PlusKlapstoel

Asis Aynan: ‘Waarom denken Nederlanders dat snert Nederlands is?’

Asis Aynan (1980) is schrijver. Hij doceert Nederlands aan de Hogeschool van Amsterdam. Onlangs schreef hij het essay Eén erwt maakt nog geen snert over de roerige geschiedenis van de Rif.

Asis Aynan. Beeld Harmen de Jong
Asis Aynan.Beeld Harmen de Jong

Haarlem

“Ik ben verwekt in de Rif. Daar heb ik negen maanden in de buik van mijn moeder gezeten. Twee dagen na haar aankomst in Haarlem ben ik in het Sint Johannes de Deo geboren. Mijn vader werkte in de hondenbrokkenfabriek, maar had ook een pension, een gigantisch huis waar negen kinderen groot zijn gebracht. Hij had niet door dat hij op een goudmijn zat.”

“We werden niet gediscrimineerd, maar in Haarlem zijn de mensen nogal op zichzelf. En wij waren natuurlijk ook een beetje anders. Wij roken naar komijn, de andere kinderen naar boterhamworst. Mijn moeder heeft tatoeages in haar gezicht en wij namen ook weleens een konijn mee. Levend, ja. Wij gingen niet naar de slager. Eén keer per jaar kochten we een schaap. Dat verzorgden we maandenlang bij de boer en als het werd geslacht waren de kinderen erbij. Ik vind het heel fijn dat ik dat heb meegemaakt. Het is een heel emotioneel proces.”

Beverwijkse Bazaar

“Een tafel op de Beverwijkse Bazaar was vroeger binnen de Marokkaanse gemeenschap heel populair. Iedereen wilde er zijn geluk beproeven. Het was wat nu de bitcoin is: een manier om snel geld te verdienen. Alleen niet voor mijn vader. Tegenwoordig zou je hem een hipster noemen. Hij verkocht troepjes. Hij was een denker, die oude spullen aan de man probeerde te brengen. Dat werkte natuurlijk niet. Af en toe mocht ik mee als kind. Het was er larger than life. Er werd gigantisch geschreeuwd en het was altijd knokken. En dan die geuren.”

Fatma

“Mijn overgrootmoeder, de oma van mijn vader. Het is een verschrikkelijk verhaal. Nadat haar eerste man was gesneuveld in de Rifoorlog is ze met de vijf kinderen die ze met hem had op de vlucht gegaan voor de Spaanse bezetter.

’s Nachts liepen ze, overdag verstopten ze zich, maar toch werden alle kinderen door de oorlog opgegeten. Eén meisje werd door een sluipschutter door haar kop geschoten, twee anderen waren aan het spelen met een bom. Ik kende het verhaal van vakanties bij mijn oma. Het gekke is: het drong nooit tot mij door. Het was als een vakantieliefde. Als je weer thuis bent, twijfel je of het echt is gebeurd. Pas toen ik boeken ging lezen over de Rif begreep ik: alle Riffijnse families hebben een Fatma. Allemaal.”

Tamja

“De bamboefluit. Kijk, ik heb er hier een liggen. Die heb ik van mijn vader. Hij was een heel goede muzikant. Hij speelde alles: luit en fluit, viool en piano. Je zou hem nu een multitalent noemen. Op zeker moment haalde hij zijn vrouw en kinderen naar Nederland. Hij werd heel erg religieus, een gereformeerde moslim: geen alcohol, geen muziek. Hij dacht dat hij dat nodig had om zijn leven te temmen en voor ons te kunnen zorgen. Pas later kwam er weer lucht in zijn leven. Hij is naar Caïro gegaan om de man te zoeken die de luit had gemaakt die ooit bij een brand verloren was gegaan. Daar heeft hij de laatste jaren van zijn leven op gespeeld. Het maakte hem gelukkig. In de kamer waar de luit ligt, slaapt nu mijn moeder.”

Snert

Eén erwt maakt nog geen snert. De titel van mijn boek. Waarom denken Nederlanders altijd dat snert Nederlands is? De erwt komt niet eens uit Nederland. Over de hele wereld eten ze erwten­soep. Als snert echt Nederlands zou zijn, had je er wel een gezegde mee gehad. Maar dat heb je niet. Wel een Riffijnse: één erwt maakt nog geen snert. Zoiets als: één zwaluw maakt nog geen zomer. De titel heeft verder helemaal niets met het boek te maken. Ja, ik heb er op het allerlaatst nog iets met een erwt in gezet, maar dat had ik net zo goed niet kunnen doen. Ik vind het gewoon zo’n mooie uitdrukking dat ik het per se op de cover wilde hebben. In het Riffijns is hij al prachtig, maar in het Nederlands klinkt het nog veel beter.”

Gastarbeider

“Als mensen die term horen, denken ze aan goedgeklede mannen met soulpijpen, die al discoënd het vliegtuig uit liepen. Bij iedereen gaat Saturday Night Fever aan in het hoofd. Maar de werkelijkheid is dat tussen 1958 en 1959 tegen de Riffijnen een afgrijselijke oorlog werd gevoerd, onder commando van Hassan II, de late­re koning van Marokko en de vader van de huidige koning. Ze noemen het wel het jaar van de deksels, vanwege de vele soldaten. Ze hadden het net zo goed het jaar van de verkrachtingen kunnen noemen. Er werd napalm en witte fosfor ingezet, mensen werden uit helikopters in de Middellandse Zee gegooid. Dat is de periode waarin mijn vader en moeder zijn opgegroeid. Dacht je dat mijn vader in zo’n land wilde blijven? Maar hoe noem je nou iemand die vlucht voor oorlog? Een gastarbeider? Dan ben je toch gewoon een vluchteling.”

Ahmed Aboutaleb

“Ten eerste: ik ken hem niet persoonlijk. Ten tweede: ik heb veel respect voor zijn carrière. Maar ik snap niet hoe hij zich opstelt tegenover de wantoestanden in Marokko. Hij is ook een Riffijn, zijn familie is ook gevlucht. Dan vind ik het pijnlijk om te zien hoe hij zich in 2007 liet ridderen door de Marokkaanse koning. Najib Amhali en Ali B gingen in 2018 dansen op het annexatiefeest van de Westelijke Sahara. Hoe dan? Stel je voor dat een bekende Nederrus zich laat uitnodigen door Vladimir Poetin om de annexatie van de Krim te vieren.”

“Als een man als Aboutaleb zegt dat Marokko de Riffijn serieus zou moeten nemen, zoals de burgemeester van Arnhem dat doet, dan betekent dat iets. Maar hij doet het niet. Laat dit dan maar een handreiking zijn aan Aboutaleb. Een uitnodiging. Ik wil graag een keertje met hem hierover praten.”

Berberbibliotheek

“Een project van tien romans uit Berberland of hoe je het ook noemen wil. De Harry Mulischen, Gerard Reves en W.F. Hermansen van Noord-Afrika. Iemand zei tegen mij: in Nederland is het enige wat je hoeft te doen een aardappel in de grond stoppen, dan krijg je er vanzelf tien voor terug. Ik vond dat er hier te weinig verscheen uit dat gebied. Of het goed verkoopt? Nou, nee. Er was vooral veel lof. Eén boek heeft een tweede druk gekregen: Hongerjaren van Mohamed Choukri.”

Linoleumkoorts

“Dat is plankenvrees voor docenten. Ik had vroeger veel baantjes: televerkoop, werken in een supermarkt, een kledingwinkel of een restaurant. Maar ik ging nooit met plezier naar mijn werk. Tot ik ging lesgeven. Doceren is niet wat ik doe, maar wat ik ben. Het is ongelooflijk hoe mooi dat werk is. Maar omdat ik het zo fantastisch vind, is de angst om te falen nooit ver weg. Ik hoorde laatst een leraar zeggen dat hij op de dag dat hij voor de klas moet, de lessen even doorneemt onder de douche. Dat is voor mij ondenkbaar. Ik bereid alles tot in de puntjes voor. Ik geef nu vijftien jaar les, waarvan tien op de Hogeschool van Amsterdam, en nog heb ik de zenuwen. Veel docenten hebben dat. Het is een taboe waarover je niet praat.”

Filosofie

“Ik werkte bij een dependance van het ministerie van Onderwijs. Tijdens vergaderingen dacht ik steeds aan nare dingen, aan kanker en zo. Ik vond het allemaal heel verstikkend, terwijl het een heel aangename werkplek was. Ik dacht: bij een studie filosofie leer ik over de ­wereld. Ik heb, onder begeleiding, boeken ­gelezen die ik anders nooit zou hebben gelezen. Bijna alles van Rousseau. Ik heb zoveel lol beleefd met Dide­rot. Afgelopen zomer was voor mij een Voltaire­zomer. Heerlijk. Maar ik bén geen filosoof. Ik zou niet weten wat dat is.”

Surinamer

“Ken je Fawlty Towers? Het was een rare dag. Mijn vader was net overleden en ik ging met mijn moeder naar het Marokkaanse consulaat aan het Vondelpark om de erfenis te regelen. Ik zag het alweer gebeuren: gaan ze je vragen naar je Marokkaanse paspoort. Dat heb ik nooit aangevraagd. Ik heb daar ook helemaal geen zin in. Begint die consul mijn moeder bang te maken en Koranverzen te reciteren om de situatie te bezweren. Toen dat niet hielp, zei hij: ‘Inderdaad, jij bent geen Marokkaan! Maar je bent ook geen Nederlander, jij bent een Surinamer!’ Voor een Riffijn ben ik best bruin, dus hij vond dat waarschijnlijk een fantastische bele­diging. Het is allemaal pesterij. Ik ben helemaal niet geboren in Marokko. Het interessante is: mijn ouders ook niet, want toen was de Rif nog bezet door Spanje en Frankrijk. En mijn grootouders zijn geboren in de Rifrepubliek.”

Vliegangst

“Misschien heeft het ermee te maken dat ik in de buik van mijn moeder naar Nederland ben gevlogen. Ze was negen maanden zwanger toen ze door mijn opa Mimoun naar het vliegveld van Al Hoceima werd gebracht, in die tijd al een wereldreis op zich. Daarna is ze naar Tanger gevlogen en via Parijs naar Amsterdam. Een analfabete vrouw met vier kinderen. Ze moet doodsangsten hebben uitgestaan.”

“Ik vlieg niet en ik ga het ook niet doen. Ik ga geen cursussen doen of pilletjes slikken. Ik begin er gewoon niet aan. Dan zeggen mensen: weet je wel wat je mist? Maar ik vind vakantie helemaal niet interessant. Het idee alleen al geeft me stress. Als ik op de plek van bestemming ben, is mijn hele lichaam vastgelopen. Kan ik dagenlang niet slapen of naar het toilet. Als ik terugkom, heb ik weken nodig om weer bij te komen.”

Froukje Veenstra

Groter dan ik? Wacht, dan zet ik het even op. Gezellig deuntje met een goede boodschap. Dat spreekt me wel aan. Ik zal me wat meer in haar gaan verdiepen.”

Asis Aynan: Eén erwt maakt nog geen snert. Uitgeverij Van Oorschot, €12,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool .nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden