PlusGeschiedenis

Bij de uitbreiding van Amsterdam in 1921 stemden de nieuwkomers rood

Met de annexatie in 1921 van zes kleinere landelijke gemeentes kreeg Amsterdam er grond en duizenden inwoners bij. Nieuwe gemeenteraadsverkiezingen waren nodig en die veranderden de stemverhoudingen radicaal.

'De wethoudersschool in Amsterdam', spotprent uit 1928 over de wethoudersverkiezing: bovenmeester Wibaut leest de andere partijen de les  Beeld Stadsarchief
'De wethoudersschool in Amsterdam', spotprent uit 1928 over de wethoudersverkiezing: bovenmeester Wibaut leest de andere partijen de lesBeeld Stadsarchief

Het waren beslist gedenkwaardige gemeenteraads­verkiezingen, op 27 april 1921 in Amsterdam. Niet alleen mochten 20.000 nieuwe stadgenoten van de zojuist geannexeerde gemeentes Sloten, Nieuwer-­Amstel, Watergraafsmeer, Buiksloot, Nieuwendam en Ransdorp meestemmen, ook 180.000 vrouwen maakten voor het eerst de gang naar de Amsterdamse stembus, dankzij de invoering van het ­algemeen vrouwenkiesrecht. Deze nieuwe ­kiezers leidden de Sociaal-Democratische ­Arbeiderspartij (SDAP) naar één zetel meer dan in 1919, waarmee zij met veertien zetels de grootste fractie werd in de gemeenteraad. Na zeventig jaar kwam daarmee een einde aan de liberale dominantie.

De SDAP vond haar achterban voornamelijk onder de Amsterdamse arbeiders. Zij woonden in buurten als de Jordaan en de Staatsliedenbuurt, maar ook in de nieuwbouwwijken die er recent bij waren gekomen dankzij de sociaal­democratische wethouders. Op veel bewoners in de ‘poldergemeentes’ had vooral het ‘rode’ ­levensmiddelenbeleid van de sociaaldemocratische wethouder Floor Wibaut in Amsterdam tijdens de Eerste Wereldoorlog een grote aantrekkingskracht uitgeoefend.

Huisvesting als sleutel tot welzijn

De SDAP was niet de enige partij die profiteerde van de nieuwe Amsterdamse kiezers. Ook de achterban van de confessionele partijen groeide. Zowel de christelijke Anti-Revolutionaire Partij (ARP) als de Christelijk-Historische Unie (CHU) behaalde stemmenwinst in de calvinistische plattelandsgemeentes. Beide partijen wonnen een zetel in de gemeenteraad, die nu werd gedomineerd door twee machtsblokken: de sociaaldemocraten en de confessionelen ­onder leiding van de piepjonge katholieke advocaat Carl Romme. Na hard onderhandelen kreeg de SDAP de helft van de wethouders­zetels, voor Floor Wibaut, Monne de Miranda en partijvoorzitter Willem Vliegen. De andere drie wethouders waren de katholieke Ferdinand Wierdels, de christen-historische Jan ter Haar en de liberale Isidoor Vos.

Zakenman en politicus Floor Wibaut in zijn werkkamer, 1926. Beeld Stadsarchief
Zakenman en politicus Floor Wibaut in zijn werkkamer, 1926.Beeld Stadsarchief

De discussies in de gemeenteraad gingen vooral over het soort overheidsingrijpen dat de sociaaldemocraten voorstonden. Wibaut was ervan overtuigd dat goede huisvesting de sleutel was tot het welzijn en de ‘beschaving van de arbeidsklasse’: de verbetering en de bouw van sociale woningen. De woningnood was hoog, maar tot de jaren twintig strekten de plannen van Amsterdam noodgedwongen niet verder dan nieuwbouw in het beperkte gebied rond de grachtengordel. Dat veranderde door de annexaties. Grote delen van de polders in Sloten, Buiksloot en Nieuwendam werden gereed­gemaakt voor volkswoningbouw.

De scholenbouwer

Twee jaar na de ingelaste verkiezingen volgden er in 1923 reguliere raadsverkiezingen. Eduard Polak – gepokt en gemazeld als raadslid sinds 1913 – nam Onderwijs over van Willem Vliegen, die het als Kamerlid en als voorzitter van de SDAP te druk had. Als gevolg van de stadsuitbreiding moesten er flink wat scholen bijkomen: op elke vierhonderd woningen had een nieuwe wijk recht op minstens één school. Tussen 1920 en 1926 verrezen er alleen al 108 ­lagere scholen, waarvan 63 bijzondere. Het ­leverde Polak de bijnaam ‘scholenbouwer’ op.

De gemeente was bestuurder van het openbaar onderwijs, maar had na de grondwetswijziging van 1917 tevens de plicht om bijzondere scholen evenveel subsidie te geven als de openbare. De stichtingskosten en de exploitatie van de bijzondere scholen kwamen ten laste van de gemeente. Een explosieve groei van het bijzonder onderwijs ten koste van het openbare was het gevolg. In de nieuwe stadsdelen ontstonden vooral katholieke en protestantse scholen, bestaande scholen werden uitgebreid.

'Den nieuwen dag tegemoet!' – verkiezingsaffiche van de SDAP uit 1921. Beeld IISG
'Den nieuwen dag tegemoet!' – verkiezingsaffiche van de SDAP uit 1921.Beeld IISG

Ook particuliere scholen uit de rijkere buurten klopten aan bij de gemeente. Wethouder Polak voerde de wet loyaal uit, maar probeerde wel de grote teruggang van het openbaar onderwijs te stuiten. Hij zette zich sterk in voor de oprichting van openbare scholen met een vernieuwende aanpak. Door zijn toedoen kwamen er in ­Amsterdam veel meer dan elders scholen die de montessorimethode volgden. Zijn collega ­Wibaut steunde hem daarin, mede onder invloed van diens vrouw en dochter. De rode Bond van Onderwijzers, met Theo Thijssen voorop, dacht er echter heel anders over: die wilde ­weinig van deze nieuwlichterij weten. Volgens Thijssen miste dat soort onderwijs ‘de warme sociale sfeer’ die kinderen zo nodig hadden.

Rooms-rode coalitie

Intussen werkte Romme zich na zijn verkiezing in 1921 in korte tijd op tot de absolute leider van de katholieke fractie en daarmee van het hele niet-socialistische blok. Als fel voorstander van het particulier initiatief kruiste hij vaak de ­degens met Wibaut. Toen de SDAP bij de raadsverkiezingen in 1927 een zetel verloor, was ­Romme van mening dat de sociaaldemocraten nog slechts op twee wethouderszetels recht hadden. Wibaut en De Miranda weigerden echter plaats te nemen in het college zonder een derde partijgenoot.

Romme stelde voor de wethouderszetels ‘tijdelijk’ toe te kennen aan een liberaal en een vrijzinnig democraat, zolang de SDAP geen verantwoordelijkheid wilde nemen ‘overeenkomstig hun getalssterkte’. In 1929 viel dit college en kwam er een einde aan wat de SDAP ‘het eerste wethouderloze tijdperk’ noemde. Romme zocht een compromis met Wibaut. Zo kwam dat jaar het ‘progressiefste’ college uit de vooroorlogse ­Amsterdamse geschiedenis tot stand – een voorbode van de landelijke rooms-rode coalitie van na de Tweede Wereldoorlog.

Renée Karsten studeert Taal- en Cultuur­studies aan de Universiteit Utrecht, Sjoerd Karsten is emeritus hoogleraar Onderwijsbeleid aan de Universiteit van Amsterdam. Meer over de ­annexaties van 1921 op: annexaties1921.com.

Ook gekozen: Hadjememaar en Zuurbier

Er was nog een opvallend aspect aan de verkiezingen van 1921. De sociaal-anarchistische Vrije ­Socialistische Groep deed mee uit protest tegen de stemopkomstplicht en veroverde twee zetels. Een daarvan was voor Nelis de Gelder, het alom bekende straattype Hadjememaar, die tijdens de ver­kiezingen in de cel zat voor openbare dronkenschap. Tot grote ­opluchting deed hij afstand van zijn zetel, waarmee er van zijn verkiezingsbeloften ‘Bier vijf cent en vrij visschen in het Vondelpark’ niets ­terechtkwam. Tijdschriften­colporteur Bertus Zuurbier mengde zich wel geregeld in de ­debatten, maar stemde als ­anarchist principieel niet mee.

Cornelis de Gelder, alias Hadjememaar. Beeld Stadsarchief
Cornelis de Gelder, alias Hadjememaar.Beeld Stadsarchief
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden