naar het ­Paleis voor concerten, toneelvoorstellingen en opera-uitvoeringen. Maar het was ook het podium voor toonbeelden uit het rariteitenkabinet, zoals de 77 centimeter kleine meneer Mouche en zijn nauwelijks grotere zus. Hier konden ­Amsterdammers tegen betaling ook oog in oog staan met een in Zuid-Afrika geronseld leger van heuse Zoeloekrijgers.

De brand sloeg letterlijk en figuurlijk een gat in cultureel Amsterdam. Na de brand kende de stad nog slechts één groot theater: de Stadsschouwburg. Daar liepen de Nederlandse ­Opera, het Nationaal Ballet en het Amsterdams Toneel Gezelschap elkaar, zowel artistiek als zakelijk, nog jaren letterlijk voor de voeten. Het Frederiksplein bleef intussen leeg. De galerij en de statige toegangsgebouwen hadden de brand overleefd en bleven in gebruik. Een lelijke schutting met reclames onttrok jarenlang de open ruimte aan het oog.

Chrystal Palace
Intussen kwamen er wel allerlei plannen op ­tafel, zoals voor een Volkshuis of Sportpaleis. In 1934 kwamen enkele architecten op het idee om een exacte kopie van het Chrystal Palace uit Londen na te bouwen. Serieuzer waren de plannen voor een operagebouw, dat als cultureel centrum voor de hoofdstad kon fungeren.

Er zou een Toneelschool komen, een groot restaurant, vergaderzalen en expositiezalen. Maar het plan bracht onoverkomelijke bezwaren met zich mee aan kosten, materiaal en aan tijdsduur. Er werd ook nog gedacht over een minder ambitieus 'noodoperagebouw', dat sneller ­gereed zou komen. Maar ook dat kwam er uiteindelijk niet.

Het Paleis voor Volksvlijt in volle glorie in 1910. Beeld Collectie Stadsarchief Amsterdam

Toen het rijk het Paleis op de Dam definitief ­afstond aan de koninklijke familie, in ruil waarvoor de gemeente Amsterdam 15 miljoen gulden zou ontvangen als tegemoetkoming in de bouwkosten van een nieuw raadhuis, keek ­Amsterdam wederom naar het Frederiksplein.

Maar toen de torens, transen en tierelantijnen uit de schetsen waren verdwenen en er een strak, rechthoekig gebouw voor in de plaats zou komen, leek de Amstel een veel betere locatie. Pas in 1979 werd besloten de bouw van de opera te combineren met de bouw van het nieuwe stadhuis, de huidige Stopera.

Kolossale kantoortoren
Het Frederiksplein leefde al die tijd voort als plantsoen. Pas in 1939 werd het plein weer gebruikt voor een tentoonstelling, ter ere van het eeuwfeest van de Staatsspoorwegen. Een replica van De Arend, met drie rijtuigen, reed er een rondje en stopte bij een kopie van het allereerste station uit 1839.

In 1961 gingen de winkelgalerijen met bovenwoningen plat en verrees op het braakliggende terrein het nieuwe hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank. Burgemeester Gijs van Hall had het braakliggende terrein beschikbaar gesteld, om de bouw van een soortgelijke kolossale kantoortoren van de bank op de Oude Turfmarkt te voorkomen. De gebiedsruil met De Nederlandsche Bank viel niet bij iedereen in goede aarde. 'Een bank blijft een bank al laat men 's avonds het licht in de kassierderij branden,' noteerde dagblad De Tijd.

Jarenlang pleitte een stichting onder leiding van Wim T. Schippers voor herbouw van het ­Paleis. Maar De Nederlandsche Bank peinsde er niet over te verhuizen. Nieuwe Paleizen van Volksvlijt - Afas Live, de Johan Cruijff Arena en Imax - zijn inmiddels verrezen in Amsterdam-Zuidoost, de nieuwe stadsrand.

Sloop Utrechtsepoort

Voordat in het najaar van 1858 de eerste paal werd geslagen voor de bouw van het Paleis voor Volksvlijt, ging de omgeving op de schop. De Utrechtsepoort werd gesloopt, de 17de-eeuwse bolwerken gesloopt en de Achtergracht gedempt. Aan weerszijden (Oosteinde en Westeinde) van het tentoonstellingsgebouw van glas en staal liet initiatiefnemer Samuel Sarphati huizenblokken bouwen. Achter het paleis werd een tuin aangelegd, omgeven door woningen boven een sierlijke winkelgalerij. Bij de opening in 1864 was Sarphati trots op zijn monument, dat 'geheel van glas, overal licht en leven zal doorlaten, opvangen en verspreiden'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden